terug  begin  verder
[p. 68]

Poema missale.
Fragment.

Confiteor.
 
Confiteor.... en hoofd en rug
 
gaan zeer gewillig buigen:
 
confiteor: niet stijf en stug,
 
en 'k steiger niet: deemoedig riet:
 
zoo 't hoofd en romp gebogen
 
en 't wegen van mijn oogen,
 
confiteor, getuigen.
 
 
 
Confiteor... O! Vingeren, steekt
 
uw toppen naar beneden,
 
dat, als Abussos openbreekt,
 
als ik gestort in 't ijle word,
 
ik niet te leelijk stuike,
 
maar sierlijk onderduike
 
naar de orde van mijn leden.
 
 
 
Ik val, en voelde, dat ik ga
 
gelijk een steen naaronder:
 
Abussos gaapt: van alzoodra
 
Gij breken laat den brozen draad
 
van mijn bestaan, dat aan is;
 
doch hic en nunc gedaan is,
 
behalve door het wonder,
 
 
 
waarmee Ge mij bewaart, o God,
 
die mij niet wilt verdelgen,
 
al ben ik voor U, God, een spot:
 
een spuwtje, dat verloren spat,
 
een zwampje nauw geboren,
 
en dood reeds en verloren
 
in 's Levens stage zwelgen...
 
 
 
Confiteor, o God, ik zwalk
 
in o! wat nacht, en 'k giere
 
gelijk een onbestuurde tjalk,
 
een dolend wrak, dat tolt en holt
 
verstootling aller stranden.
 
'k zal zwalken... nooit meer landen,
 
tenzij me wie? bestiere!...
[p. 69]
Eleison.
 
‘Pakt!’ kwaakt de knaap: hij ging te verre waden:
 
zoo diep niet wist hij dat het was...
 
‘Nog verder door!’ was hij geraden:
 
en: lekker koel was 't in den plas.
 
 
 
Nu wordt hij paars geklemd: dat is verzinken!
 
hij roept benauwd 't benauwlijk ‘Pakt!’
 
Ei! Moeder!... Mag UW Hans verdrinken?
 
Het knaapje scheeloogt, zwelgt en kwakt:
 
 
 
Ik ben die knaap! Hier! Hier! Ieist... dat ik grijpe.
 
ELEISON! Christus! Uw Hand!
 
't Verwurgend Niet begint te knijpen:
 
Weg! 'k weer het weg met vuist en tand!...
 
ELEISON, die Petrus hebt gegrepen,
 
ELEISON!...... o Duizeling!
 
o Ziet! Daar schiet een licht - en - strepen:
 
geen zon verschoot niet zulken zwing.
 
‘Wie zijt gij, Licht? Zon?’
 
‘“Zoon van God den ader,
 
Telg van het eeuwige vandaag! -”’
 
‘ELEISON: o Word! Kom niet nader,
 
noch waar ik lig, U veel te lààg!
 
ELEISON, Heer Christus, laat me zinken!’...
 
 
 
Hij licht me naar omhoog! en... 'k sta
 
druipnat van zijn Genâ te blinken
 
en in den gloed van 't
 
GLORIA:
 
in exelsis Deo!
 
 
 
extendens et jungens
 
manus
 
dicit...
 
Gloria in exelsis Deo.
 
Blij teeken ik den Gloria-boog,
 
en 'k jubel om dit Gloria!,
 
dat ik, harop! ten hemelen sla,
 
alsof ter keel me vlam ontvloog! -;
 
‘Ik eisch het: jubelt, Allerhoogsten,
 
die rijp staat in 't alomme Ruim.
 
Het licht is uw zeer edel kruim,
 
uw gouden licht, Exelsa, Starrenoogsten!
[p. 70]
 
Ik zie, mij dunkt, den Landman gaan:
 
Jehovah door Zijn starrenlanden:
 
de starren buigen zwaar-gelaân:
 
hun aren schieten vuur: (hun graan!);
 
waar Jahwe reuzelt met Zijn handen.
 
Excelsa: Gloria dien Bier!
 
En: zingen! die de zeisen slaat,
 
Gods engelen, gij, die voer bij voer
 
van zonnenoogst en glorie laadt!
 
U glorie, ja, U, Starrenzaaier!
 
van elken engel-starrenmaaier,
 
U roem! om Uwe glorieschuren
 
vol gloed en oogst van zonnevuren!

***

 
‘O God, ik ben Uw armste stakker!
 
En toch: ik ben zoo stout te droomen,
 
dat ik zal mogen!... mogen komen,
 
en zeer veel gouden aren lezen
 
op Uw nooit af te lezen akker,
 
en, waar Gij rust, zal ik niet vreezen...
 
o Ruth bij Boöz!...
 
Doch Gloria!
 
niet meer om licht en zonnen
 
bij schepping U gewonnen,
 
neen; doch: om 't ongeschapen Licht,
 
dat eeuwig voor Uw Aangezicht
 
geblonken heeft, o Jehovah!
 
om Licht-uit-Licht, om God uit God,
 
om 't Woord-kristaal, waarin Gij spraakt:
 
glashelder uitspraakt, wat U maakt
 
dien, wie Gij zijt: de Zijner: God!
 
U roem ik, U, zeer oude in jaren,
 
om de eeuwige jeugd van Uwen Zoon;
 
om deze Zon, die nooit begon,
 
en Vader, om Uw eeuwig staren
 
op Hèm: Uw beeld oneindig schoon!
 
Wat is een hemel zonnen, Heer,
 
voor die Zich kent in zulk een beeld,
 
voor wien Zijn eigen Wijsheid speelt,
 
voor wie van eeuwig heeft geteeld
 
zoo groot een Zoon: zoo groot een Eer!

***

[p. 71]
 
Wat is gewicht, wat is getal:
 
wat is de Schepping, voor wie 't al
 
van eeuwig zag in Zijnen Zoon?
 
Uw glorie is deze dan: Uw Zoon!
 
Dien hebt Gij lief oneindig, Heer!
 
Dien geeft één-zelfde Liefde U weer!
 
o, Goddelijke slag en maat,
 
die van- en naar elkander gaat:
 
Uw beider Liefde is God, Derde Persoon,
 
en even groot en goddelijk als Gij,
 
o Vader, en Gij Zoon! Dat maakt me blij;
 
want dat is schoon, dat is aanbiddelijk schoon!
 
En ik bid aan Uw Liefde, en 't Lied,
 
dat Zij, de ontzaggelijke, giet
 
in Uwen schoot zoo rijkelijk, dat
 
geen eeuwigheid het ooit bevat!
 
En! Muggen zijn we, en muggegonzen
 
is aller klokken samenbonzen
 
bij wat geschiedt
 
Daarboven
 
in de Loven
 
van 't eeuwig Pinksterfeest,
 
dat Gij beleeft, Drievuldigheid!
 
o Vader, Zoon en Heilige Geest!

***

 
Ik ga niet weg van dees beschouwen:
 
ik schei niet van dit Gloria,
 
tenzij Gij komt, Drievuldigheid:
 
tenzij Gij komt, en in me blomt,
 
o Blom, die bloeit uw eigen bloei
 
van één Natuur in drie Personen,
 
en, bloeiend dus, in ons komt wonen,
 
o Blom, die wit zijt in den Vader,
 
en gouden in den Zoon,
 
en vuurrood in den Geest,
 
o Blom, die zijt te gader
 
eenvoudig-enkele Blomme en driemaal schoon
 
in wit, goud, rood, en nergens meest!
 
Dat allerwege Uw glorie groei!
 
 
 
JAN HAMMENECKER.
terug  begin  verder