i.s.m.
[p. 159]
Twee gedichten.
Laatste zomeravond
.
Nog brandt aan lage firmamenten
een glorieuse zon
...
Maar wie droomt nu van ander lente
en die niet sterven kon?
...
De Zomer: Stoet van gouden dagen
hoe trok hij ras voorbij:
een sprookje, kind... en wat we zagen:
een feërie van Mei
.
Toen teere glans 't gelaat U streelde
zoo blank: en 't kleurde rood
...
O laatste dag van ijdle weelde
O sieraad vóór de dood
...
[p. 160]
Herfst
.
Waar Gij uw gouden zon juweel
met toovering van licht liet glansen
,
en waar Gij hingt uw sterrenkransen
op zilverblauw fluweel
,
Waar meenge roos - o sierlijkheid -
verkoren werd met teere handen
,
waar hebben aan uw loofguirlanden
stille oogen zich vermeid
,
Waar eens een oor geluisterd heeft
naar simfonie uit hoogste kruinen
,
waar vreemde wind door geurge tuinen
heel zoel gefluisterd heeft
...
Waar wies de vrome heerlijkheid:
misterieuse schemer-uren
wanneer een nacht mocht eeuwig duren
geen morgen werd verbeid
.
Daar is de Herfst - o vale smart!
met donkre wieken neergestreken:
Een mensch klaagt luid en voelt er breken
de broosheid van zijn hart
...
HUBERT BUYLE.