Heer en meester Guido Gezelle wierd gedurende deze laatste maanden in de nieuws- en tijdbladen van welken aard en gezindheid ook met volmondigen lof besproken.
Hij wordt bijzonderlijk geprezen als een hoogvernuftig Dichter, die het beeld der schoonheid, dat hij warm en glanzend in de ziel droeg, met machtig en prachtig woord heeft gesproken.
De schoonheid is overal: zij is de weerglans van Gods goedheid en liefde, van God zelf; zij is de voorsmaak des hemels. Alle schepselen ademen die schoonheid uit gelijk de bloem hare geuren. Die schoonheid dringt in de ziel te zamen met het verheerlijkt beeld van het wezen waaruit zij straalt; de ziel die erdoor beroerd wordt, voelt een genoegen zoo zoet dat, bij weerslag, het hert ervan klopt, het gemoed er van huivert, en in gansch het wezen een verlangen ontstaat naar hooger leven, hoogere liefde, hoogere zaligheid.
Dit beeld en deze gloed zijn als hemelboden die komen spreken aan de ziel van hooger genot.
Iedere ziel is niet even vatbaar voor de schoonheid. Doch bij wien is deze, hoe vluchtig ook, nooit door de ziel gevaren? Gewis bij niemand. Meer nog: wie heeft nooit gepoogd wat op die stonden in de ziel omging aan anderen mede te deelen?
Wij nemen beitel of borstel en willen het beeld dat ons vervoert op het doek of in den steen aanschouwbaar maken, met gansch zijn wezen en gansch zijn leven; wij willen onze gevoelens doen trillen uit de snaren van het speeltuig, uit de keel van den zanger; of wij willen, met het gepaste woord, de schoonheid die, sprakeloos nog, in onzen boezem geborgen ligt, uitspreken.
Doch wij maken maar al te dikwijls wangedaanten van ons oorbeeld; of blijven stom waar wij den drang gevoelen van na te zeggen. Wij voelen de poezij, doch wij kunnen ze niet uiten. Wij zijn geene kunstenaars, wij zijn geene dichters.
De ziel des dichters ‘hoort lijk stemmen van hier boven die tot haar spreken.
‘Hoe zou zij niet antwoorden en ook spreken dan?
‘Immers heure eigene tale is 't die zij gehoord heeft, de tale des hemels, de tale des Vaderlands.
‘Welke zoetigheid zoolang zij luidt! Eilaas, een oogenblik en 't is voorbij! 't Lichaam en de banden Adams eischen hunne rechten weêrom en de droom des dichtens is voorbij! Niets blijft er nog over dan de hope die nooit en vergaat.
‘Spreekt mij dikwijls, o God, in de blijde tale des vaderlands.(1)’
Gelukkig is de dichter die de schoonheid eene hemelgave noemt. Is zijne ziel edel en rein als een zilveren vat vol wierook, dan zal de schoonheid nederdalen als eene vonk ontvallen aan het Eeuwig Licht, de ziel ontvlammen, en haar in blijde walmen doen geuren door den tempel, en godewaarts doen stijgen in de beuken.
Zulk een gelukkige dichter was Gezelle. Hij had eene edele ziel vol goedheid en liefde, vol reinheid en eenvoud; daar viel de schoonheid in, glanzend en gloeiend; gansch die ziel goot hij over, machtig maar rechtzinnig, in heerlijke zangen die hij, gelijk klimmende wierook, hoog de hemelen in zond, om er den Schepper te loven.
Dat was Gezelle.
Het werk van den kunstenaar moet de rechtzinnige weerspiegeling zijn der ziel. Gewaande geestdrift, ongepast woord, kranke zeggenskracht verraden noodzakelijk gebrek aan kunstzin en aan kunst-veerdigheid.
Indien nu ooit iemand onvervalscht en getrouw zijne ziel in zijne werken heeft veropenbaard, dan is het wel Gezelle.
Die rechtzinnigheid breekt door al zijne dicht-stukken, en hij zelf bekent het ten andere zoo gemoedelijk:
Wat hij ziet en gevoelt vloeit uit zijn hert in eenen woordenstroom zoo rein, zoo frisch, zoo hertverkwikkend, zoo doorschijnend, zoo waar in een woord, als de bron zelve waaruit de vloed gesproten komt.
Hij bezat ook wondere gaven. Zijn gehoor was overgevoelig: allen klank uit de waaiende, ruischende, donderende, zingende natuur ontwaarde hij met al de fijnste zinderingen; zijn altijd luisterend oor ving zorgvuldig den zang op die speelt en klinkt in den mond van het sprekende volk; hij las en herlas onverzadigd de zoete gedichten uit de middeleeuwen; zijne ziel lag vol sluimerende zangen. Hij kende hunne heimelijkste harmonij, en wist - of beter gevoelde - hoe de klanken door malkander dienen te loopen om oor en geest te verrassen en te verblijden; hij had beter dan iemand de geheimzinnige macht van het woord verstaan, dat niet alleen de gedachte afteekent, maar dat, nabootsend, de kleur, den geur, den smaak, de duizenderlei vormen van het afwezig voorwerp begoochelend in onze zintuigen wekken kan; zijne wondere kennis der taal, in al hare vroegere en huidige gedaanten, bood hem eenen overvloedigen schat van woorden en wendingen, en gaf hem alle gemak voor zijn tooverend klankenspel en zijne duwende stafrijmen; en dan, als de nood des dichtens hem praamde, dan stond het gepaste woord altijd gereed om het onstoffelijk oorbeeld te ontvangen en tot in zijne minste vezels uit te beelden.
Van gereed-gegoten versvormen - klink- of puntdichten, vierlingen, wat weet ik - wilde hij volstrekt niet. De versmaat wierd te samen met het beeld in zijnen geest geboren, en een weergalooze
rythmus, zoo ongelijk als het barnen der zee, maar even bekoorlijk in zijn rijzen en dalen, waaide er gestadig over.
En toch, hij moge ruischen met het riet of donderen met het onweder, zijne rijmreken zijn immer als gevleugelde geesten die, vlug en vrij, zonder slag noch stoot uit den mond wippen.
Zijne gedachte, zijn beeld, zijn gevoel, gansch zijne ziel zit in zijn woord gekneed en gebakken.
Zijne verzen staan, even als de zeisels van Hiawadha's droomland,
In zijne eerste gedichten, werkt die veerdigheid als van 's zelfs: hij zingt gelijk de vogel in het bosch. Getuigen daarvan Kerkhofblommen, Dichtoefeningen, XXXIII kleengedichtjes, Gedichten, gezangen en gebeden, Liederen, eerdichten et reliqua.
Over een vijftiental jaren ondernam hij de vertaling van Longfellow's Hiawadha.
De vertaler doet een gevaarlijk werk: hij dreigt het gewrocht van den schrijver te verminken, en op zijne eigene taal het merk van onbekwaamheid te stempelen. Hij heeft een dubbel schepperswerk te verrichten; hij moet de ziel van het oorspronkelijk stuk uit haar lichaam trekken, en ze ongekrenkt in een nieuw lichaam steken, dat even volmaakt als het eerste al hare gaven moet weerkaatsen.
Gezelle verstond hoe ernstig zijne taak was, Hij zoetvijlde, om zijn eigen woord te bezigen, iederen zin, ieder vers, iederen klank, en maakte van zijne vertaling een echt meesterwerk.
Deze poging had hem veel geleerd. Zijn hameren en vijlen op de taal, hadden deze nog dieper in zijnen geest doen dringen, en hadden hem meer en meer doen begrijpen wat al wonderen men met het woord vermag te doen.
Zijne latere werken: Tijdkrans, Rijmsnoer om en om het jaar, en menige andere gedichten in tijdschriften van Zuid en Noord verschenen, geven daar een duidelijk bewijs van. Men ziet hoe hij heeft gepijnd en gepoogd om vlekkeloos en prachtig zijne inbeelding en zijn gevoel te vertolken in buigzaam en toch standvast woord, zonder ooit nogtans door overdreven bezorgdheid het tintelend leven van zijn oorbeeld te krenken.
En nog klaagt hij:
Onmogelijk in een opstel deze beweringen te staven met voorbeelden, die de verstandige lezer ten andere in de werken van den Meester en in de volgende aanhalingen ten overvloede vinden zal.
Zeggen dat Gezelle van in zijn eerste pogingen altijd ten volle gelukt is, ware overdreven.
Nogtans zijn eerste stukske dat ooit door den druk verspreid wierd, de Mandelbeke, - hij was achttien jaar oud, toen hij het dichtte, d.i. in 1848 - wijkt reeds heel en gansch af van den trant der dichters uit dit tijdstip. Niettegenstaande den eentonigen sleep der verzen op zijn Pater Poirters en het
tusschensteken van wat lapwerk, zit er frischheid en veel zoetluidendheid in, en eene teedere uitdrukking van weemoed zonder gedwongen woord.
Dit werk is nog geen meesterstuk, ofschoon de kiem zijner dichterziel er reeds in te botten zit.
Zekere onervarenheid kan men nog in sommige andere zijner eerste pogingen waarnemen. Hij zoekt wel naar geene gemaaktheid; maar hij ondergaat nu en dan den invloed van vroegere lezingen, waarvan de naklanken uit zijn geheugen nog niet weggestorven zijn. In zijne eerste gelegenheidsdichten gebeurt het dat hij den schijn heeft naar zekere plechtigheid te streven; hij laat wel eens het echte woord uit liefde voor eene omschrijving, of stelt ons, zinnebeeldig, engelen of bloemen voor in een onduidelijk staan en handelen. Het gebeurt integendeel dat hij de keurigheid van den zinbouw over het hoofd ziet, als zijne taal maar den inwendigen zang zijner ziel volmaaktelijk wedergeeft. Maar in dit rondtasten naar eigen zien en zeggen, welk eene zoetheid en goedheid overal, en welk eene schilderkracht! Gansch zijn werk is er van doorweekt.
Hoort hoe hij reeds, in een dier eerste gedichten, de zee in breede trekken uitbeeldt:
Nu is zij rustig;
Maar zij heeft gewoed:
Hij kan reeds een afgetrokken beeld op zijn Vondels in éen vers vastrijven, alzoo
Ligt zijn dichtvermogen in den beginne nog vast, na kort geweld is het van alle kluisters los, en wiegelt het vrij in hooge en reine waarheid.
In de voorrede zijner Dichtoefeningen zegt hij reeds:
‘Betrouwe dat eenvoudigheid en gemak wel kunnen samenstaan met edele deftigheid, waar die vereischt wordt.
‘Oefeningen zijn het en pogingen, onvoldoende genoeg, 't is waar, maar toch goed van meeninge, om het aanschouwen van natuurlijke, zedelijke en christelijke schoonheid, dat uwe en mijne ziele vooren-zweeft, zoo getrouw als 't zijn kan, in onze tale en mondsprake, af te schetsen en te verbeelden.’
Alle vreemde dichtpatronen om de schepping op zijn heidensch te vergoden verwerpt hij:
Hij is dertig jaar zijnen tijd vooruit; en wanneer de kunstenaars schuchter van meer waarheid en min gemaaktheid in de dichtkunst begonnen spreken, dan had Gezelle de nieuwe richting reeds door onsterfelijke meesterwerken gehuldigd.
Het heiligdom waar Gezelle de schoonheid zoekt en geniet is de vrije natuur. Daar is hij thuis, daar hoort en ziet hij alles; en de schoonheid lacht hem toe uit ieder schepsel.
't Is schoon, ja! en iedereen heeft meermalen ontroerd die schoonheid genoten.
Doch wijs mij, zoo gij kunt, in bloem of blad, in geur of kleur, in storm of wind, wijs mij dit geheimzinnig iets waaruit de schoonheid u tegenloech; vang het op, en toover het mij weer, in gepaste woorden, zonder min zonder meer, zoodanig dat uw spreken mij genieten doet wat gij genieten mocht; dan zult gij dichter zijn.
Dat kon Gezelle: dat kon niemand zoo volmaakt en zoo eigen als hij. Hij doet de schepping voor u leven; gij ziet haar niet alleen, maar gij hoort, gij smaakt, gij tast haar; hare geuren doorwalmen u; zij leeft, zij overmachtigt uw gemoed, alsof stondet gij werkelijk te midden hare vervoerende heerlijkheid.
Hij groet het schrijverke dat, eenen nagelkop groot, zoo snel en zoo schichtig zijnen tooverdans doet op het water:
Niet min vroolijk huppelen de jonge meezen.
Later, veel later, heeft hij ze nog nagekeken: Hoe hun huppelen, tateren, wippen, nog blijder worden nagezeid; en dat met klanken zoo zoet en zoo zingend, dat men ze met den mond schaarsch beroeren durft, uit vreeze hunne bijna onstoffelijke vlug- en reinheid te schenden.
De lieve dierkes! Zoo liefgetal is de bie niet, want, zoo rap als zij gonst en vliegt, bijt zij den dichter toe:
Veel stiller zijt gij, wiegelende witte vlinder; de dichter weet het, en, met even stillen tragen tred, zal hij u naderen, en, lijze met u vezelend, zal hij uw dolen, uw rusten, het zwijgend open- en toegaan uwer vlerkskens natooveren.
Nog stiller, de sprakelooze visch.
Even sprakeloos, maar koud en doodsch als een spook, komt de rave in rijmreken zoo breed als hare breede vleugelslagen, zoo zwart van klank als hare vederen en hare ellende.
Hoe worden die zesvoetige verzen vlugger, nu dat zij de vlijtige zwaluw mogen nadoen:
Van zijne eerste dichterjaren zag hij geerne
Een dier koeien zal hij later wederzien: zie in welk een helder licht zij voor ons geteekend staat:
Hoort gij die andere?
Daar ziet hij, tijdens zijne eerste dichterjaren, de peerden in den blijden stoet:
Lief geschetst, maar hoe dieper afgewrocht roert mij het beeld van een dier edele dieren met al zijne spieren en pezen:
Hoe die twee andere lastig trekken, op gemeten pijnlijken stap!
Alles wat in de schepping leeft, ontwaart en schetst hij.
Den morgenstond ziet hij met bijbelschen geestdrift, in Aurora; - en dan terwijl
gaat hij naar de bloemekens en groet ze:
De bloemen bemint hij; hij noodt en praamt zoo dringend hunne trage botten ten bloeie, en doorbalsemt, op voorhand reeds, zijne verzen met hunne zoete geuren.
Hoe hij onze zinnen begoochelt, nu dat hij, met ons, de bloeiende glycine aanschouwt:
En als het zomert, hoe gloeiend en zappig lonken de roode keerzen! Hij plukt er eene handvol - een bonke - van, en houdt hun gloeiend rood voor onze oogen, laat het zoete zap op onze lippen droppelen:
Doch boven alle bloem en blad lieft hij de boomen, en het bosch!
Hoort hem treuren over de gevelde, vroeger tooverprachtige wilgen:
Al zoo stonden de boomen ook in den stroom van Hiawadha,
Jammer dat het najaar zoo spoedig hun leven dempt; maar toch blijven zij den dichter lief, en hij vangt zoo genoegelijk de laatste walmen op hunner stervende bladeren.
Lees nu heel stil, heel traag, eerbiedig: de dood is nabij.
Het is gedaan; priesterlijk zingt de dichter hunnen rouwzang:
Droevig rondom!
en de winden die, in lente en zomer,
ja, de wind, stormt nu door de naakte boomen:
Dien wintertijd bedicht hij met zijnen wind en regen, zijne bleeke zon, zijn smoor, zijn ijs; en niettemin, als een gevangene naar de vrije lucht zoo smacht hij naar het groeiende, bloeiende leven van den zomer:
Hij wil, hij roept den zomer, gelijk de Zieners Messias riepen en, van als de winter aanvangt, wenscht hij
Hij is als de gezalfde des Heeren die het heilig vuur mag nemen om zijne offers te zuiveren en op te dragen:
Hij grijpt de schoonheid uit de sterren,
hij grijpt ze uit den afgrond, uit de breede zee, die hij aanspreekt:
Hij grijpt ze overal, met al hare ware werkelijkheid, en verwarmt en verheft er ons hert mede.
Want hier dient het opgemerkt dat Gezelle's nabeelden, geen enkel nateekenen is van uiterlijke gedaanten, gaven en gebreken; hij is geen lichtbeelder. Zijne poëzij is niet enkel een straal die verlicht en soms kil huiveren doet gelijk de bliksem; niet een straal die de edele gevoelens van het hert verdroogt of verschroeit; maar een straal die het hert gloeien doet en stijgen naar de heldere hoogte van het edele en het goede.
Gezelle ziet de wereld zooals zij is. De redelooze schepselen komen en gaan en bestaan volgens de eeuwige wet hun voorgeschreven; zij zijn hunner gaven niet bewust, noch hebben zij het vermogen van hunne krachten misbruik te maken.
Zij bedrijven goed noch kwaad; zij doen bewusteloos wat hun Schepper wil: zij zijn goed, en gansch hun bestaan strekt ten goede.
Die schepselen ziet Gezelle met een scherp oog, doch vooraleer ze, zooals zij zijn, met meesterhand te teekenen, hij doopt ze in de zuiverste stralen van zijne liefde en van zijn geloof, en zij komen te voorschijn, handelend, alsof zate er gansch zijne ziel in, zoo lief, zoo welgezind, zoo goed!
Is hij daarom min waar - min realist - in zijne gedichten?
De droppel die, na het rijzen der zon, vol tintelende vonken glinstert, is wel die zelfde dauwdroppel, die in den duisteren voormorgen nog vaal en doodsch aan zijn blad te biggelen hing?
Gezelle's poëzij is dauw, maar de zon schingt erin.
De schepselen aldus gezien worden hem zoo duurbaar dat hij er mede spreekt, alsof waren zij zijne broeders.
Hij zal de groote zwarte vlieg, die op zijne ruiten trommelt, niet dooden, veeleer zal hij met haar spreken:
Gij weert uit uwen hof den distel die,
Gij hebt den distel nooit van nabij gezien: Gezelle zal hem u toonen:
Den mensch bemint hij ook; maar hij wil dat deze zijne vrijheid naar wet en waarheid schikke, zooniet hij laat hem de verantwoordelijkheid zijner daden; en waar hij hem zedelijk dwalen en vallen ziet, daar klaagt hij, en daar keurt hij af.
Hij vloekt den Godverrader. Wilde God niet, ja
Luimig maar misprijzend spreekt hij van de landsche meid die lichtzinnig in de stad is gaan dienen. Vier rijmreken, en zij is geschilderd met al de noodige tinten:
De verwijfde pronker is bij hem niet beter welkom:
Doch, hertkeerend, roept hij tot den dronkaard:
En tot den gemeenen slechterik, ‘het broodbeestig dier’:
Hij had een groot hert. Hij gevoelde met al de krachten waarmede eene ziel gevoelen kan: vreugde, droefheid, weemoed, verlangen, evenveel gedaanten zijner edele liefde voor alles wat roert en leeft, zijner liefde voor den Grooten Maker, vulden beurtelings de onpeilbare diepten van dit hert. En als de zee boordevol was, dan stroomde zij over in eenen vloed van meeslepend gevoel, ontembaar. Als de vloed komt:
Zijn zwellend en vloeiend gevoel gelijkt de wateren niet die de liefhebber, in den lusthof, tusschen goedverzinde dijken, langs welbedachte wegen wentelen laat; zijn gevoel is een vloed, die, al op eens, door zijne oevers breekt, langs duizenden wegen brobbelt, bruischt en speerst, zonder bed noch dijk.
Bijzonderlijk in zijne eerste dichtwerken, kan men deze toomelooze vaart gadeslaan. Het tinte-
lend bloed van den jongeling doet immers onstuimiger het hert kloppen, en dwingt de ziel heviger om, met woord en zang, hare liefde en haren haat te uiten.
In de laatste werken van Gezelle, is dezes dichterziel meer een statige stroom geworden, die minder kookt en tuimelt, maar die op zijnen diepen en breeden schoot, met onweerstaanbare macht, schip en man naar de groote zee voert.
Zijn woord is kalmer, doch men voelt dat het rijst uit diepe gronden, en vaart naar verre stranden.
Hoe blijde is hij, wanneer hij zijn hert eens lossen mag!
Als de smert hem overvalt, dan welt zijn lied uit heimelijke edele diepten op, en vloeit traag en pijnlijk als de zucht van den lijder:
Maar hoe machtig overweldigt hem somwijlen de vreugde;
Het minste schepsel wekt zijne liefde, die ware liefde die het beminde wezen nabij komt, eraan gelijk wil zijn. Van daar die kinderlijke eenvoudigheid waarmede hij gansch zijn hert uitboezemt, bij het minste bloemeke uit het veld:
Wat zal hij aan dit eenvoudig kruideke zeggen? Gezelle's reine geest ziet den Schepper dóor al de schepselen:
Bloem met het bloemeke en kind met het lieve kind, zoo wordt hij man met den man; en als hij de onpeilbare gronden van het uitspansel aanschouwt, dan slaat zijn dichtergeest de breede vleugelen open en vaart de duizelige hemelen in:
God staat voor hem; en aan den Oneindige meet hij zijne nietigheid. Hij zinkt, verzinkt van schaamte en krankheid, en lost tot Jezus den snijdensten noodkreet, die eene menschenziel ontspringen kan:
Het rusteloos verlangen der ziel naar eeuwigheid en zaligheid maakt den mensch onbezadigd; doet hem dikwijls rondtasten naar ingebeeld genot, naar ontoegankelijke vreugde; doet hem treuren en droomen.
Gezelle ook droomt bij 't ruischen van het ranke riet; zijne ziel klaagt hare smerten aan den Engel met den beltrommel; zijn kindeke van de dood peilt droomend de zwijgende onmeetbaarheid, en
Maar hoe verschilt Gezelle van de dichters die wegvaren, op zoek naar eene zon van vrede en vreugde, en halfweg blijven hangen in ondoordringbare dampen. Hij ook zweeft wel eens in het ruim der phantazij; maar gelijk de duive die, opgelaten in het vreemde, na eenige zoekende vleugelslagen, pijlrecht tot haar eigen oord terugvliegt, zoo boort Gezelle door de nevels, en komt immer te recht bij den eenen waren God van zijn ootmoedig en vast geloove.
Dan droomt hij niet meer, dan jubelt hij te midden de grievendste droefheid.
Zijn geliefde leerling wordt uit de kerk naar het graf gedragen. 't Is een droevig oogenblik. En toch:
Hoe troostelijk de stemme te hooren onzer eerbiedweerdige Moeder, die heur kind den laatsten zegen geeft. Hoe troostelijk als de orgelklanken deunen, de klokken tribbelen, de wind in de vane slaat, het lijk ommekeert, omhooge
rijst en voortgaat onder 't luidruchtige vaarwel der H. Kerke, dat gelijkt aan het reisteeken van eenen triomftocht!
In Paradisum! De herten beven in de boezems, de wangen slaan bleek en krimpen weg, tranen verduisteren 't gezichte, de kniên wankelen onder den last des lichaams. In Paradisum! Men weent, men weet niet waarover noch waarvan; men weent, men is blijde, men is getroost, men is trotsch van te weenen; men spreekt noch men hoort geen spreken meer, men peist noch men weet wat er ommegaat, 't lichaam siddert in de stemme des orgels, en de ziele vloeit weg ten hemelwaard, in de stemme van dat wonderbare in Paradisum!
De Dichter zoekt altijd zijnen uitweg hemelwaarts. Hij meent ‘dat bidden en dichten, na den rechten eesch, al dikwijls door malkander loopt’(1), en hij zingt:
Als een gekooide vogel wil hij hooger op:
Doch de tijd der werkelijke hemelvlucht is niet nabij nog; hij deelt nog enkel het lijden en de hoop der Kerk, waarvan hij Priester is.
Welk een lied om de verrijzenis Onzes Heeren te begroeten!
Pas twee dagen geleden huiverde hij, bij het hooren van den houten ratel, op goeden vrijdag:
Aan ieder schepsel vraagt hij den weg naar God, en ieder schepsel weet op zijne vraag duidelijk te antwoorden.
Geen wonder dat zulke kunst veredelt en vervoert; bij het hooren zijner zangen
Zoo waar is dit dat Pol. Demont, dien men van geene dweperij zal beschuldigen, bekent dat Gezelle's poezij heel gesteld is ‘om onze ziel te laten wegdrijven heel hoog boven de ruwe stof, op de vleugelen van... iets, dat wel geen geloof, maar toch weinig minder dan religieuze begeestering kan genoemd worden’(1).
Dit gedurig vertoeven bij de ongevlekte Schoonheid heeft een wonder uitwerksel op zjjn eigen gemoed. Met kinderlijke ootmoedigheid ziet hij zijne krankheden, en hij zucht zoo pijnlijk:
en dan zingt hij eenen zang, opgevangen, zou men meenen, van de lippen der zoetste mystieken uit de middeleeuwen.