terug  begin  verder
[p. 44]

Frontheimwee.

(Fragment uit: De deemstering der Zielen. III De Daad).
Spelers. - Luitenant Geerten Gossuit;
Godelieve, zijn vrouw;
Prof. dr. Boehmer.

Een family-hotel te Parijs; winter 1917.

GEERTEN (kijkt nadenkend voor zich uit. In de nabije muziekkamer treurt een mandoline). - de las Carreras... diplomatensentimentaliteit... de huichelaars... Moeten z'hun gevoelen in 't ijle van mandolinegetokkel afleiden om het uit hun leven te kunnen weren...? (Hij zet zich in een zetel en vervalt in zwaarmoedig gepeins).

(Dr. Boehmer uit de muziekkamer op; bemerkt Geerten, tikt hem op de schouders).

Dr. BOEHMER. - Ge kijkt zoo onthutst!... Ge zijt ontroerd!?

GEERTEN (uitvarend). - Schaamt hij zich niet zulk een muziek te maken... Het zijn bakvischjes-melodieën. Men wordt er wee van... Het...

Dr. BOEHMER. - Het vloeit over u heen, als 'n geut flauwe thee over 'n klompje suiker... Ge wordt in de muziek opgelost!...

GEERTEN (boos). - Neen... de materie waar ik van gemaakt ben, is zoo oplosbaar niet als suiker.

Dr. BOEHMER. - Waarom ziet g'er uit als 'n mensch die over zich zelf verteederd is!

GEERTEN (kijkt dr. Boehmer boos aan, laat zich lusteloos, in zijn zetel, terugzinken, halfluid mompelend). - Alles lijkt me hier zoo muf en saai... Het beklemt me.

Dr BOEHMER. - Aan deze uitlating zal het bezoek van uw wapenmakker wel niet vreemd zijn.

GEERTEN (opveerend). - Episch niet? die ruwe, onbeleefde, monumentale soldatenfiguur met den loyalen, broederlijken handdruk.

Dr. BOEHMER. - 't Is 'n kapitale kerel!

GEERTEN. - Een die met het leven heeft afgerekend, wiens leven nu een strijd is, niet tegen geld

[p. 45]

of machines of administraties, maar tegen de groote natuurkrachten midden dewelke hij leven moet...... (Hij loost 'n diepe zucht.) Kon ik maar naar het front terug gaan!...

Dr. BOEHMER. - Zijt gij dan hier niet gelukkig?...

GEERTEN (schouderophalend). - Geluk!... Maar hier is het een omgeving waar alles me teneerdrukt, wijl ginder alles me kan opbeuren... ginder was het een leven van Daad... geen verwatering, geen verwijving... het fabelachtige avontuur waar ik mijn kracht voelde groeien... en hier (grijnslachend) mandolinen-heimwee.

Dr. BOEHMER. - Leven is zich aanpassen, Geerten...

GEERTEN. - ... aan de groote levenswetten, aan de Natuur die ons omringt en ons beheerscht, daar stem ik in toe; dan is die aanpassing een vermeerdering een viktorie. Hier is 't een vermindering en een lafheid... Ik wil naar ginder terug.

Dr. BOEHMER. - Onzin. Hier ook hebt g'uzelf te affirmeeren.

GEERTEN. - Hier moet men een sterke persoonlijkheid zijn om zijn omgeving te beheerschen; om door zijn omgeving niet te worden neergedrukt. U kunt dat, dokter. Ik niet... ik ben slechts 'n gewoon, zwak mensch... maar ginder, ziet ge, tegenover de Natuur, is het voldoende mensch te zijn om te triomfeeren.

Dr. BOEHMER. - Ge kunt toch niet ernstig naar zulk een leven van brute barbaarschheid verlangen!

GEERTEN (dof). - Ja... wij moeten opnieuw barbaren worden... om onze jeugd te hervinden, om boven onszelf te kunnen uitgroeien...

Dr. BOEHMER. - Gekheid! Gij die hier reeds van den vrede genieten moogt...

GEERTEN (hem in de rede vallend). - Vrede?... (Bitter.) Hier is d'uiterlijke vrede en... d'innerlijke oorlog. (Dr. Boehmer kijkt hem verwonderd aan.) Wel ja... wijl ginder: uiterlijk krijg, maar innerlijk vrede... (Dof.) Hier staat in heimelijke vrees en angst de dood steeds in mijn denken...

Dr. BOEHMER. - ... en ginder!?

GEERTEN. - ... ginder is het een makker zon-

[p. 46]

der veel geheimzinnigheid... sterven lijkt daar zoo natuurlijk.

Dr. BOEHMER. - De dood blijft toch overal de dood!

GEERTEN. - Hier lijkt z'n monsterachtigheid, 'n zinlooze absurditeit en... hier is de dood, in feite, als een sluiperige misdadiger die u het leven ontsteelt; ginder... is het een speelkameraad, op wien ge 't door een gunstig toeval altijd gewonnen had, en die nu, op zijn beurt, het ook eens van u wint... Begrijpt ge wat ik zeggen wil? Hier is het leven een eigendom, een bezit dat men u smadelijk ontsteelt; ginder is het een steeds hernieuwd wonder dat over u komt. (Pooze.) (Heesch - fluisterend.) Hier wordt ze genegeerd, de dood. Ze telt niet mee. We hebben ze buiten gesloten... verbannen ver van de huizen af... aan den zelfkant der steden. We trachten ze te vergeten... Maar... maar... ze is... verstaat ge, dokter: De dood is... en ze beloert ons... ze speelt met ons, als de kat met de muis... dat is vernederend. (Luid.) Voelen jullie dan niet, dat dit vernederend is!

Dr. BOEHMER (schouderophalend). - Ce sont les règles du jeu...

GEERTEN. - Het is onwaardig. Het is een voor den gekhouderij... Het is onuitstaanbaar... en ge vindt dat natuurlijk!

Dr. BOEHMER (koel). - Heel natuurlijk.

GEERTEN (de lettergrepen traag aanslepend). - Beseft ge dan niet, dat het juist onnatuurlijk is (opgewonden, crescendo) onnatuurlijk zich zoo lijdelijk te laten sarren en tarten en bedreigen; onnatuurlijk heel dit schijnleven!... (Dof.) Maar ginder (luid) daar gaat het andersom (trots) daar zijn wij het... Wij! die de dood tarten en uitdagen... en in 't gezicht lachen... Daar is het een sluwe strijd... hier doet men aan struisvogelpolitiek!

Dr. BOEHMER (koel). - Geen opwinding, hé!

GEERTEN. - Vandaag moet ge door een trommelvuur om uw post te bereiken. Goed. Ge holt, ge bukt... ge laat u vallen... ge kruipt... ge wringt u door allerhande tuig... ge staat weer recht... ge loopt omzichtig voort... ge duikt in een obusput... vuurgeysers spuiten langs alle kanten op... vuilzwarte shrappnellwolken barsten open boven uw hoofd. Het

[p. 47]

knettert, het davert, het huilt, het zoemt in uwe ooren... Ge zijt buiten adem... het zweet leekt in uwe oogen... ge wordt omvergesmakt, doofgebulderd, met grond bespat, gedeeltelijk bedolven... als g'eindelijk de hellezone doorworsteld hebt, jubelt het in u, triomfantelijk... jubelt het in u... Ik leef! Ik leef! en dat klinkt als een godswoord uit het boek Genesis... (sarcastisch) en ge lacht... een lach doorkrampt u om de gekke doodendansen der makabere maskers om u heen, wier verwrongen skeletbeenen, spillig en hoekig lijnen tegen de uitgerafelde, vluchtende wolken... Hahaha!

Dr. BOEHMER. - En toen ge gekwetst werd, mijn waarde, hebt ge toen ook gelachen?

GEERTEN (op gedempten toon). - ... anders was het toen... maar toch... toch lachte ik:... ‘ze hebben me toch nog niet heel en gansch...’ maar dan kwam de angst om al dat bloed... Ik kon niet weg... en ik voelde me doodbloeden... maar Wannes dook toen plots voor me op... (korte pooze) (rustig-zacht)... O, die morgen, toen de zon gulden kanten op mijn bed lei... op mijn hagelblanke bed, die rustige zonnestraal... en de stofjes die daar zoo blij in wemelden... en een nieuwe kracht die ik in me voelde en... een mystisch murmelen in mij (de oogen sluitend; extatisch fluisterend) ... ik leef!... ik leef!... het was als charfreitagszaubermuziek... (bitter) Hier weet ik niet dat ik leef. Ik moet naar ginder terug.

Dr. BOEHMER (koel spottend). - Kunt gij leven zonder 'n vrouw, Geerten?

GEERTEN (boos opkijkend). - Wie meent ge voor u te hebben, dokter?

Dr. BOEHMER. - Bemint ge uw vrouw niet meer? Zij heeft toch ook 'n recht op u... en uw kind?

GEERTEN (lusteloos). - Nu leef ik toch niet.

Dr BOEHMER. - Wat moet uw vrouw zonder u beginnen?

GEERTEN. - ... ze heeft haar kind.

Dr. BOEHMER. - Ge bemint elkaar niet meer.

GEERTEN. - O ze bemint me... en ik heb ze lief, maar ze kan met al haar liefde die vervorming van mijn wezen niet voorkomen... (wanhopig) maar hoort ge dan niet, dat het opnieuw Geerten's stem is die door den mond spreekt van luitenant Gossuit!

[p. 48]

Dr. BOEHMER. - Ja maar... ja maar... Ge maakt een crisis door. Goed. Ik zal eens met uw vrouw spreken. Ze verwaarloost u misschien een beetje omwille van haar kindje. Bij teerhartige menschen als u is de vrouw een hoofdfactor. Biecht nu eens op. In wat voldoet ze u niet?

GEERTEN (zacht). - Ik heb haar niets te verwijten, dokter.

Dr. BOEHMER. - Maar hoe kont ge dan zoo'n zielige misanthroop worden! (Nadenkend.) Daar is klaarblijkelijk een tekortkoming...

GEERTEN (na een aarzeling, halfluid.) - Ze kan me de dood niet verbergen. (Na een pooze.) Dat kan ze toch niet verhelpen, niet waar... (Droef glimlachend.) Ze is 'n vrouw, dokter... 'n goede, lieftallige, gezonde vrouw, die haar huishouden bestuurt, haar kind en haar man bemint en bezorgt...

Dr. BOEHMER. - Ik vraag u met nadruk. - Hebt g'elkaar steeds lief?

GEERTEN (dof.) - ... Maar die liefde is juist de groote hindernis... indien ik haar niet beminde ware het zoo eenvoudig. (Pooze.) (Verhalend.) Ik had reeds lang te voren van Godelieve hooren spreken toen ik haar voor 't eerst te zien kreeg. Zij was de aangekondigde nieuwe verpleegster. Ik lag in een apaart kamertje en was nog zeer zwak. Toen ze binnenkwam was ik, zoo meteen, als overspannen. Toen z'in de kamer doende was, lag ik ze roerloos te bespieden, niet enkel met mijn oogen, maar vooral met dat ongenoemde zintuig met hetwelk men waarneemt, als men, daadloos, een beschieting onderstaat. Toen doorzinderde me plots een bewustwording: ‘Dat is de vijand’. Ik bedacht kwetsende, beleedigende zinnen, maar toen ze me eindelijk toesprak klonk mijn antwoord niet onheusch.

Dr. BOEHMER. - Hoe hebt ge dat vijandig gevoel voor u zelf verklaart?

GEERTEN. - Ik had ze lief... en voorvoelde het toen, dadelijk, dat ik ze huwen zou.

Dr. BOEHMER. - Dit was uw eerste liefde niet. Hoe kondt ge weten dat ge ze huwen zoudt!

GEERTEN. - Ze ging dadelijk zoo moederlijk met me om. Ik voelde me niet meer verweesd... Toen wist ik dat, onbewust misschien, sinds mijn kinderjaren

[p. 49]

reeds, een moederheimwee in mijn ziel getreurd had.

Dr. BOEHMER. - Dit is allemaal zeer verward... maar ge kunt me toch zeggen of dit huwelijk al of niet, een ontgoocheling voor u is.

GEERTEN. - Neen... o neen... Godelieve is me geen ontgoocheling... Het is allemaal niet zooals ik het verwacht had... ge dacht: er was misschien een heimelijke, onzinnige hoop in mijn hart verdoken geweest? Ik doorzie Godelieve zoo duidelijk; ze staat zoo nauwkeurig begrensd voor me; spijts de delicate, genuanceerde contourlijn streng afgeteekend... als een Ingres. Daarom juist weet ik, dat ik ze altijd zal blijven beminnen en eerbiedigen.... Ik zal haar niet meer vragen dan ze geven kan... zij mag me ook niet meer voorspiegelen...

Dr. BOEHMER. - Dit is heel redelijk... zooals het hoort.

GEERTEN. - ... Elsje en Lenore hebben me dit geleerd, de vurige, romantische, verleidelijke minnares; ... het extatische droommeisje, mijn Beata, Beatrix.

Dr. BOEHMER. - Maar indien uw vrouw u alles geeft wat ge verwachten kunt?... Ik begrijp niet hoe... (Bekijkt Geerten met een ondervragenden blik.)

GEERTEN (zacht fluisterend). - Ik zei het u toch, dokter... ze kan me den dood niet verbergen... integendeel, mijn liefde voor haar en voor mijn Wiesje... maakt me zooveel meer kwetsbaar... (huiverend.) O zich geheel in een vrouw te kunnen verliezen, dat ware de opperste zaligheid. (Smartelijk.) Ze kan me niet bedwelmen... zeuren blijft die onvoldaanheid...

Dr. BOEHMER (nuchter). - Welke onvoldaanheid?

GEERTEN. - Deze... waarom ik die twee andere meisjesliefden gebroken heb, omdat ik van hen die opperste zaligheid eischte. (Gelaten.) Nu weet ik dat geene vrouw dat geven kan. Maar d'oude nood wordt om die wijsheid niet verdoofd... (Smartelijk.) Verschroeiend brandt die dorst in mij... die dorst (fluisterend) naar eeuwigheid... naar d'eeuwigheid eener alleenheerschende liefde? (Wrevelig.) Dit is onmannelijk. (Smartelijk.) Nochtans heb ik me verdedigd... met trillende zenuwen en kloppende aderen heb ik mij, wanhopig, op de vrouw gestort als op een prooi

[p. 50]

... in doodsangst heb ik ze gestreeld als een amulette... Ik heb me verdedigd met opwindende, geestige conversaties; met geveinsden intrest in ambtsbezigheden en onbenullige ondernemingen... ik heb me willen bedwelmen met nijvere, geduldige studie... met drank en dans en muziek, met kunst en schoonheid... kleur en vormenweelde... (Woest.) Nu rest mij niets meer dan den roes van het actieve leven. Ik moet mijn Ikheid in de brokkelingen van duizenden vurige daden laten uiteenspatten...

Dr. BOEHMER. - Maar dat is zelfmoord. Het is laf en...

GEERTEN (smartelijk.) - Maar ziet ge dan niet dat ik weerloos sta... weerloos voor die alvernielende passie... want het is een passie... een passie van oceanische diepte en drift.

Dr. BOEHMER. - Toch moet ge kampen, Geerten.

GEERTEN. - Ik kamp, ik kamp een wanhopigen bovenmenschelijken strijd sinds jaren... jaren... maar tegen welke macht? Wie is ze nu eigenlijk, die vreeselijke occulte macht die me te neer slaat... en die ik niet doorschouwen kan...?

Dr. BOEHMER (minachtend.) - Neurasthenische Weltschmerz.

GEERTEN. - Of... of is het dit wat de russen ‘bogaïskateltsvo’ noemen. (Ontzet.) Dokter, strijd ik dan... tegen Hem?

Dr. BOEHMER (koel). Hem?... Wie bedoelt ge?

(Godelieve op.)

GODELIEVE. - Ik stoor u?

GEERTEN. - We... we waren aan 't filosofeeren.

Dr. BOEHMER. - Zoover kan 'n mensch afdwalen, mevrouw.

GODELIEVE (ernstig.) - Ik hou niet van wijsgeeren.

Dr. BOEHMER. - Maar... u zijt met 'n wijsgeer gehuwd!

GODELIEVE. - Geerten is geen wijsgeer, dokter.

GEERTEN. - Neen... enkel 'n gewoon mensch... 'n gewoon ontwikkeld mensch... met 'n beetje subtiel kunstenaarsgevoel, nietwaar vrouwtje?

(Stilzwijgen.)

Dr. BOEHMER. - Ik persoonlijk ben absoluut

[p. 51]

geen wijsgeer, mevrouw, toch ben ik benieuwd te weten waarom u ze mistrouwt?

GODELIEVE (eenvoudig.) - Als Geerten wat veel nadenkt wordt hij zwaarmoedig.

Dr. BOEHMER. - Ja, maar dat zal dan ook kunstenaarsfilosofie zijn... inderdaad, die is niet te betrouwen. (Uitgaande.) Goeden avond.

GEERTEN en GODELIEVE (groetend.) - Dokter.

(Dr. Boehmer af.)

GODELIEVE (neemt Geerten's arm, bekijkt zijn peinzend aangezicht, stil en schuw.) - Het is vreemd Geerten. (Ze aait hem over het hooge voorhoofd.) Het is of daar een daemon huist, die mij uw liefde zou betwisten...

(Geerten verteederd, drukt haar tegen zich aan; zoent haar, lang en innig.)

 

DIRK VANSINA.

terug  begin  verder