terug  begin  verder
[p. 563]

C.S. Adama van Scheltema overleden
door Gerard Walschap.

Het is zoo'n mooie zondagsche Mei-avond en zoo rustig in 't stil dorpke. Een is met zijn zusjes wandelen geweest. In de weiden hebben ze samen margrieten geplukt en heele bosjes vergeet-mij-niet. - Een der zusjes heeft verrukt in haar handen geklapt voor de vondst van een heele partij bloemen.

Ik heb toen gedroomd van een ver hollandsch dichter. Ik heb hem nooit gezien; in leeftijd, opvattingen, geloofsovertuiging verschil ik met hem; maar zijn beeld, nu hij onverwachts in 't begin dezer witte maand Mei komt te sterven, maakt mij wonder weemoedig, als had niet Holland een dichter verloren of de nederlandsche literatuur de vertegenwoordiger van een school, maar als ware mijzelf ontvallen iemand die mij van heel nabij te vriend was. Ik hield van C.S. Adama van Scheltema zonder het te weten. - De dood heeft mij die genegenheid doen ontdekken, zoo onbewust was ze, zoo spontaan.

Was het 't verrukingsgebaar van het meisje dat mij deed denken aan hem? of had, terwijl ik aan hem dacht, dat gebaar zijn gebaar geteekend voor mij, zijn levensgebaar? Terwijl ik nu, om over hem een in-memoriam te schrijven, rustigjes over de dingen nadenk, dunkt mij: het was dat laatste.

Het levensgebaar van Adama van Scheltema: die verrukking van het kind in de groote schitterende wereld. Ik heb altijd veel en graag bewonderd maar onder de dichters weet ik geen waarvan men echt kan gaan houden zooals van hem. Wat den mensch beminnelijk maakt dat is het kind in hem. Wat het kind beminnelijk maakt dat is de eenvoud. Carel Steven Adama van Scheltema was een kind zoo simpel.

Het schijnt dat hij groot was van gestalte, breedgeschouderd en nogal gezet, een blozende kerel met een wilden Sudermann-baard, donker van haar en van oogen. Het mag zijn, maar als dichter was hij een kind, een groot, heerlijk kind.

[p. 564]

Hij stond in de wereld en klapte in zijn handen, want vond ze mooi. De witte wimpel der zon die 's middags uithangt aan den blauwen gevel der ruimte, de groote munt der maan tusschen nikkeltjes van sterren op het blauw laken der nacht, de feestelijke pluimbos der wolken, de bonte drachten van al de seizoenen, hij vond dat allemaal zoo mooi. Met bloemen in de weiden, met wat wingerd aan een raam, met wat wind in zijn haren, met wat zon in zijn gezicht was hij gelukkig. Op een bank in den herfsttuin kan hij zitten en, als de wind wat gouden blaren blaast over zijn hoofd, neuren een wondermooi liedje; of de stille verblijdenis van een bescheiden lentebloem gaat hem doorzinderen van een argeloos mooi genot, ofwel fluistert hij een minneliedje zoo diep en oprecht dat u, die het hoort, de oogen vol tranen schieten zooals hem die het fluistert.

Hij is een kind en zoekt noch woorden noch gevoelens. Zoo stond hij in Gods groote natuur.

Zoo stond hij ook in het leven tegenover de groote levensvragen: kind.

Hij was socialist. Van jongs af geworden aan het Amsterdamsche gymnasium waar hij studeerde (onder zijn makkers: de hoogleeraar in oude talen aan de Utrechtsche Universiteit, Bolkensteyn, en, een paar jaren jonger dan hij, Pieter Van Der Meer de Walcheren). En hoe hij dat werd zegt die zelfde studiemaat van hem, ook uit de sociaal-demokratie vertrokken, later onder leiding van Leon Bloy beland op het eiland der roomsche Waarheid, P.v.d. Meer:

‘De meest-idealistische intellectueelen onder de jongeren, die zich langzamerhand afgekeerd hadden van de ik-adoratie en het tot de spits gedreven individualisme der tachtigers, sociaal begonnen te voelen en nadachten met hun hart over het onrecht en de ellende die geleden werden in de maatschappij, vonden toen in Holland niet anders dan de sociaal-democratie, die hun jonge geestdrift een doel stelde.

Op koele beredeneering, op studie en verstandelijke overtuiging, berustte bij de meesten dat enthoesiasme niet. Je was sociaal - democraat, omdat 'n jong mensch nu eenmaal niet zonder een ideaal kan leven, en, edelmoedig als de jeugd is, geen onrecht kan zien zonder te protesteeren, en den armen en lijdenden

[p. 565]

iets van geluk geven wil, iets dat wat hoop en vreugde in de doffe oogen doet lichten.

Zoo ook was Adama van Scheltema socialist geworden... was lid geworden van de S.D.A.P., niet uit verstandelijke overtuiging, niet uit koel overleg, niet na lezing van “Das Kapital” van Marx, maar omdat, evenals vele andere jongeren die rond 1900 twintig jaar oud waren, hij hongerde naar geluk, naar een ideaal.’

Hij bleef socialist. Maar hij was te eenvoudig om fanatiek te wezen; om socialist te blijven zelfs was hij te kinderlijk-goed. Indien van hem gezegd wordt dat hij te vroeg is gestorven is het daarom: zijn heerlijke oprechtheid, zijn kinderlijkheid, moesten hem ten slotte de leegheid van zijn levensbeschouwing doen inzien, doorvoelen. Wie weet hadden zij hem niet veropenbaard de volheid en de geluksgenade van een katholieke leer die hij nooit had verworpen, daar hij ze nooit van naderbij had gekend. Staat inderdaad over die leer niet geschreven dat zij veropenbaard wordt aan de kleinen en de ootmoedigen van hart?

Voor hem was de sociaal-democratie geen leuze om er dagelijks voor te sterven. Gorter en Roland Holst erkenden niets dan het ijzeren dogmatisch systeem. Zij onderwierpen er hun kunst aan, maakten ze dienstbaar. Hij niet. Het was hem niet om het systeem te doen.. Hij was een man van niets dan eenvoudige goedheid. In simpele deernis over menschelijke ellende, spontaan in verzet tegen alle onrecht werd hij partijganger. De sociaal-democratie bleef hij aanvaarden daar hij te weinig denker was om zichzelf een ander levenssysteem te zoeken, en te veel kind om het belang van zoo'n systeem te overschatten. - Hij hechtte te veel gewicht aan de echte menschelijke waarde die ligt in het hart en den nobelen wil, die bestaat in zichzelf te geven aan den medemensch, om zichzelf te verliezen in een formule. Hij heeft zich gegeven met de blijde geestdrift van het kind, met de wilde dweepzucht die de nobelste karakters tot de heerlijkste dwaasheden drijft. Hij is de ‘rooie rakkers’ vooruitgegaan met liederen als klaroenen en daar is in de stoet geen vuriger-roode vlag gedragen dan die van zijn enthousiasme.

[p. 566]

Zijn liedren werden mondgemeen, zijn vuur verwarmde allen; ieder heeft van hem wat strofen, wat verzen onthouden en meegedragen. In zijn warm gemoedsleven heeft ieder eens of vaker weergevonden het eigen hart op zijn paaschbest. En zoo heeft heel het volk dat zijn taal leest en zijn verzen, zich weerspiegeld gezien in zijn schoon hart, heeft den eigen levensslag in zijn frisch woord hooren trillen. Dat heeft gedaan zijn enthousiaisme. Enthousiasme, wat gloed uit den hemel in de ziel van een kind, de sublieme dolheid die den egoïsten mensch zichzelf doet weggeven.

Zijn enthoesiasme dierf alles aan, ook ‘De grondslagen eener nieuwe pooezie’! (1908). Muf Holland vol conventie kon hij niet luchten, individualisme was hem te eng, te nauw, en, socialist, maat van ‘de rooie rakkers’, kon hij niets dan haat voelen voor de precieuze tachtiger-kunst die de gemeenschap verachtte. De dichter heeft een roeping, dat meent hij heilig en ernstig; onder al de menschen heeft hij een roeping waaraan de tachtigersche verindividualiseering voortdurend afbreuk doet. Kloos had gezegd dat het gedicht is de allerindividueelste expressie der allerindividueelste emotie. Hij, Adema van Scheltema, meent dat een gedicht moet zijn een muziekstuk van woorden en gedachten dat door zooveel mogelijk onzer medemenschen kan worden gevoeld en begrepen. Dat alles zal hij zeggen. Hij meent het eerlijk. Met de oprechtheid der eenvoudigen, met de bol-uitigheid der enthousiasten, met het geweld der gloeiendste overtuiging zegt hij het. Het is een groot, onevenwichtig, on-wetenschappelijk boek geworden.

Hij had toen reeds, ook in verzen, beproefd zijn inzichten te verdedigen; dramatische, lyrische, wijsgeerige gedichten: ‘Londen’ (1903), ‘Dusseldorf of de ontmoetingen van Petrus Cordatus’ (1903), ‘Amsterdam’ (1904) verschenen in den cyclus dien hij noemde ‘Levende Steden’. Wat beter dan die stedenbouw lukte ‘Meidroom’ (1912) een feestelijk verbeeldingsspel in 8 tooneelen.

Maar gelukkig dat hij die andere verzenbundeltjes schreef, de kleinere als daar zijn ‘Een weg van verzen, Uit den dool, Eerste oogst, Van Zon en Zomer,

[p. 567]

Zwerversverzen, Eenzame liedjes, Uit stilte en strijd, De keerende kudde’.

Een groot dichter is hij niet, maar de grootste dichter is niet zuiverder en echter dan hij. Het heeft hem ontbroken aan grootsch - ontroerend geweld en aan ideëelen diepgang, maar hij heeft alles bezeten dat een mooi mensch maakt. Heel de fijne, oneindigverscheiden gamma der gemoedsgeluiden van een mooi mensch ligt daar nu, na zijn sterven nog, teer en warm te zinderen en te zingen in die kleine bundeltjes verzen waarvan haast geen ooit zal worden vergeten. Men zegt dat hij een volksdichter is. Dat is hij niet, maar, fijn en verfijnd kunstenaar, heeft hij inderdaad het geheim gevonden van zoo'n natuurlijkheid en eenvoud dat zijn vers zal leven zoolang als alle volkskunst d.i. onder het volk zoolang als het volk.

 

***

 

Zelf had hij ook langer willen leven. De dood heeft hem verrast in zijn landhuisje te Bergen.

Sinds eenigen tijd was hij de vroolijke man niet meer. Was het de ontgoocheling over veel dat hij in zijn jeugd had aanbeden en dat hem nu practisch levensonwaarde beleed? Was het ontgoocheling over eigen levenswerk? Op zijn landhuisje stond: ‘In mij is aller streken rust’. Was echter die rust verstoord geworden en had hij in de ledigheid van eigen zielegewest heimwee gekregen naar nieuwe horizonten en den opgang van een anderen dag?

Och, had deze communist met zijn gouden hart en zijn armelijk, vaag pantheisme de ware leer mogen kennen welke in haar oorsprong heeft geleverd de eenige proeve van christelijk communisme die historisch niet gefaald heeft en waarvan de hoogste wet is een van liefde. Voor de liefde onder de menschen heeft hij steeds zoo geijverd. Mij dunkt nu: hij zou begrepen hebben en, zoo kort voor zijn sterven, blijder liedje gezongen dan het stil schreiende:

 
‘Bitter is de smaak van het leven
 
als van wilde vruchten in herfsttijd...’

Dat is het meest wat mij dezen avond om hem zoo weemoedig heeft gemaakt, dat deze nobele ziel met

[p. 568]

zoo blij-enthousiasten jubel het leven ingesprongen, dat leven moest beëinden in weemoed van zielsverlatenheid dat zij nooit heeft mogen zingen het stille magnificat om het gevonden Geloof.

God die goed is en den mensch tot het minste goeds ten goede rekent moge zich over Carel Steven Adama van Scheltema ontfermd hebben wanneer voor den dichter is opengegaan het ontzaglijk geheim der Eeuwigheid waarin hij zich smartelijk vergist had.

terug  begin  verder