Dietsche Warande en Belfort. Jaargang 1


auteur: [tijdschrift] Dietsche Warande en Belfort


bron: Dietsche Warande en Belfort. Jaargang 1. A. Siffer/H. Coebergh, Gent/Haarlem 1900


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 553]

Het goddelijk spel van Dante Alighieri(1).

In den eersten omgang, waar de hooveerdigheid uitgeboet en gezuiverd wordt, doet Dante ons kennis maken met de kunst der schilders, beeldhouwers en dichters. (Vagevuur, X).

7Wij klommen op, door eene rotsspleet, die gedurig uit en in liep, even als een water dat al krinkelend henen vaart.
10‘Hier is een weinig kunst van doen,’ begon mijn meester, ‘om nu hier nu daar den rand te volgen, die gedurig draait.’7-10
13Om die reden gingen wij zoo traagzaam dat de boog der maan alreeds haar bed bereikt had, om te slapen,13
16Eer wij uit die naaldoog waren. Maar als wij vrij en in het open kwamen, boven, waar de rots een' zijweg laat,16
19Ik, vermoeid, en beiden in de onzekerheid alwaar de weg gelegen was, wij bleven staan op eene vlakte, die meer eenzaam was dan wegen door de wildernis.19
[p. 554]
22Van den boord, alwaar zij aan de ruimte paalt, tot aan den voet der hooge rots, die oprijst, zou men driemaal 't lichaam meten van een' mensch.22
25En zoo ver als mijn gezicht de vleugelen kon reppen, aan de linkerzijde zoo als aan de rechterzijde, scheen die omgang even wijd.25
28Daarboven hadden wij nog geenen stap verzet, toen ik bemerkte dat de rotswand, waar 't onmogelijk is te klimmen,28
31Van wit marmer was, en met gesneden beelden overal alzoo versierd dat Polykleet, ja de nature zelve er voor beschaamd zou staan.31
34De engel, die naar de aarde kwam, met het verbond van vrede, dat zoovele jaren wierd met tranen afgesmeekt, en dat den Hemel van het oud verbod ontsloeg,34
37Verscheen vóór ons er zoo waarachtig uitgesneden, zoo zoetaardig van gelaat, dat hij geen zwijgend beeld meer scheen.
40Men had gezworen dat hij ‘Ave’ sprak; want deze stond er ook in beeld gesneden, die den sleutel draaide om de hoogste liefde te openen.40
[p. 555]
43En in hare houding las men 't woord: Ecce Ancilla Dei, zoo duidelijk uitgedrukt, als ooit een zegel wierd in 't was geprent.
46‘Gij moet niet blijven staan bij eene plaats alleen,’ zoo zei mijn lieve meester, die mij aan de zijde had, waar het hert ligt van de menschen.46
49Ik wendde mijn gezicht wat verder op, en zag daar, volgend op Maria, langs den kant, waar mijn geleider stond,
52Eene andere geschiedenis gesneden in de rots; ik trok Virgilius voorbij, en nader tot het beeld, om 't beter voor mijne oogen te doen komen.52
55Daar waren, in denzelfden marmersteen gekapt, de wagen en de koeien, die de godgewijde Kas voorttrokken, welke leert hoe men moet vreezen ambten te bedienen, als men er niet toe geroepen is.55
58Voorop verscheen het volk, verdeeld in zeven koren, waarom twee van mijne zinnen twistten: ‘Neen,’ zei de eene; de ander: ‘'t Doet, zij zingen.’58
61Zoo waren ook bij 't rooken van den wierook, dat er op verbeeld stond, mijn gezicht en reuk in twist om ‘Ja’ en ‘Neen.’
64Vóór 't gewijde vat ging dansend, opgetogen, de ootmoedige harpezanger, die, in dat geval, en min en meer dan koning scheen.64
[p. 556]
67Recht er over, aan het venster van een groot paleis, zag men Michol uitzien, als eene vrouw vol spijt en vol verachting.67
70Ik verzette mijne voeten van de plaats, waar 'k stond, om nog eene andere geschiedenis van bij te zien, die achter Michol op 't wit marmer blonk.
73Daar stond de hooge roem beschreven van den Roomschen Vorst, wiens groote deugd den Paus Gregorius aangezet heeft tot zijn groote zegepraal;73
76Ik wil spreken van Trajaan, den Keizer: zie eene arme weduw aan den teugel van zijn peerd; ze is gansch in droefheid en in tranen afgebeeld.
79Rond hem staat het al op één gedrongen van de ruiters; en de gouden adelaren vliegen er waarachtig boven in den wind.
82Het arme vrouwke scheen, te midden van dien stoet te spreken; ‘Wreek mij, Heer, de dood van mijnen zoon; want zij doorboort mij 't hert.’82
85Hij scheen daarop te zeggen: ‘Wacht nu dat ik wederkeere;’ en zij daarop, als iemand, dien het lijden haastig maakt: ‘Mijn heer,’
88‘Indien gij niet meer wederkeert?’ En hij: ‘Die komt in mijne plaats, die zal u recht doen.’ En zij: ‘Wat baat u 't goed dat anderen doen, indien gij uwen plicht verzuimt?’88
[p. 557]
91En hij: ‘Schep moed; ik wil nog mijnen plicht volbrengen, eer 'k vertrek. Het recht vereischt het, en het medelijden dwingt mij.’91
94Hij, die nooit iets nieuws zag, bracht dat zichtbaar spreken voort, dat nieuw voor ons was, aangezien 't op aarde niet te vinden is.94
97Terwijl ik mij verlustigde in 't aanschouwen van die beelden zulker groote ootmoedigheid, die men zoo geerne aanziet, om reden reeds van hunnen Maker,97
100Sprak mijn meester: ‘Zie daar henen - maar zij maken trage schreden - komen lieden, die ons de hooge trappen zullen wijzen.’
103Mijn gezicht, gedurig wakker om wat nieuws te zien, waarnaar het zoo verlangt, was spoedig naar die schaar gewend.103
106Ik wil niet, lezer, dat gij van uw goed besluit afziet, als gij verneemt hoe God de schuld wil doen betalen.106
109Aanzie den aard van 't lijden niet, maar denk aan 't gene er op zal volgen; denk dat het, ten hoogste, maar tot aan het groot gerecht zal duren.109
112‘Mijn meester,’ zoo begon ik, ‘'t gene ik zie naar ons toekomen, schijnen mij geen menschen, maar ik weet niet wat; mij dunkt dat ik al wakend droom.’
115‘De zware last van hunne kwelling duwt die zoo geweldig naar den grond, dat zelfs mijne oogen er eerst over twistten,’ sprak mijn meester.
118‘Maar zie er scherp naartoe; gij zult wel onderscheiden wie daar komt, geladen met die steenen; gij kunt reeds bemerken hoe ze eronder buigen.’118
[p. 558]
121O trotsche christenen, arme en zwakke schepselen, die ziek aan de oogen van den geest, betrouwen in verkeerde schreden stelt!
124Weet gij niet dat wij hier rupsen zijn, geschikt om hemelvlinders te geworden, die naar 't recht opvliegen onbeschermd?124
127Hoe durft gij uwen geest alzoo verheffen? Gij gelijkt het kerfdier, dat nog onvolmaakt is, en den worm, die nog onvolwassen is.
130Gelijk men somtijds aan de draagbalk, die een' zolder of een dak steunt, ziet een beeld, met zijne knieën gezeten tegen zijne borst,
133Welk beeld, door eenen ijdelen schijn, waarachtig medelijden wekt bij dezen die 't aanschouwen, zoo schenen mij de schimmen hier gesteld, als ik van nader die kon onderscheiden.133
136Zij schenen min of meer gebogen, volgens dat zij min of meer op hunnen rug te dragen hadden; maar zelfs deze, die het meest geduld toonde in 't gelaat,
139Scheen weenend uit te roepen: ‘Ik en kan niet meer!’

Dan hooren Dante en Virgilius de zondaars, die hunne hooveerdigheid uitboeten, hun gebed zeggen: O onze Vader, enz. Ik zou geern genoeg dit gebed voorlezen en uitleggen, maar de tijd is te kort. Ik wil er u nochtans de laatste vraag van laten hoo ren (Vagevuur, XI).

[p. 559]
13‘Geef ons heden 't dagelijksch manna, zonder 't welke men, in deze ruwe wildernis, terugkeert, als men meest geweld doet om vooruit te gaan.’13
16‘En, gelijk wij allen 't kwaad vergeven, dat wij moesten lijden, schenk ons ook bermhertig de vergiffenis, en zie niet in wat wij verdienen.’
19‘Stel onze deugd, die zoo gemakkelijk bezwijkt, niet bloot aan onzen ouden vijand, maar verlos ons van dengene, die haar zoo geweldig aanvalt.’19
22‘Deze laatste bede doen wij, Lieve Heer, niet voor ons zelven, daar wij 't niet meer noodig hebben, maar voor dezen, die ons achterna gebleven zijn.’22
25Zoo voor hen en ons de goede reis afsmeekend, gingen al die schimmen, onder hunnen last, die als de last is, die men soms in droom moet dragen.
28Zij gingen, al verschilliglijk gekwollen, over van vermoeidheid, rond, langs de eerste kroonlijst, hunne zielen zuiverend van de duisternis der wereld.
31Indien er daar voor ons gedurig wordt gesmeekt, wat kunnen hier voor hen niet doen en spreken, dezen die den goeden wortel hebben om te willen?31
34Wij moeten hen toch helpen hunne vlekken wasschen, die zij van onze aarde mededroegen, dat zij, licht en zuiver, tot de sterrekringen kunnen stijgen.

Daar ontmoeten zij nog verscheidene schimmen, onder andere die van den schilder Oderisi.

73Ik hield, al luisterend, mijn aangezicht gebogen naar den grond; en een van hen - 't was deze niet die eerst gesproken had - verwrong zijn' leden onder het gewicht, dat hem belemmerde.
[p. 560]
76Hij aanzag mij en herkende en noemde mij, zijne oogen met de grootste moeite op mij gericht, die gansch gebogen nevens hem vooruitging.76
79‘O!’ zoo zei ik, ‘zijt gij Oderisi niet, de roem van Gubbio, de roem der kunst, die te Parijs enlumineeren heet?’79
82‘Broeder,’ sprak hij mij, ‘de bladen, die de Boloneser Franco schildert, lachen liefelijker; al de roem is nu voor hem, de mijne is klein.’82
85‘Ik zou voorwaar, terwijl ik leefde, niet zoo hoffelijk geweest zijn, daar mijn hert te veel de uitmuntendheid betrachtte.’85
88‘Voor zulke hooveerdigheid betaalt men hier de boet; en 'k ware zelfs niet hier, had ik, terwijl ik zonde kon bedrijven, mij tot God niet toegewend.’88
91‘O ijdele roem van 't menschelijk vermogen, hoe kort blijft 't groen op uwe kruin toch duren, als geene onbeschaafde tijden volgen!’91
94‘Cimabuë meende meester boven meester in de schilderkunst te zijn, en nu is 't Giotto, die den naam heeft, en den roem verduistert van den anderen.’94
97‘Zoo heeft de eene Wijdo reeds den anderen den
[p. 561]
roem der taal ontnomen; en misschien is iemand reeds geboren, die den eenen en den anderen uit het nest zal jagen.’97
100‘De roem en roep der wereld is toch maar een wind, die nu alhier en dan aldaar komt, en van naam verandert, als hij van gewest verandert.’
103‘Indien uw vleesch maar afgescheiden wierd van u, in uwen ouden dag, zou, binnen duizend jaar, uw roem wel grooter zijn dan zoo gij waart gestorven, als gij pa en ma nog placht te zeggen?’103
106‘En die duizend jaren zijn, bij de eeuwigheid, zoo lang niet als een oogwenk, bij het ombewegen van den hemel, die het traagst vooruitgaat.’106
109‘Van dengene, die voor mij zoo langzaam zijnen weg vervolgt, was Toskanen eertijds vol, en nu is 't al dat men zijn' naam hoort fluisteren te Senen,’
112‘Waar hij heerschte, toen de Florentijnsche woede wierd verdelgd, die toen zoo trotsch was, als zij laf is nu.’112
115‘Uw roem is kleur van gras, die komt en weggaat, en ontkleurd wordt door dezelfde zon, die haar deed frisch uit de aarde spruiten.’115
XII, 1Te zamen, zoo als ossen onder 't juk gaan, ging ik met die zwaar beladene ziel, zoo lang mijn lieve meester het mij toeliet.1
4Maar wanneer hij zei: ‘Verlaat hem, en trek voort; want hier moet elk, zoo veel hij kan, met zeil en roeien, 't vaartuig voorwaarts drijven,’
7Dan rechtte ik mij weêr op, gelijk een mensch moet zijn die gaat, al bleven mijn' gedachten nederig en treurig.
[p. 562]
10Ik had mij reeds op weg gesteld, en willig volgde ik 't schreden van mijn' meester; en wij toonden beiden reeds hoe licht wij waren,
13Toen hij zeide: ‘Sla uwe oogen naar den grond; het zal u goed doen en den weg verlichten, na te zien waarop gij uwe voeten zet.’
16Gelijk men soms op de aardsche graven, tot gedachtenis der dooden, afgebeeld ziet wat zij in het leven waren,16
19't Gene menigmaal doet tranen storten onder het geprikkel van 't geheugen, dat maar de edele herten raakt,
22Zoo zag ik daar, met kunst, maar beter uitgewrocht, ook beelden op den ganschen bodem van de kroonlijst uitgekapt.
25Ik zag, langs de eene zijde, 't schepsel, edel boven al wat wierd geschapen, als den bliksem uit den hemel nederschieten.25
28Ik zag, langs de andere zijde, Briareüs, door des Hemels pijl getroffen, zwaar en koud en dood op de aarde liggen.28
31'k Zag Thymbreüs, ik zag Mars en Pallas, nog gewapend, rond hun' vader, de verscheurde leden van het reuzenras aanschouwen.31
34Ik zag Nemrod, aan den voet van 't groot gebouw, nog gansch verbijsterd naar het volk zien, dat met hem in Sennaär hooveerdig was.34
37O Niobee, met welke treurige oogen, zag ik langs mijn pad u afgebeeld staan, tusschen uwe tweemaal zeven doode kinderen!37
[p. 563]
40O Saül, hoe scheent gij op uw eigen zweerd doorboord, en dood op Gelboë, waar later nooit meer dauw of regen mochten vallen!40
43O dwaze Arachnee, 'k zag u half in spin veranderd, treurig op de draden van 't geweefsel, dat gij tot uw ongeluk begonnen hadt!43
46O Roboam, gij schijnt daar op uw beeld niet dreigend meer; maar vol van schrik, gij vlucht op uwen wagen, eer u iemand achtervolgt!46
49Het hard plaveisel toonde ons nog hoe Alkmeone duur aan zijne moeder het noodlottig lijfversiersel deed bekoopen.49
52Het toonde ons hoe de zonen van Sennacherib op hunnen vader vielen in den tempel, en hoe zij hem vermoord daar lieten liggen.52
55Het toonde ons nog den val van Cyrus, en den wreeden moord op hem bedreven door Tamiris, die hem zei: ‘Gij hebt naar bloed gedorst, ik vul u op met bloed.’55
58Het toonde hoe de Assyriers verbijsterd vluchtten, nadat Holofernes dood was; en het toonde de overblijfsels van de slachting.58
[p. 564]
61Ik zag Troje in asschen en in puinen; o Ilion, hoe klein en hoe verachtelijk toonde u 't beeld, dat daar te zien was!61
64Welk een meester van 't penseel en van den beitel was hij toch, die lijn en schaduw maalde in zoo volmaakte maat, dat er de fijnste geesten zouden op verbaasd staan!
67De dooden schenen dood, die leefden waarlijk levend. Dezen die de zaken zagen, konnen die niet beter zien dan ik die zag verbeeld, zoo lang ik nêergebogen ging.
70Weest nu hooveerdig! Op, met de oogen in de lucht, o kinderen van Eva! Slaat uwe oogen naar den grond niet, waar gij uwe slechte wegen zoudt aanzien.70
73Wij waren verder rond den berg gekomen, en de zon had meer van haren weg gedaan dan het mijn geest, met andere zaken bezig, had bemerkt,
76Toen mijn meester, die gedurig met aandachtigheid vooruittrok, mij begon te spreken: ‘Hef uw hoofd op; 't is geen tijd meer nog zoo nêergebogen voort te gaan.’
79‘Ziedaar een engel, die tewege is naar ons toe te komen; zie hoe reeds de zesde dienstmaagd van den dag terugkeert van haar werk.’79
82‘Dat uwe houding en gelaat den eerbied toonen, die aan hem behaagt, zoo dat het hem believe ons op den weg te stellen: denk dat deze dag nooit meer zal wederdagen.’
85Aan zijn vermanen alle tijdverlies te mijden was ik zoo gewoon, dat zijne woorden diensaangaande niet meer konnen duister schijnen.
88Het schoone schepsel kwam naar ons, in 't wit gekleed, en pinkend van gelaat, gelijk een morgenster die rijst.
91Het deed zijne armen open, spreidde zijne vleugels
[p. 565]
uit, en: ‘Komt,’ zei het; ‘de trappen zijn hier bij; men klimt voortaan gemakkelijk naar boven.’91
94Op dat verzoeken komen er geheel weinig. O menschelijk geslacht, geschapen om naar boven op te vliegen, waarom slaat een kleine wind u naar den grond?
97Hij leidde ons waar de rotssteen uitgekapt was, en daar waaide hij met de vleugels langs mijn voorhoofd, en beloofde mij dan goede reis.97
100Om rechts te stijgen op den heuvel, waar de kerk gebouwd is, die de Welbestuurde, boven Rubaconte, overheerscht,100
103Wordt de stoute steilte van den klim gebroken door de trappen, die men er gemaakt heeft in den tijd, toen boek en maat nog veilig waren;103
106Zoo is de weg, die tamelijk recht van de andere kroonlijst daalt, hier ook verzacht; maar aan de beide kanten naakt men dicht de rots.106
109Terwijl wij derwaarts onze stappen richtten, hoorden wij: ‘Beati pauperes spiritu,’ in zoo zoete tonen dat het geene woorden kunnen zeggen.109
[p. 566]
112O wat verschil toch tusschen deze en de helsche wegen! 't Is hier bij gezang, en daar beneden bij verwoede klachten, dat men binnen treedt..

Ik heb u gezegd, Mijnheeren, dat men Dante kwalijk kent, als men maar de Hel alleen gelezen heeft. Ik durf meer zeggen: de kennis van het Vagevuur en den Hemel doet beter de Hel verstaan en de schoonheid vatten en gevoelen van de meest bewonderde stukken. Waarom is, bijvoorbeeld, het vermaard verhaal van Ugolino zoo verheven schoon? Waarom is het zelfs, volgens Ghoete, die nochtans Dante niet beminde, het hoogste, dat de menschelijke kunst en het menschelijk vernuft bereiken kunnen? 't Is voornamelijk omdat de dichter een vaderhert had en een vaderhert moest toonen, dat te strijden had tegen het schrikkelijkste, dat een vaderhert kan aanvallen. (Hel, XXXII).

124Wij hadden dien reeds eenen tijd verlaten, toen ik in eene groef er twee zag, zoo gelegen dat het een hoofd als de kap was van het ander.124
127En gelijk men brood eet als men honger heeft, zoo zette deze, die al boven lag, de tanden in den anderen, op de plaats waar de hersens aan den nek verbonden zijn.127
130Zoo beet Tydeüs eens uit wraak in Menalippus' slapen, zoo als deze knaagde aan 't hoofd der schim, waarop hij lag.130
[p. 567]
133‘O gij, die zulk onmenschelijk teeken toont van gramschap tegen deze, dien gij aan 't verslinden zijt, zeg mij waarom,’ sprak ik; ‘en 'k zal van mijnen kant,’
136‘Zoo gij met reden klaagt van hem - vernemend wie gij lieden zijt, en welke zijne zonde was, - het boven op de wereld u vergelden,’
139‘Komt de tong, waarmede ik spreek, niet op te drogen.’
XXXIII, 1De zondaar hief zijn' mond op van de gruwelijke spijs, en vaagde hem af aan 't haar van 't hoofd, dat hij al achter had geschonden.
4Dan begon hij: ‘Gij begeert dat ik nu de hopelooze smert vernieuwe, die mijn hert toesnoert, alleen bij 't overdenken, eer ik er van spreke.’4
7‘Maar kunnen mijne woorden zaad zijn, dat, als vrucht zal schande opbrengen voor den valschaard, waar 'k aan knaag, gij zult tezelfdertijd mij spreken zien en weenen.’7
10‘'k Weet niet wie gij zijt, noch hoe gij hier beneden kwaamt; toch schijnt gij mij oprecht, als ik u spreken hoor, een Florentijner.’
13‘Gij moet weten dat ik Ugolino was, de graaf, en deze was Roggier, de bisschop: 'k zal nu zeggen hoe ik hem zulk een gebuur geworden ben.’13
16‘Dat ik door zijne booze listen, mij op hem betrouwend, wierd gevangen, en daarna ter dood gebracht, moet ik niet zeegen.’16
[p. 568]
19‘Maar hetgene gij niet kunt vernomen hebben, welke wreede dood ik stierf, dat zult gij hooren; en gij zult begrijpen of hij mij beleedigd heeft.’19
22‘Eene kleine venster in de kooi, die, wegens mij, nog Hongertoren heet, en waar nog anderen moeten opgesloten worden,’
25‘Had mij door haar nauwe spleet, reeds meer dan eene maan getoond, toen ik den kwaden droom deed, die den sluier van de toekomst voor mij openscheurde.’25
28‘'t Scheen mij dat ik deze hier zag, als heer en meester, die den wolf joeg en de wolvenjongen, langs den berg, die Lucca duikt voor de Pisaners.’28
31‘Hij had Wallandi en Sismondi en Lanfranchi aan het hoofd, voorop gesteld, met honden, mager, rap en grimmig.’31
34‘De vader en de zonen schenen mij, na korten tijd, gansch môegevlucht; en 't scheen mij dat ik zag met scherpe tanden hunne lanken openreten.’34
37‘Als ik ontwaakte vóór den morgen, hoorde ik mijne kinderen, die bij mij waren, weenen in hun' slaap, en vragen achter brood.’37
40‘Gij zijt wel wreed, indien gij reeds geen medelijden hebt, bij 't overdenken wat er aan mijn hert verkondigd wierd. En weent gij niet, waarover zult gij weenen?’
43‘Zij waren alreeds wakker, en de stonde was nabij dat onze spijs gemeenlijk aangebracht wierd; wij waren allen om ons droomen twijfelmoedig,’
[p. 569]
46‘Toen ik hoorde dat men onder ons de deur van 't gruwelijk gevang aan 't nagelen was. Ik keek in 't aangezicht van mijne kinderen, zonder zelfs een woord te spreken.’46
49‘Ik weende niet, zoodanig was mijn hert versteend; maar zij, zij weenden, en mijn kleine Anselmo zei: “Gij ziet zoo, vader! Zeg, wat hebt gij?”’49
52‘Ik weende nog niet, en ik gaf geen antwoord, noch dien ganschen dag, noch gansch den nacht, die volgde, tot dat de andere zon rees over de aarde.’
55‘Gelijk een weinig licht gestraald kwam in het smertelijk gevang, en ik op vier gezichten, 't beeld van mijn gelaat zag,’55
58‘Beet ik, van woede, in alle twee mijne handen, en zij, meenend dat het uit verlangen was naar voedsel, stonden schielijk op,58
61En spraken: “Vader, 't zal voor ons zoo pijnelijk niet zijn, indien gij eet van ons: gij hebt ons met dit arme vleesch bekleed; neem gij het weder.”’
64‘Dan bleef ik stil, om hun geen grooter lijden aan te doen; wij stonden allen stom, dien dag en nog den dag die volgde. O wreede grond, waarom borst gij niet open?’
67‘Als wij aan den vierden dag gekomen waren, viel mijn Gaddo uitgestrekt vóór mijne voeten nêer: “Mijn vader,” zei hij, “waarom helpt gij mij, niet?”’
70‘En zoo stierf hij; en gelijk gij mij nu ziet, zoo zag ik, tusschen 't vijfde en 't zesde daglicht, de andere drie ook vallen, één voor één; en ik begon,’
73‘Reeds blind, naar elk van hen te tasten; en ik riep
[p. 570]
ze nog) drie dagen na dat zij gestorven waren; maar eindelijk was de honger sterker dan 't verdriet.’73
76Toen hij zoo gesproken had, dan greep hij, met zijne oogen van ons afgewend, 't ellendig doodshoofd in zijn' tanden, bijtend hard gelijk een hond bijt in een been.
79O Pisa, schande van 't geslacht der schoone landstreek, waar men Si hoort klinken, aangezien het volk, dat u omringt, zoo traag om u te straffen is,79
82O mochten én Capraia én Gorgona komen, en een' dam voor Arno's monding vormen, zoo dat al de burgers er verdrinken!82
85Want, had ook Ugolin, de graaf, den naam van uw' kasteelen door verraad geleverd te hebben, daarom moest gij zijne kinderen zoo niet folteren.
88O gij nieuwe Theben, hunne jonge jaren toonden de onschuld van Ugoccione, van Brigata en van de andere twee, die 'k hooger in mijn' zang genoemd heb.88

In het Vagevuur, XXIV, ontmoet Dante den dichter Buonaguinta van Lucca, met wien hij spreekt over de dichtkunst. Zie ik hier, waarlijk, zegt Buonaguinta,

49‘Zie ik hier den dichter, die de nieuwe rijmen uitgebracht heeft, zoo beginnend: “Vrouwen, die verstaat wat liefde is?”’49
52Ik antwoordde: ‘Ik ben een die schrijf, wanneer de
[p. 571]
liefde 't ingeeft, en het uitdruk even als 't in mijne ziel gesproken wordt.’
55‘O broeder, nu zie ik den knoop,’ zei hij, ‘die Guitton en den Klerk en mij beletten tot dien zoeten, nieuwen trant te komen, dien ik lief heb.’
58‘Ik zie nu wel hoe uwe pennen stipt den meester volgen, die u voorleest; 't gene zeker het geval niet was met de onzen.’58
61‘En alwie moeite doet om aangenamer werk te maken, kan niet onderscheiden tusschen stijl en stijl.’ En daarop zweeg hij als te vreden.

Wilt gij hooren wat de liefde hem ingeeft, als hij spreekt van de Maagd Maria, de schoone bloem, die hij elken avond en morgen aanroept. Hij is bijna tot het hoogste van den Hemel gekomen met den H. Bernardus, die Maria smeekt den dichter te helpen en bij te staan.

En Bernardus begon dit heilig smeekgebed: (Hemel, XXXIII.)

1‘Moeder Maagd en dochter van uw' Zoon, ootmoedig en verheven meer dan eenig ander schepsel, vaste doel van 't eeuwig raadsbesluit.’
4‘Gij zijt deze die het menschelijk geslacht zoo hebt veredeld, dat de Schepper 't niet versmaadde in u zijn schepsel te geworden.’
7‘In uw lichaam wierd de liefde ontstoken, bij wier warmte deze bloem in eeuwigen vrede alzoo gewassen is.’
13‘Hier zijt gij ons de middagfakkel van de liefde, en, daar beneden bij de stervelingen, zijt gij nog de levendige bron der hoop.’
13‘Vrouw, gij zijt zoo groot en kunt zoo veel, dat al wie gratie wenscht, en niet tot u zijn' toevlucht neemt, wil zijnen wensch doen vliegen zonder vleugels.’
16‘Uwe goedheid en komt dezen niet alleen ter hulp, die u aanroepen, maar voorkomt nog dikwijls goedertierenlijk de vraag.’
[p. 572]
19‘In u is er bermhertigheid, in u meedogendheid, in u grootmoedigheid; in u is al het goed te zamen, dat een schepsel kan bezitten.’
22‘Deze hier, die, van aan de diepste diepten van 't heelal, tot hier, het leven van de geesten, één voor één, gezien heeft,’
25‘Smeekt u nu de gratie af der kracht om zijn gezicht nog hooger te verheffen tot de laatste zaligheid.’
28‘En ik, die nimmer heviger gebrand heb voor mijn zelven om te aanschouwen, dan ik doe voor hem, ik bied u al mijn smeeken aan, en 'k smeek u dat het niet versmaad zou zijn:’
31‘Neem, door uw 'gebeden, al de wolken weg van zijne sterfelijkheid, dat 't opperste geluk hem moog' verschijnen.’
34‘Ik bid u nog, o koningin, die kunt al wat gij wilt, dat gij, na zulk een groot aanschouwen, zijne neiging zuiver zoudt bewaren.’
37‘Moge uwe waakzaamheid de menschelijke driften overwinnen; aanzie Beatrix met hoe vele zaligen zij de handen voudt bij mijn gebed.’

 

P.B. Haghebaert,

Predikheer.