i.s.m.
[p. 537]
Geluk.
door Frans Delbeke.
IV
.
Als ik nu 's morgens de oogen open doe
De jonge zon spint licht om het hoofd van mijn vrouw
Of de regen striemt op de ruit - oh, de dag wordt grauw
-
Geen vloek meer tusschen de tanden
En geen steigren van 't hart
Om de rampzaligheid van weer een dag - weer een dag
-
Een kruis als eerste groet voor mijn lieven Heer
‘
Jezus ik heb U lief
Heb me lief
’.
En dan hoor, hoe het klokje tingelinglingt,
Vreugde die dan plots in me zingt:
‘
Gij wacht op me, Jezus, ik kom
’.
Ik ga... ik ga waar de disch staat gezet
(Oh ik kan niet meer leven zoo ik Hem niet eten mag
Iedren dag.)
En thuis gekomen: mijn vrouw die me zoent, mijn kind dat lacht,
En mijn werk dat wacht.
Ik duikel onder in de vreugde van een nieuwen dag
.
Geen uren meer van mateloos vervelen
(Stromplende kreuplen naar den eindlijken avond
En de nacht alleen brengt ontferming)
-
Ik laat me drijven - 'k weet niet waarheen
-
Maar het kan me niets schelen - heeft het leven wel een doel?
-
Oh grauwe synthese van mijn trieste jeugd
...
Geen uren meer van machtelooze opstandigheid
En vloeken:
Oorlog - soldaat, in 't gareel
-
[p. 538]
Obussen draaien
-
(Ik: voor actieven dienst niet goed bevonden)
In mijn snorrende jachtende hoofd
Dag aan dag die martlende strijd
‘
Gij vermoordt uwe broeders
’ - ‘
Uit gehoorzaamheid
’.
Foltrende tweespalt: geweten of plicht?
-
En dan, Heer, uren van wanhoop
Waarom hebt Gij mij verlaten?
En zie ik u niet meer - zie ik niets meer
Is er niets meer
Niets meer
Het leven een Hel
.
Maar in mij iedren dag nu de blijheid van mijn Eerste Communiefeest
En de helderheid van een rimpelooze beek
.
Want nu weet ik wel dat het leven ernstig is,
In mij schrijnt nog geheugenis
Van zooveel kommer en verdriet,
Maar nu rust ik veilig in Uw hand
.
Ik weet:
‘
Tout ce qui arrive est adorable
’
-
Oh Léon Bloy die me dat leerde
-
Het leven is schoon
En de wereld een bazuingeschal van vreugde
.
Zie, mijn vrouw heeft mij
‘
morgen
’
gekust,
Mijn kindje speelt en lacht,
Ik ga waar het werk op me wacht
.