terug  begin  verder
[p. 595]

Een landschap uit Haspegouw.

Naar Stal.
 
Watten wolken wiegen in het luchtruim;
 
statig drijven zij van Noord naar Westen,
 
zilverig omlijst met roze ringen;
 
zachte zefirs spelen met het loover.
 
't Beukenloof, met lispelende blaadjes,
 
ruischt en schommelt zachtjes heen en weder,
 
wijl het windje een wiegeliedje kweelt.
 
Diepe rust ligt over 't lieve landschap:
 
slechts de vogels vallen soms aan 't veêlen,
 
tusschen 't loof der dichte doornenhagen.
 
Aan de westerkimme zinkt de zonne,
 
rijk gedost in avondrood en purper;
 
zij bestraalt met loddrig oogenglanzen
 
't landschap, dat in vredige avondrust baadt.
 
't Groen en 't goud der zonne smelten samen,
 
als gemengeld in verhitten smeltkroes
 
 
 
Loeiend daalt het hoornvee langs de helling,
 
voortgedreven door des wachters zweepe,
 
die hel-schuifelend de bonte ruggen
 
treft en striemt der kudde zuivelkoeien.
 
Rhytmisch klinkt de bronzen belle thans, die
 
heen en weder bengelt aan den nek des
 
stiers, den sterken, vuurgen, breedgebouwden.
 
Vette kalvers loopen hupplend mede,
 
tusschen 't snuivend, zware moedervee,
 
dartel wrijvend langs de huid der ouden.
[p. 596]
 
‘Juh!’ zoo komt het uit des wachters horen,
 
dat het galmt door heel de verre vlakte.
 
‘Juh!’ en hipplend, tripplend danst de kudde
 
koeien naar den stillen vijver heen,
 
waar de laatste gloed zich baadt der zonne.
 
Glanzend glipt het glijdend golfje langs het
 
ranke riet, dat ruischend buigt terneder.
 
Eens nog ‘juh!’ en plomp! daar daalt in 't water
 
gansch de bonte schare, dat het nat in
 
zilverperels spat tot op de ruggen,
 
waar het drupplend, glimmend weer van afleekt,
 
tot op 's vijvers licht gegolfde vlakte.
 
't Kalfje huppelt door het oeverriet,
 
wijl de moederkoeien stil zich drenken
 
en met lange, trage teugen 't zilvren
 
water van den blauwen vijver zwelgen.
 
 
 
Klets! klapt nu de zweep, en gansch de schare
 
wipt het water uit, de velden door,
 
waar nu, hot en har, een boer staat met het
 
zwarte en afgeknotte pijpjen in den
 
mond en de eelte handen in den broekzak.
 
Lustig heft de wachter nog een lied aan:
 
krachtig klinkt het in de rust des avonds.
 
Nog één stap en, - blijde balkend, stuwend,
 
stoeiend, springend, worstlend, vliegt de kudde,
 
al dooreen, den steenen stal in, waar het
 
voeder in de volle kribben aantrekt.
 
 
 
Julius-J. L'abbé.

Oostende.

terug  begin  verder