‘Venite gentes carpite - ex his rosas mysteriis.’
(Hymnus van den Rozenkrans.)
Mijn hoofd sprak eens tot mijn hart:
‘Laat ons samen een treurspel dichten’, en dat is gebeurd.
En tot de personen, die stil en na levend werden in onze geest, zeiden wij: spreek! - en zij spraken. - Het waren:
De Bruidegom en de Bruid, de dochters van Sion of de vijf wijze en vijf dwaze maagden, waaronder wij herkennen: Tabitha, Ancilla, Veronica, Maria van Magdala en anderen. Verder de Pontifex en de Pharizaeër met zijn blinde Sirach, de Schriftgeleerde en de Raadsheer. - Voorts de Landvoogd met zijn Dochterke, alsmede de Centurio en de Soldaat. Eindelijk de Vriend des Bruidegom of zijne Schim en de Satanische List in de raafzwarte omhulling van een oud en venijnig vrouw-mensch. -
Priesters, soldaten en volk, - waaronder de woordvoerder Juda en de hoofdman Jaïrus, leiden wij, waar ze ons, al zinnende, te pas kwamen, ten tooneele en de hemelsche Chorus lieten wij zinrijke zangen zingen of passend begeleiden.
En toen wij ons spel voltooid hadden - het was op de vooravond van die wondere en genadige levens-dag, wiens eerste lichten ons bevend van eerbied en verrukking vond op de Heilige Berg - zeiden we: ‘Deo gratias!’ en schreven nog deze prologus, die wij nu met klare en duidelijke stem zullen aanvangen te zeggen:
‘Sederunt principes et adversum me loquebantur.’