In een zoo genoemd Evangelie der Kindsheid van Jesus, een werk, dat overigens, als geschiedenis, zonder weerde is, wordt verhaald dat het Goddelijk Kind, spelend met andere kinderen van zijne jaren, gelijk zij, vogelkens maakte van leem en van aarde. Ja maar, Jesus blaasde op de vogelkens, die hij gemaakt had, en zij zongen en zij floten. Zoo doen de groote dichters. Zij nemen eene stof, die van elkeen gekend is, maar zij blazen er hunne ziel en hun machtig vernuft in; en hun werk is levend; het vliegt de toekomst tegen, en, na eeuwen en eeuwen, zingt en klinkt of dondert het nog in de ooren van 't altijd luisterende en verrukte nageslacht.
Zoo heeft Dante gedaan.
In de taal, die, te zijnen tijde, in zijne streek, gesproken werd, heeft hij het verhaal gedicht van eene reis door de Hel, het Vagevuur en den Hemel, gelijk het, vóór hem, menig andere gedaan had.
Maar op dat verhaal heeft hij zijnen stempel gedrukt: het draagt het merkteeken van zijne reusachtige geleerdheid in alle vakken, van zijne diepgrondige wijsheid, van zijn helder doordringend verstand, van zijne ziel, in een woord, met hare
wondere begaafdheden, hare gevoelens, hare driften, hare gramschap en hare tranen bij 't aanschouwen van de menschelijke boosheid en ellende, hare liefdezangen, hare zegevierende verrukkingen bij 't aanschouwen van Gods volmaaktheid en van de zegepraal der waarheid. En 't is van dat werk, dat men mij verzocht heeft u eenige woorden te spreken. De leden van ‘Tijd en Vlijt’ worden hertelijk bedankt om hunne vriendelijke uitnoodiging, die ik als eene eere aanzie.
Maar honores sunt onera. En hier begint de last, niet omdat er geen stof genoeg, maar omdat er te veel is. Het werk bestaat uit honderd zangen, meer dan veertienduizend verzen.
De Hel wordt gemeenlijk aanzien als het merk-weerdigste en volmaakste deel; en velen zijn nog van gedacht dat het Vagevuur, en voornamelijk de Hemel, het lezen niet weerd zijn, of toch zoo moeielijk om verstaan, dat gewone lieden er weinig of niets kunnen uit leeren.
Het is waar dat er in de Hel veel beschrijvingen geheel treffend zijn, en geschikt om de aandacht op te wekken van de grofste geesten zelve.
Doch ik vrees niet te zeggen, dat er in de andere deelen meer oprecht dichterlijke schoonheid te vinden is dan in de Hel. Uit de lezing van de Hel alleen zou men een geheel onvolmaakt, ja, een valsch gedacht mêedragen van den dichter; men zou maar éene zijde van zijn vernuft kennen.
De dichter zou ons voorkomen als een reus, maar als een reus, die, gelijk vele reuzen, mismaakt is en afstootelijk, met eene machtige inbeelding begaafd, en bezield met gevoelens van schrikkelijke gramschap, spottende verachting, zonder medelijden, zonder teederheid, zonder vatbaarheid voor 't gene in Gods schepping schoon en liefelijk en beminnelijk is, voor 't gene in 't menschelijk leven groot en verheven mag genoemd worden, voor die lachry-
mae rerum, die het hert ontroeren, voor dat liefdelachen van 't Heelal, riso del Universo, dat gansch zijnen Hemel doorstraalt.
Men ziet, wel is waar, reeds in de Hel, dat Dante aan die gevoelens niet vreemd is; maar als men het Vagevuur en den Hemel niet gelezen heeft, zou men kunnen gelooven dat hij er maar de kiem van had, die onvolgroeid gebleven was, bijna vergaan onder 't overmatig groeien van de andere gevoelens, of verkankerd door de bittere lotgevallen van den dichter.
Hoegenaamd niet, Mijne Heeren.
Om dat te doen zien, zal ik eenige regels uit het Vagevuur lezen.
Dante wil in zijne Commedia toonen hoe de mensch van het kwaad der zonde verlost wordt door het overwegen van hare onredelijkheid en van hare gevolgen, hoe hij, verlost van alle kwade genegenheid en neiging, tot de hoogste volmaaktheid kan klimmen, die bestaat in de kennis van God en de overeenstemming met den Wil van God,
‘Die de zon beweegt en de andere sterren.’
't Is het laatste vers van den laatsten zang.
Ik weet dat andere schrijvers het doel van Dante anders opvatten. Maar ik mag daarbij niet langer vertoeven. Wat er ook van wezen moge, in het Vagevuur toont Dante voorzeker hoe de mensch van zijne kwade genegenheden gezuiverd wordt; en hij toont ons dat namelijk klaar en duidelijk in de zangen, waar hij beschrijft hoe de hoofdzonden uitgeboet worden.
Als Lucifer tegen God opgestaan was, werd hij uit den Hemel geworpen, zoo ver van den Hemel als het zijn kan, 't is te zeggen, volgens de sterrekunde van dien tijd, tot in 't middelpunt van de aarde, dat ook het middelpunt is van 't Heelal. Daar zit hij vastgevrozen in het ijs, met zijn hoofd in 't eene halfrond en met zijne beenen in 't andere.
Hij slaat onophoudelijk met zijne zes vleugelen; maar al zijn hoogmoedig en wanhopig streven brengt niets anders voort dan een kouden wind, zoodanig dat de hellepoel in den grond ervan vervrozen ligt. De hellepoel is opgevuld met de tranen, die gedurig van de aarde gedropen komen, sedert dat de menschen in zonde leven.
Virgilius en Dante zijn, langs eene spleet tusschen 't ijs en 't lijf van Lucifer van 't eene halfrond in 't andere gekropen, door 't middelpunt van de aarde, en reizen van daar naar de oppervlakte.
De overkant van de aarde is gansch overdekt met water, uitgenomen een eiland, waarop de berg staat van 't Vagevuur, en boven op den berg, het Aardsch Paradijs. 't Is op dat eiland dat Virgilius en Dante toekomen. - Vagevuur, I. -(1)
Daar ontmoeten zij de schim van Cato, die om eene reden, hier te lang om uit te leggen, de wacht houdt, en die aan Dante en Virgilius eenige vermaningen geeft en inlichtingen.
Om de stof nader te beperken en te bepalen, zal ik bijzonder eenige stukken voorlezen, die toonen hoe Dante in de hooge kringen woonde van het kunstenleven, hoe hij gevoelig was aan al wat het merkteeken draagt van het ware kunstvernuft. Zijn gids door de Hel en 't Vagevuur is Virgilius, dien hij als den grootsten dichter aanzag, na Homeros, en wiens werken hij zoo dikwijls gelezen had. En in zijne reis door 't Vagevuur, vindt hij zoovele kunstenaars, dat wij waarlijk in hun gezelschap door geheel het lied hem kunnen volgen.
De eerste, dien wij ontmoeten, is de vriend van Dante, de ‘zoetgevooisde zanger’ Casella. Maar laat Dante dat zelf verhalen: - Vagevuur II -
In den Vierden Zang, vindt Dante den luien Belacqua gezeten, die een meester was in 't luiten en harpen verveerdigen, waarvan hij den kop en den hals met kunstig snijwerk versierde. Hij heeft zijne boetveerdigheid uitgesteld, en zit hier geduldig en grootmoedig te wachten. Virgilius was bezig met Dante aan te wakkeren snel vooruit te trekken: ‘Gij zult later’, sprak hij, ‘de rust genieten, na den arbeid.’
En zie, zij vernemen eene stem, die zegt:
In den Zesden Zang zijn wij getuigen eener zielroerende ontmoeting van Virgilius en Sordello, den Provençaalschen dichter; en te dier gelegenheid hooren wij een der merkweerdigste stukken van het Vagevuur: Dante uit er de bitterste klachten over de oneenigheden, die heerschten in Italia en over de oorzaak ervan, die hij toeschrijft aan den Strijd der Pausen tegen de Duitsche Keizers.
Dante had volmaaktelijk de verhevene schoonheid gevat van de kerkelijke gebeden en plechtigheden. In den Hemel en in 't Vagevuur, spreekt hij er daaromtrent in al de zangen van. Ik kan niet alles aanhalen; maar ik moet toch eenige verzen lezen uit den Achtsten Zang, waar hij den avond beschrijft en 't avondgebed van de zielen, die, om zoo te zeggen, aan de deur van 't Vagevuur staan.
Verder zien wij het serpent aankomen en verdreven worden.
P.B. Haghebaert.
Predikheer.