Weer een die voor mij valt! Een der meest geliefden, der getrouwsten. Hij, die niet genoeg had aan vier honderd jaar, naar hij beweerde, om zijn genoegen in 't leven, zijn vreugd van 't leven, uit te vieren, wordt op enkele dagen door den dood verrast en weggerukt. De blijmoedige en fijne, de zoo warm en gul van harte, de volksdichter, de smaakvolle kunstkenner, de beminde dorpsherder, hij is niet meer onder ons!... Wat een leemte! Wat een verdriet!
26 jaar is het, op een klaren Aprildag, dat wij - Hilda Ram en ik - naar 't Kamp van Beverloo togen, om kennis te maken met Cuppens, die er bij zijn vriend Lenaerts verbleef. Wij lieten de twee jonge priesters raden wie Hilda en wie Mieke was, en natuurlijk was het juist omgekeerd. Van daar gingen wij naar Beeringen,, naar Cuppens' ouders, den ‘onbewusten dichter’, Vake en het gulle Moeke. - Na haar dood heeft Cuppens mij altijd ‘Mieke Moeke’ genoemd, terwijl hij voor mij steeds ‘Cupken’ was.
Want van elkander hebben wij veel gehouden. Wij voelden en dachten samen, waren te akkoord over alle groote levensvragen: eenvoudig geloof en warme vaderlandsliefde.
In zijn ‘Verzekens’ heeft pastoor Cuppens zijn eigen beeld te voetenuit geteekend: rond en gul, wars van alle pretentie en aanstellerij, van alle naäping van vreemd gedoe, zooals het staat in de voorrede van zijn jongsten bundel: ‘Verzen om voor te dragen’, die mij voor enkele dagen toekwam. Als een soort testament klinken nu die woorden: ‘Want menige Vlaamsche men-
schen - en ik ook - vinden dit verhollandschen onzer schoone Vlaamsche jeugd al bijna zoo aapachtig en dom als het verbeulemanschen ervan uit vroegeren, droevigen tijd! Laten wij toch al les doen wat mogelijk is om ons eigen te zijn en te blijven!’
Hij was zich zelf: een echte priester en een echte Vlaming. Een volksvriend en een volksdichter.
Daar voor mij geuren die violetten, waarvan hij dichtte:
Ieder jaar brachten die bloemekens mij die verzen voor den geest, zooals menig lied uit zijn ‘Jaarkrans’ onafscheidbaar is geworden van zekere kerkplechtigheden. Nu zal de Mei ons telkens ook weer brengen het beeld van hem die trouw zijn Heer, zijn land en zijn volk heeft gediend - den overgetelijken vriend, die zulk een leemte in 't leven laat, maar die, wij vertrouwen het, niemand van ons daar boven zal vergeten.
1 Mei 1924.
M.E. BELPAIRE.