
VERRIJZENIS VAN CHRISTUS P.P. RUBENS
Voor enkele dagen bezocht ik de kathedraal en had daar bij toeval een grooten meevaller, die me noopt tot schrijven.
'k Bezag onder dreunend orgelspel (er was ergens een herhaling) de twee groote Rubenstukken. Het is een heerlijk ding Rubens te bewonderen bij dreunende orgelmuziek. Dan zocht ik naar Moretus' graf om er den ‘Verrezenen’ te vinden. Hij was er niet; zelfs 't mausoleum vond ik eerst niet. Op de plaats, die 't bekleedde, was men bezig een groot schilderij van Janssens ter eere van de gesneuvelden op te hijschen.
Doch over deze schilderij en wat ze voorstelt, heb ik niets te zeggen. 't Gaat over de ‘Verrijzenis’ die 'k dan terugvond in de sacristij en nu eindelijk eens van dichtbij mocht beschouwen.
Dat ze moet wijken voor een andere schilderij zou op zich zelf niets te beteekenen hebben, zou zelfs een heugelijk feit zijn, indien men maar van de gelegenheid gebruikt gemaakt had, om dezen schat der Kathedraal eindelijk eens tot zijn waarde te brengen. Tot nog toe kon men hem niet genieten: zichtbaar was hij zelf niet; hij hing te hoog en was te slecht verlicht. Nu heeft men 't mausoleum naar de achterwand van dezelfde kapel overgebracht op dezelfde hoogte en in even slechte, zooniet slechtere, verlichting.
Het is spijtig.
De ‘Resurrexit’, zooals de koster 't noemde, is een kapitaal werk. 't Valt in Rubens' eerste glorieperiode, juist op haar hoogtepunt. Tusschenin de Kruisoprichting en de Afdoening van 't Kruis werd het geschilderd in 1611 tot midden 1612, toen Rubens de volle macht van zijn jeugd uitstortte, zoo geweldig dat hij, hij ook, een paar jaar vermoeinis en verzwakking daarna doorleefde van 1613 tot 1615.
't Staat nader bij de ‘Kruisoprichting’ dan bij de ‘Afdoening’, niet in dagteekening, maar in zijn be-
zieling: Rubens' jeugd jaagt er ongetoomd in door, zooveel macht gebruikend als hij er voelt.
Beperking en matiging kent hij hier evenmin als in de ‘Kruisoprichting’. Wie in zijn macht de volheid draagt mag dit alleen. Voor de overigen geldt: in 't zich beperken triumfeert de Meester, en voor hem: in zijn onbeperkte machtsontplooiing triumfeert God. Wie van God de volle maat der kracht kreeg, mag ze uitstorten en volheid zal er zijn. De Grieken bereikten de volheid van 't menschenideaal langs beheerschte, rustige lijnen, Rubens langs de heenbruisende beweging en de schitterened kleur. Des levens blyden, springalen, stormrammen zijn al de mannen van de Kruisoprichting; deze Verijzende is een trillende, daverende zonnestraal, is een bliksemflits uit de donkere doodswolk.
Uit den nacht schiet hij op: zijn linker been ontrukt er zich aan, de grafnevel belet het te glansen, doch de lendenen gloriën en de romp is één levensgetril, hij rijst al wentelend op zijn as in de hoogte, gelijk de hemellichamen. Als een cosmische kracht doet dit gezicht aan, al is 't ook maar aangeduid en door een ongezocht spel van de houding teweeg gebracht: het rechter been heeft zegevierend post gevat op den rotsrand en doet den romp naar links draaien, naar de hand die 't zegevaandel opbeurt: een heerlijke speling van draaiende, rekkende spieren, opwelvende ribben, opgolvende borstwulven en schoudervoluten; daarboven rhytmeert het hoofd met den romp mee als een tegengewicht. Het is een wonder van jeugd: zij doet de bolle wangen zwellen, den haarbos weelderig fladderen, als de mane van een jongen leeuw, zij doet den blijdsten vreugdeblos stoutrood op die wangen lachen, en de oogen van den helderen reus met kindergretigheid naar 't nieuw leven schouwen.
Wat een kind is die Rubens! Wat een heerlijk kind om die hoogste oogenblikken der historie zoo frisch, zoo sterk, zoo vol leven te durven aanpakken, den toeschouwer met het aangezicht tegen de werkelijkheid te duwen, zijn vreugde zonder palen mede te deelen, de Passie spoorloos te doen verdwijnen, aan eeuwige jeugd en vreugd, verlossing en herleving te gelooven en te doen gelooven!
Ille Lucifer qui nescit occasum; hier staat hij.
Wordt gij niet gelijk de kleine kinderen, 't rijk der hemelen is voor u niet!’ Ook niet het hemelrijk der kunst. Maar Rubens is allermachtigst het kleinste kind. Geleerde, vorschende, redeneerende kunst bereikt nooit het ideaal; zelfs de grootste baanbrekers in de kunst wijzen er enkel naar maar vatten het nooit. ‘Men is er in eens of men is er nooit’ is de wet van 't allerhoogste in de kunst; de machtigen, die kinders zijn, treffen 't in eens al spelend. Wat een wonder van vorschersvlijt, pionniersdurf, kennis en wil is b.v. Mantegna, de baanbreker op zoo menig kunstgebied; nooit echter kan hij tot op de toppunten gaan staan, waar de ruimte de onze wordt, 't licht uit de oneindigheid ons toesiddert en heel de wereld aan onze voeten ligt... Rubens wel. De kruisoprichting is zoo 'n toppunt van gesublimeerde kracht: 't stormt op heel de wereld nergens 'lijk op deze rots, nergens ook wekt storm zoo een mateloos vreugdegevoel. 't Orgel in de kathedraal speelde, zei ik hooger: 't spel was goed, 't dreunde en zwol en deed de kerk daveren... Goed zoo! sterker maar!... de bassen gingen aan 't brieschen. - Maar de stormsymfonie van de Kruisoprichting zwol in 't oneindige daarboven, naar de zielsbevrediging. 't Hart des storms is opperste rust; zoo doet het biddend Christushoofd aan en de heele stille Christusreus te midden van die ontketening, 'k Voel al 't Vlaamsch oergeweld en ook de mogelijkheid van de Vlaamsche mystiek. - Rubens Ruusbroec! ‘Woeste stilte! Stille storm’ schreef de laatste.
Ook de ‘Resurrexit’ is zoo een toppunt. Door de geweldige stoutheid van den schilder, die maar bij een kinderziel te vinden is, verheerlijkte die gestalte zichzelf door haar gezondheid, volheid, blijheid, bloei, door al de schoonheid van haar kinderlijk machtig Vlaamsch ras; zij was de Verrezene daardoor alleen, zonder graf, soldaten, engels; heel 't Vlaamsch ras steeg in Hem op maar boven zich zelf: alle Vlaming voelt er zich in en er zich onder. Zoo voeldende Grieken in hun hoogste werken het Grieksche en even sterk wat boven heel 't volk der Grieken geklommen was. Men moet echter deze gestalte met kinderoogen
aanschouwen; dat men zich geve en ze zal nemen; ze zal alles meenemen naar... nu maar naar een oogenblik zaligheid. Engeltjes gluren in de gloriewolk rond om Christus hoofd... hier is hun plaats; soldaten rollen holderdebolder over elkander... 't kan niet anders; een van hen durft den Verrezenen aanzien en zijn aangezicht krijgt alle doodsverwen: de aanblik van 't volle leven moet meejubelend leven te weeg brengen ofwel doodelijken schrik...
Waartoe verder te beschrijven? De ‘Resurrexit’ is de derde schat der Kathedraal, staande ook boven ‘O.L. Vr. Hemelvaart’. - Waarom krijgt hij zijn plaats niet in de Kathedraal?
Uit pieteit jegens Jan Moretus? Balthasar, die de bestelling deed en betaalde, was een innig vriend van Rubens, en schennis van den geest zijner gifte ware het allerminst, die schenking tot hooger waarde en beter bekendheid te brengen, met haar een plaats te geven waar ze tot haar recht komt.