De zuster der kindsheid Jezus.
Huldezang aan de Eerw. Moeder Raphaël, algemeene Overste der Zusters van de Kindsheid Jezus, bij haar Zilveren Jubelfeest.
1875-1900.
I Roeping.
Solo.
Waar wenkt die star u, kind? Waarheen
De morgenstar van 't leven?
Komt zij haar leidend licht u geven
Voor 't pad van 's werelds ijdelheên?
Koor.
o Neen! o neen!
Solo.
Uw voetstap zal zich keeren
Naar 't kribbeken des Heeren;
U maant een englenstem:
‘Kind, volg dat licht: 't wenkt u naar Bethlehem.’
Koor.
Gelukkig kind,
Dat, door het vriendlijk licht
Van 's levens morgenstar gericht,
Zijn roeping vindt!...
Gelukkig kind wiens levensmorgen
Is toevertrouwd aan heilge zorgen...
[p. 155]
Solo.
Naar God geleidt uw oudrenpaar u;
Hun zeegning op uw kinderlot
Aanroept den heilgen Naam van God:
‘God zegene u en God beware u!’
Koor.
O vrome christenzin
Van vaderliefde en moedermin
In 't Vlaamsche huisgezin!
Bevoorrecht kind dat uit
Oud Vlaamschen stam te lande spruit.
Het groeit en bloeit zoo lieflijk
In alle kindervreugd,
En moeders wijsheid siert hem
Met elke kinderdeugd.
't Speelt onder moeders oogen
In tuin en boomgaard om;
Wenkt moeder weer naar binnen
Het ijlt en roept: ‘ik kom’.
En heeft het zich al spelend
Verlustigd en verkwikt,
Hem wordt in werk en zorgen
Zijn kinderdeel beschikt...
't Houdt 't koeiken van de haag af
En drijft het voort in 't gras;
't Weert van de rijpe krieken
Het stoute musschenras;
Het weet de vooglen wonen
En 't onderkent hun taal -
De heldre stem der botvink,
't Lied van den nachtegaal;
En 't leert Hem ‘Vader’ noemen
Die 't al geschapen heeft,
Den morgen 't licht der zonne,
Den boom zijne appels geeft.
[p. 156]
Het bidt voor de oogsten mede
Die reeds in de aren staan,
En 't leert op Hem betrouwen
Die wasdom geeft aan 't graan;
Het bidt bij de avondbede
Den stillen huiskring voor;
Het mint het kerklijk hoogfeest
En 't glinstrend outerkoor.
Twee stemmen en Koor.
't Roosje vouwt zijn blaadjes open,
Zie, met frisschen dauw bedropen,
Parels die de nacht hem gaf.
Schudt die parelkens niet af,
En raak 't donzig waas niet aan;
Laat ongerept zijn blaân
Voor de zon zacht opengaan.
II Levenswijding.
Reciet.
Uit 't spelend kind ontwikkelt zich de maagd
Aan wie de Heer de levenswijding vraagt.
Stem des Bruidegoms.
Geef, kind, geef mij uw hart, en wil me uw dagen wijden
En laat uw oogen letten op mijn wegen;
Zoo zal uw vader, zoo uw moeder zich verblijden...
Voor de ouders is een deugdzaam kind een zegen...(1)