terug  begin  verder
[p. 357]

Uit Denemarken
door D. Logeman-Van Der Willegen.

Denemarken is om meer dan éen reden een merkwaardig land en het is vooral een land, waar buitengewoon veel gelezen wordt. Iederen keer weer kunnen we ons verbazen over het enorme aantal herdrukken die goede boeken ten deel vallen. Ik voeg er met opzet het woord ‘goede’ bij, omdat, het van zelf spreekt dat sensationeele boeken, of werken met een zekere strekking altijd in ruimen kring verspreid worden. Tot de ‘goede’ boeken reken ik o.a. die van Joh. Jörgensen. En hoewel het spreekwoord zegt dat geen profeet in zijn eigen land geëerd is, en Jörgensen's land bovendien een protestant land is, waar men alle reden zou hebben om zijn katholiek-gezinde boeken te weren, is dit woord niet op hem toepasselijk.

Zijn voorlaatste groote werk - om alleen dit te noemen - zijn autobiografie, die in verschillende deelen verschenen is, beleefde in enkele jaren van 4 - 6 herdrukken (5000 à 12.000 exemplaren). Ook in Italië en Frankrijk heeft dit hoogstinteressante werk zijn weg gevonden, terwijl in Nederland de uitgevers nog steeds, voor de drukkosten terug deinzen... Eerlijkheidshalve moet ik er bijvoegen dat het debiet voor Deensche boeken niet alleen Denemarken omvat, maar ook Noorwegen en Amerika, - waar zooveel Scandinaven wonen, - wat een zeer groot voordeel voor schrijvers en uitgevers is.

Er zijn in beide landen verscheiden uitgevers van naam. Toch zeg ik heel zeker niet te veel als ik beweer dat de grootste markt in handen is van Gyldendalske Boghandel - Nordisk Forbag, een uitgevers - maatschappij, die haar werkzaamheden uitstrekt over Denemarken en Noorwegen en Engeland, en van Aschehong in Kristiania. Beide firma's gelasten zich zoowel met wetenschappelijke uitgaven als met belletrie. Wetenschappelijke werken brengen den geleerden schrijvers nooit veel goud in den zak, maar onlangs heeft zich in Noorwegen toch een verrassend feit voor gedaan. - Het Noorsche Wetenschappelijke

[p. 358]

tijdschrift ‘Edda’ (Asccehong, Kristiania) loofde 'n premie uit van 5000 Noorsche kronen voor een werk, dat het best den invloed in Noorwegen teekende van den Deenschen filosoof Sören Virkegaard! 5000 kronen, een heel som! Maar een som, die in het niet viel bij de 70.000 kronen, die Gylden dal kort daarop uitloofde voor den besten Noorschen of Deenschen roman! Veel pennen kwamen in beweging, toen de oproeping tot concurrentie bekend gemaakt werd, menigeen teekende verzet aan, er werd geprotesteerd en men noemde 't heiligschennis van de literaire kunst, van het letterkundig genie, sprak van ‘ter wille van de smeer...’ Maar hoe ook, de auteurs lieten zich niet afschrikken. 150 werken werden er ingezonden, waarvan er éen de prijs behaalde en 9 andere waardig werden bevonden om eveneens uitgegeven te worden. Het comiteit dat de werken te beoordeelen had bestond uit de eerste critici op letterkundig gebied o.a. professor Francis Bull uit Kristiania en professor Vilhelm Andersen uit Kopenhagen. De inzenders bleven anoniem tot het oordeel gevallen was, de werken werden in machineschrift ingeleverd. Toevallig hoorde ik dat het comiteit drie maanden tijd had om zich een oordeel te vormen en aangezien en 150 werken waren ingekomen, beteekent dit dat het lezen van een boek per dag voor geleerden, die zeker nog dien zelfden dag nog heel wat anders te doen hadden en zich dus zonder twijfel niet aan den acht uren dag konden houden. Drie maanden lang éen boek per dag, is het niet om te duizelen?

En plotseling werd het bekend wie de premie verworven had. Niet alleen de schrijvers zaten er met kloppend hart op te wachten, heel het literaire Denemarken en Noorwegen, allen die Gyldendal's aanbod in de pers openlijk, of in het geheim te lijf waren gegaan. Al de torenklokken hadden het nieuws niet vlugger kunnen uitbazuinen dan de dagbladen in Scandinavië het in hun kolonnen opnamen: J. Anker Larsen had de hooge premie gewonnen. Ankel Larsen een schrijver, wel is waar bekend, doch die tot dan toe niet tot de allereerste gerekend werd. De eerste 20.000 exemplaren waren ‘in lefs than no time’, zooals het heet, uitverkocht, terwijl een Zweedsche vertaling tegelijkertijd haar weg over de Noorsche

[p. 359]

grens gevonden had. Natuurlijk wilde iedereen zoo gauw mogelijk zien wat er voor merkwaardigs aan dat boek van Anker Larsen was. De titel werkte mee om de nieuwsgierigheid te spannen: ‘De Steen der Wijzen’, ‘De Vises Sten’, wat beloofde dat veel!

 

Gyldendal zond het boek ter beoordeeling aan allen op wier oordeel de firma blijkbaar gesteld was, en ik vond het op mijn tafel liggen met verzoek om recensie in een ‘Belgisch tijdschrift’, toen ik juist van een geestelijk bad in de Noorsche lektuur en de Noorsche literatuur terug kwam. Het boek uitlezen in éen dag was mij niet mogelijk. De lectuur er van heeft mij minstens verscheidene dagen gekost, 503 dichte bladzijden zijn niet zoo gauw verteerd!

 

Na de lezing voelde ik mij duizelig. Het was alsof ik in een bioscooptheater was geweest, waar de beelden elkaar met ongekende vlugheid opvolgden en maar een paar hoofdpersonen, en af en toe ook een paar bijpersonen op verschillende beelden wederkeerden. Had ik een roman gelezen? Neen, een roman kon ik het heelemaal niet noemen. Het was een boek dat bekroond was en dat zeker geschikt bevonden was om zijn weg te vinden naar den huiselijken haard van menig gezin. Daar vond ik het ook allerminst voor geschikt. Niet omdat de strekking onzedelijk was, of de toon en de toestanden over het geheel weinig geschikt voor den huiselijken kring. Maar wel, omdat er tooneelen in voorkomen en er theorien in verkondigd worden, die alles behalve geschikt zijn voor jeugdige gemoederen. Het is zoo onnoodig om den sluier van wat volwassenen doen en zich veroorloven, ‘te vroeg op te lichten’. Het kleine jongetje in het boek behoefde het ons nauwelijks te zeggen. Wat begint het boek aardig met die speelplaats waar de schooljongens aan het ravotten zijn, hoe levendig staan allen ons voor den geest. We volgen de jongens verder op hun levensweg, zien ze worden van kind tot knaap en van knaap tot man. De zoon van den predikant en die van den koster zijn met den ‘candidaat’, wiens naam nooit genoemd wordt, de hoofdpersonen van het boek. De zoon van den koster bemerkt reeds als kind dat hij meer ziet dan anderen. Hij heeft het tweede gedicht en op een geliefkoosd plaatsje tusschen de boo-

[p. 360]

men niet ver van zijn huis, kan hij zich ongestoord overgeven aan wat hij denkt en ‘ziet’.

‘Iemand staat open’ voor hem, zooals hij het noemt, als hij diens gedachten lezen kan of op diens gezicht ziet wat zijn plannen in het volgend oogenblik zijn. Zoo ziet hij ook ‘in den hemel’ en wat hij daar zag blijft hem heel het leven bij. De liefde voor zijn broertje, dat hem zoo vroeg ontnomen wordt, is zijn eerste groote verdriet, wat heel zijn leven beinvloedt. Die liefde heeft den schrijver zijn fijnste en mooiste gedachten ingegeven. Door de natuur reeds anders dan anderen is het niet te verwonderen, dat Jens, de kosterszoon, zich aangetrokken gevoelt tot de mystiek en zelfs tot de theosofie, waar hij zich zoozeer aan overgeeft dat hij er in verward raakt en een einde aan zijn leven maakt door wat meer nuchtere menschen een treurig misverstand zouden noemen. Ik herinner me niet, dat de mystiek en de theosofie in eenig ander boek uit het Noorden zoo'n voorname rol spelen als in ‘de Steen der Wijzen’. Ik verdenk er den schrijver zelfs van dat hij op die manier zijn eigen denkbeelden en opinies aan den man heeft willen brengen, en men moge er van denken wat men wil, ‘une nouvelle note’ is dit zeer zeker in de Scandinavische literatuur. Ik weet niet of de schrijver zich bewust is, hoe hij door alles heen, hoe zijn theosofische theorieën ook klinken, een ernstige geloofsbelijdenis aflegt, waarin niet ‘de nieuwe God’, waarnaar volgens hem het menschdom haakt, maar wel degelijk ‘de oude God’ uit het Boek der Boeken de hoofdpersoon is. En met al zijn schertmutselen met mystiek en theosofische ‘waarheden’, geeft de schrijver toch een waar beeld van den tegenwoordigen tijdgeest. Hoevelen zoeken en tasten naar een houvast, die den waren God, het troostgevende geloof, verloren hebben... of nog niet gevonden! En hij toont aan hoe zelfs een zondaar zich bekeeren kan en juist tot inzicht komen kan door de misdaad, die hij bedreven heeft, en wat meer is, hoe de zondaar dat zelf inziet en bekent.,

Ook eenige teere, mooie vrouwengestalten trekken ons oog voorbij. Tine, vooral Tine op haar sterfbed, blijft ons bij en dat niet alleen omdat zij na ‘broertje’ het hart van Jens het meest vervulde. Toen ik

[p. 361]

aan het begin van dit korte opstel zeide dat het mij voor oogen duizelde, was het vooral omdat er zoo oneindig veel in het boek gebeurt en het aantal personen dat ons oog voorbijglijdt zoo groot is. De hoofdstukken zijn kort, besnoeien hier en daar aan de wijze van voorstelling van Herman Bang, en staan dikwijls geheel op zich zelf, doch passen zich toch bij de andere aan en helpen tot het vormen van een geheel. Het vele gebeuren in het boek werkt onrustig, soms bijna afmattend. Als men nauwelijks een vierde van het boek gelezen heeft, hebben we reeds een geboorte en een sterfbed gehad, een huwelijk, een verleidingsgeschiedenis en eendiep kinderverdriet. Verscheidene personen komen en gaan om als figuranten op het theater niet meer te verschijnen. Naast de hoofdpersonen speelt ‘de candidaat’ een belangrijke rol. Dikwijls treedt hij op als Jantje contrarie, als de schrijver zijn theosofische theorieën luchten wil, een enkele maal als een deus ex machina als de schrijver vast raakt in zijn beweringen. Ik voor mij zie in dien ongenoemde het gezonde verstand van den schrijver zelf, misschien diens wezen gezien van zijn ‘onder-bewustzijn’...

Grijpt men gretig naar het boek in de hoop daarin ‘de Steen der Wijzen’ te vinden, dan volgt teleurstelling. De ‘Steen der Wijzen’ wordt er niet in gevonden, maar wat men er wel in vindt is de overtuiging van den schrijver dat de mensch tot de erkentenis komen moet van de ware idealen van het bestaan, ten einde de behoefte in zich te voelen opkomen om den weg er heen te vinden.

terug  begin  verder