terug  begin  verder
[p. 97]

Uit ‘Poëma missale’.
Fragment.

Oblatio vini.
 
En hier is Wijn: loof ik hem niet,
 
Gij looft hem, Gij, die rijpen liet
 
de bessen, die te pronken hangen
 
met zooveel zon en zomer in,
 
dat, hier in 't vonkelend vocht ervan,
 
ik nog den luister speuren kan
 
van 's Zomers gouden keel en kin,
 
van 's Zomers ovenlaai-ter-wangen,
 
van 's Zomers oogen toovergloed!
 
 
 
Er zingt een Zomer in mijn bloed!
 
 
 
U zij die Wijn, en 't gene erin
 
bleef tintelen, Heer!: Uw zonneschijn
 
Uw zon, die, wijngeworden, nog
 
verwarmen wil eens ziel en zin!
 
 
 
Ik offer ook het milde zog
 
der Aarde, die met 't allerbeste
 
uit hare borst den wingerd leschte.
 
 
 
Ik offer U den Herfst, en 't zwieren
 
der ranken om het hoofd diens fieren,
 
die - ('t Is zijn dood, en zijn victorie.)
 
het land bekroont met druivenglorie!
 
 
 
Ik offer U bij voorbaat 't Heilig Bloed,
 
Dat offer is alvast u welkom! - Lacht
 
de landman blijde al loerend naar de pracht
 
van eigen wijn en wasdom en gewin,
 
voorwaar, o Wijnstokplanter, Gij niet min,
 
als daar ornhoog uw Zoon zijn intreê doet
 
met Wijn uit uw Plantsoen: zijn goddelijk Bloed.
[p. 98]
 
Aanvaard ook 't leekje water, dat verging
 
in wijn als bij natuurvermengeling:
 
aanvaard meteen het menschelijk geslacht:
 
't werd door Uw Zoon tot goddelijkheid gebracht.
 
 
 
Aanvaard den Mensch uw Zoon, en ons, die zijn
 
in Hem mèt Hem, als 't water in den wijn.
 
Aanvaard me: 'k weet het, 't loont de moeite niet -
 
ik vrees dat Gij met toornende oogen ziet
 
naar mij, doch, God, zie, bid ik U, naar mij niet.
 
Zie Jezus: ik ben boos, doch Hij niet, Hij niet!
 
 
 
JAN HAMMENECKER.
terug  begin  verder