Lambrecht Lambrechts. - ‘Het Zingende Vlaanderen’ (Duimpjesuitgave Nr 112). Prijs: 7 fr.
Duimpje brengt van alles in zijn klomp. Dit nu, mooi uitgegeven, met tal van portretten en een schat van wetenswaardigheden, zijn de verzamelde opstellen van L. Lambrechts over muziek en toonkunstenaars, met een woord, over ‘Het Juichende Vlaandren’. Die artikels, zoowat overal verspreid, die we uitknipten en die ons kwaad maakten... als we ze verloren hadden gelegd of ze niet bij de hand hadden als we wilden na slaan. Lambrechts weet er alles van, en hij vertelt boeiend over zijn zaken... ce qui ne gâte rien. Al de lezers van de ‘Muziekwarande’ zullen dit boek willen koopen en terzelvertijd, om van de prijsvermindering te genieten, misschien wel abonneeren op de Duimpjesuitgave. Want ook de uitgever haalt eer van zijn werk. Ik wed dat L. Lambrechts nog opstellen genoeg in portefeuille en in de maak heeft over het Zingende Vlaanderen, om over een paar jaar een tweede deel in Duimpje's klomp te leggen. Zou 't niet?
Dr V. Celen. - ‘Nagelaten Gedichten en Opstellen van Dr Stanne Serneels’. - Brussel, N.V. ‘Periodica’, Em. Jacqmainlaan, 127. Prijs: 5 fr.
De vrienden van den goeden Stanne zijn Dr Celen dankbaar voor deze daad van pieteit. Zeker, hadde de dood Dr Stanne Serneels gespaard, zou hij ons geschonken hebben mooie verzen, naast prozawerken, waarin een knap stylist, een fijn ziener en voeler zou hebben geschreven over het wel en wee, het leven en lieven van ons Kempisch landvolk. Zijn liedjes: ‘Als een meisje’ b.v. en ‘De Naaisterkes’ - op de muziek van zijn streekgenoot Firmin Swinnen - zullen nog lang worden gezongen. En vriendenhanden zullen ook nog wel vaak naar dit boekje grijpen om ‘Hazelnootjes’ en ‘Ontwaking’ te herlezen.
Warm aanbevolen.
J.S.
Dr A. Snijers. - ‘Karl Luython als Motetten-komponist’. - Uitgave der Vereeniging voor Nederlandsche Muziekgeschiedenis. Amsterdam, G. Alsbach en Co. 1923.
Een zeer lezenswaarde - in 't Duitsche gestelde - monographie over dezen Motetten-komponist, in 1554 te Antwerpen geboren. Luython was kapelknaap (Sängerknab) onder Jacob Vaet († Jan. 1567) en Philippus de Monte (1568-1603). Na een reis in Italië werd Luython Kamer-Musicus in Keizerlijken dienst. (Maximiliaan II). Later hofcomponist van Rudolf II te Praag - stierf in Augustus 1620.
Een zorgvuldig opgemaakte bibliographie zijner werken - Missen en Motetten - neemt het tweede deel van het boekje in beslag.
De Musicologen aanbevolen.
J.
Frans Delbeke en Gerard Walschap. - ‘Dies Irae’, tooneelspel 1 bedrijf, 3 h. 1 d. - Tooneelfonds ‘Het Masker’. Uitgave ‘De Vlaamsche Boekenhalle’, Leuven. - 2.50 fr.
Een stukje van twintig minuten. Juist de tijd voor den autodrijver om een gesprongen band van den auto af- en een nieuwen op te leggen. Middelerwijl loopt de auto-eigenaar, oud-minister en beheerder van de Nationale Bank, een nabijstaand huisje binnen (daar speelt ons tooneeltje) waar hij zijn oudstudiemakker vindt, die zijn vrouw heeft verloren, een vrouw die hem nooit heeft bemind... die zijn eenigen zoon naar 't graf heeft gedragen, die als kunstenaar nooit iets heeft kunnen verwezelijken omdat hij het moest afleggen in zijn strijd met den vorm en - die ten onder is gegaan? Neen, die gelukkig is omdat hij zijn leven en streven steeds heeft gesteld in het licht der eeuwigheid.
Een schril contrast met den welgedanen arrivist wien alles is gelukt, die bij gebrek aan zwaarte de hoogte is ingegaan en... en in zijn ouden dag ook wel eens aan de eeuwigheid denkten zal, als hem de tijd daartoe wordt gegund.
Scherper kon het niet. Mij stemt het stukje tot nadenken en gewetensonderzoek, Oud-Minister heeft geen tijd. Het gaat in volle vaart verder naar de algemeene vergadering van de Nationale Bank.
Tooneelactie, in den engeren zin, geeft het stukje niet; spanning van zielen, spel van karaktercontrasten, strijd met het woord, van 't begin tot het einde.
De taal is rijker, smijdiger dan die van ‘De Vrek’. ‘Dies Irae’ zal door ons patronaten en colleges gegeerd worden: immers een aangrijpend sermoen in tooneeldialoogvorm. Een welkome voorbode van wat we van die beider samenwerking voor ons christelijk tooneel nog mogen verwachten.
J.S.
Frans Delbeke. - ‘De terugkeer’, tooneelschets in drie tooneelen. Prijs 2.50 fr. Vlaamsche Boekenhalle, Leuven.
Schrijver noemt het een ‘tooneelniemendalletje’ dat niet ligt ‘in de lijn van zijn huldigen tooneelarbeid’. Inderdaad hier is weinig meer gegeven dan een bloot-dramatisch geval zooals de oorlog er zeker meerdere meebracht. Deze schets dateert dan ook uit den oorlogstijd, werd in Engeland en in het Engelsch geschreven, nu pas vertaald en aan Vlaamsch midden aangepast. Psychologische verwikkeling en ontwarring zoeke men hier niet. Eerste tooneel: Rudolf heeft zich in een dronken vlaag laten inlijven bij 't leger en loopt dronken weg. Tweede tooneel: Rodolf's vrouw, Else, is getrouwd met Rodolf's broer, Harry. Strijdmakkers hadden Rodolf zien sneuvelen. Opeens verschijnt Rodolf in de kamer. Derde tooneel: Else moet kiezen tusschen Rodolf en Harry. Zij is verplicht bij Rodolf terug te gaan en terwijl Rodolf en Harry, om Else, met revolvers tegenover mekaar staan, ziet Harry dat hij moet wijken. Hij werpt zijn wapen weg en vlucht. Else: ‘Zul
je goed voor me zijn, Rudolf?’ Rodolf: (op de knieën, omhelst haar de handen, snikkend): Elsie... Elsie... Elsie...
G.v.H.
Antoon Thiry. - ‘In 't Hofken van Oliveten en VII andere verhalen van simpele menschen’. - Vlaamsche Bibliotheek.
Pallieter heeft in zijn jongen tijd, in ‘Schemeringen van den dood’ rondgesukkeld en aan ‘Begijnhofsproken’ om-van-te-griezelen soms gedaan. Thiry, de gezel van Timmermans, is dààrbij gebleven. De zon en het speierende licht bleef hij schuwen, hij bleef verliefd op de wereldvreemde knusheid van Begijnhof-binnenhuisjes, de geheimzinnigheid van avond-donkere stegen en hoekjes en de belachelijk bijgeloovige benauwdheden van ‘simpele menschen’, rond wie steeds wonderen gebeuren 't zij van Gods macht, 't zij van duivelsche. Het lijkt mij bij A. Thiry minder een subjectief-psychologische, meer een louter artistieke manie te zijn steeds die drollige superstities en spokerijen op te zoeken. Hierin verschilt hij dan onzeggelijk van den fantast Edgar Poë die de razzia van zijn verbeeldingen moet uitvieren, niet anders kan. Hij staat tegenover Poë gelijk het gewild-planmatige tegenover het woest-geweldige van wat natuur is. De taal van Thiry, als men over 't hoofd kan zien een ziekelijke voorkeur voor verkleiningswoorden, is vol, smijdig en rijk. Te gezocht, te gewild-zonderling en vreemd is het verhaal van ‘Het verdoolde dichterke’ en als waarschijnlijkheid ten minste overdreven: ‘Het manneke van den duivel’. Veruit de fijnste en typiekste schets is de eerste ‘In 't Hofke van Oliveten’.
G.v.M.
H. Ghéon. - ‘Van den man die zei dat hij St-Niklaas zag’, vert. Pr. Thuysbaert. Tooneelfonds ‘Het Masker’. Vlaamsche Boekenhalle. Leuven.
't Mirakelspel is gekend. Trouwens Ghéon is ons zoo vertrouwd geworden dat wij hem onwillekeurig, in de haast van een opsomming, met de moderne vlaamsche tooneelschrijvers in een adem zouden noemen. De groote verdienste van den vertaler van dit mirakelspel. Ik zeg ‘de groote’ omdat deze vertaling een veel kleinere is. Om een reden, eerstens, die buiten vertaler ligt: dat het stuk zelf min verdienstelijk is dan b.v. de ‘doode te paard’ of de ‘gehangene’. Maar de rekening van Ghéon zelf hebben we niet op te maken. De vertaling echter mocht beter zijn. Sint Niklaas zegt: ‘Welk leven... welk leven... Ah, wil men een leven dan is dit er een!...’ De ander had moeten antwoorden: ‘Wilt ge slecht Vlaamsch, dàt is er!...’ De fransche ‘que’'s worden altijd vlaamsche ‘dat’'s: ‘dat men zich niet inbeelde’. Het gesproken vlaamsch voelt niets voor die ‘dat’'s. ‘Uit liefde tot God, bid ik u’ is behalve dubbelzinnig, on-vlaamsch. Men zegt: ‘om de liefde Gods’. - ‘Gij meent dus dat ik uitvind’ is verstaanbaar, maar fout. - Verdanchet, die dat zegt, is geen uitvinder. Een jongen ‘die met anderen vermengd wordt’ is er ook nogal erg aan toe in 't Vlaamsch. Er staat meer van zoo'n Fransch in deze vlaamsche vertaling en als ik er zonder plichtpleging tegen
opkom, is het omdat Gheon te schoon is voor een slechte vertaling en met den wensch, dat de vertaler zijn werk herzie om dit mirakelspel voor het volk te brengen in een taal die het de zijne voelt.
G.v.M.
M. Van Hoeck. - ‘Miriam van Magdala’, evangeliespel in drie bedrijven. - Palmer Putmanfonds.
Het heeft den schrijver in 1912 niet afgeschrikt dat zoo goed als alle nederlandsche evangelie- en bijbelspelen fiasco's geworden zijn of althans 't hebben moeten laten bij de hatelijke middelmaat die in literatuur banaliteit heet. Eigenaardig dat desondanks een oostersch kleed ons blijft verleiden tot het schrijven van bijbelspelen en wij dan fataal onze dramatis personae, met de plecht van de evangelische slagwoorden en van de bijbelsche psalmen moeten volstoppen: Na vele pogingen op ander literair gebied, ook in schilderkunst en zelfs in ascese, (b.v. de meditatiën van den H. Bonaventura en andere) om nl. het evangelisch gebeuren door eenvoud en verlocaliseering, als ik het zoo mag noemen, blijft de tooneelkunst meestal ten achter en houdt aan ‘locale kleur’. Locale kleur is er intusschen echter niet dan in het kostumage. Want niemand maakt ons wijs dat ook in het Oosten en ook ten tijde van Christus, de menschen niet simpel-weg spraken, babbelden, kletsten, - niet gewoon deden. En dat de goede Jezus zich aanpaste aan die eenvoudigen, alles is er voor en niets ertegen om het ons te doen gelooven. Wat de primitieven voor hadden met hun vermiddeleeuwschen van het evangelie dat is van alle tijden, mocht de moderne tooneelkunst van hen afleeren en, hoe betwistbaar ook in onderdeel, het werk van een Ghéon en het tooneelspel van Timmermans ‘Als de ster bleef stille staan’ zijn in dezen zin een poging waarvan de verdienste niet licht zal worden overschat.
Dit alles bij het evangeliespel van mijn goeden vriend Van Hoeck! Dit jeugdwerk van hem is een lyrisch stuk zonder groote tooneelmatige pretentie. ‘Hoofdzakelijk werd dit Evangeliespel geschreven voor gestichten’, zegt het voorwoord en het is wel zeker dat deze gestichten met Miriam van Magdala bijval halen. Onder de-vlaamsche evangeliespelen als ‘De verloren zoon’, ‘De Blindgeborene’, ‘Vrede op aarde’ en andere, neemt het gewis zijn verdienstelijke plaats in, lang niet achteraan! - Enkele opvoeringen, waarvan de laatste door den Vlaamsche-Meisjesbond van Maeseyck, hebben dit overigens reeds voldoende bewezen.
G.v.M.
‘Leven’, door J. De Waelheyns. Het morgenroodfonds, Ledeberg.
De bundel gedichten bezingt, in sonnetten meestal, dingen die nu precies niet van de poes zijn: ‘leven’, ‘Lente in Haspengouw’, ‘Smart’, ‘Liefde’, ‘Leven en Dood’. De verzen zijn soms nog minder van de poes... Het ontbreekt den dichter aan taalgevoel of -vaardigheid en zeker nog aan diepte. Hij loopt nog in zijn woorden verloren. Zijn woorden hangen
als honderden klokjes in zijn hart gelijk de klokjes aan het kostuum van een hardlooper: bij de minste beweging rammelen ze allemaal. Hij is er niet meester over. Hij moet ze nog leeren beheerschen lijk een beiaardier. Vijf sonnetten heeft hij nog noodig om te verkondigen hoe hij 's avonds zijn geliefde verwacht en om dan op slot van zaken nog niets gezegd te hebben. Dat is bepaald overdreven. Toch vindt men hier en daar een vers dat belooft en ons voor een volgende maal wat beter doet verwachten.
G.v.M.