terug  begin  verder
[p. 585]

Poeme missale
door Jan Hammenecker.

Confiteor.
 
Confiteor...... en hoofd en rug(1)
 
gaan zeer gewillig buigen:
 
confiteor: niet stijf en stug,
 
en 't steiger niet: deemoedig riet:
 
zoo 't hoofd en romp gebogen
 
en 't wegen van mijn oogen,
 
confiteor, getuigen.
 
 
 
Confiteor... O! Vingeren, steekt
 
uw toppen naar beneden,
 
dat, als Abussos openbreekt,
 
als ik gestort in 't ijle word,
 
ik niet te leelijk stuike,
 
maar sierlijk onderduike
 
naar de orde van mijn leden.
 
 
 
Ik val, en voele dat ik ga
 
gelijk een steen naaronder:
 
Abussos gaapt: van alzoodra
 
Gij breken laat den brozen draad
 
van mijn bestaan, dat aan is;
 
doch hic et nunc gedaan is,
 
behalve door het wonder,
 
 
 
waardoor Ge mij bewaart, o God,
 
die mij niet wilt verdelgen,
 
al ben ik, voor U, God, een spot:
 
een spuwtje, dat verloren spat,
 
een zwampje nauw geboren
 
en dood reeds en verloren
 
in 's Levens stâge zwelgen.
[p. 586]
 
Confiteor, o God, ik zwalk
 
in o! wat nacht, en 'k giere
 
gelijk een onbestuurde tjalk,
 
een dolend wrak, dat tolt en holt
 
verstootling aller stranden......
 
'k Zal zwalken... nooit meer landen,
 
tenzij me wie? bestiere!......
Eleison.
 
‘Pakt!’ kwaakt de knaap: hij ging te verre waden:
 
zoo diep niet wist dat hij het was.........
 
‘Nog verder door!’ was hij geraden:
 
en: lekker koel was 't in den plas.
 
Nu wordt hij paars geklemd: dat is verzinken!
 
hij roept benauwd 't benauwlijk ‘Pakt!’
 
Ei! Moeder!... Mag Uw Hans verdrinken?
 
Het knaapje scheeloogt, zwelgt en kwakt:
 
 
 
Ik ben die knaap! Hier! Hier! Iets... dat ik grijpe.
 
ELEISON! Christus! Uw Hand
 
't Verwurgerd Niet begint te knijpen:
 
Weg! 'k weer het weg met vuist en tand!......
 
ELEISON, die Petrus hebt gegrepen,
 
ELEISON!............ o Duizeling!
 
o Ziet! Daar schiet een licht - en - strepen:
 
geen zon verschoot met zulken zwing.
 
‘Wie zijt gij, Licht? Zon?’
 
Zoon van God den Vader,
 
Telg van het eeuwige Vandaag! -
 
‘ELEISON: Woord! Kom niet nader,
 
noch waar ik lig, U veel te laag!
 
ELEISON, Heer Christus, laat me zinken!’......
 
Hij licht mij naar omhoog! en... 'k sta
 
druipnat van zijn Genâ te blinken
 
en in den gloed van 't

'T GLORIA:

in excelsis Deo!
 
Blij teeken ik dien Gloria-boog,
 
en 'k jubel om dit Gloria!
 
dat ik, harop! ten hemelen sla,
 
alsof ter keel me vlam ontvloog!
 
Ik eisch het: jubelt, Allerhoogsten,
 
die rijp staat in 't alomme Ruim.
[p. 587]
 
Het licht is uw zeer edel kruim,
 
uw gouden licht, Excelsa, Starrenoogsten!
 
Ik zie, mij dunkt, den Landman gaan:
 
Jehovah door Zijn starrenlanden:
 
de starren buigen zwaar-gelaân:
 
hun aren schieten vuur: (hun graan!),
 
waar Jahwe reuzelt met Zijn handen!
 
EXCELSA: Gloria dien Boer!
 
En: zingen! die de seizen slaat,
 
Gods engelen, gij, die voer bij voer
 
van zonnenoogst en glorie laadt!
 
U glorie, ja, U, Starrenzaaier!
 
van elken engel-starrenmaaier,
 
U roem! om Uwe glorieschuren
 
vol gloed en oogst van zonnevuren!
 
 
 
***
 
 
 
‘o God, ik ben Uw armste stakker!
 
En toch: ik ben zoo stout te droomen,
 
dat ik zal mogen!... mogen komen,
 
en zeer veel gouden aren lezen
 
op Uw nooit af te lezen akker,
 
en, waar Gij rust, zal ik niet vreezen......
 
o Ruth bij Boöz!...
 
Doch Gloria!
 
niet meer om licht en zonnen
 
bij schepping U gewonnen,
 
neen; doch: om 't ongeschapen Licht,
 
dat eeuwig voor Uw Aangezicht
 
geblonken heeft, o Jehovah!
 
om Licht-uit-Licht, om God uit God,
 
om 't Woord-kristaal, waarin gij spraakt:
 
glashelder uitspraakt, wat U maakt
 
dien, wie Gij zijt: de Zijner: God!
 
U roem ik, U, zeer oude in jaren,
 
om de eeuwige jeugd van Uwen Zoon;
 
om deze Zon, die nooit begon,
 
en, Vader, om Uw eeuwig staren
 
op Hèm: Uw beeld oneindig schoon!
 
 
 
Wat is een hemel zonnen, Heer,
 
voor die Zich kent in zulk een beeld,
 
voor wien Zijn eigen Wijsheid speelt,
[p. 588]
 
voor wie van eeuwig heeft geteeld
 
zoo groot een Zoon: zoo groot een Eer!
 
 
 
***
 
 
 
Wat is gewicht, wat is getal:
 
wat is de Schepping, voor wie 't al
 
van eeuwig zag in Zijnen Zoon?
 
Uw glorie is deze dan: Uw Zoon!
 
Dien hebt Gij lief oneindig, Heer!
 
Dien geeft één-zelfde Liefde U weer!
 
o, Goddelijke slag en maat,
 
die van- en nààr elkander gaat:
 
Uw beider Liefde is God, Derde Persoon,
 
en even groot, en goddelijk als Gij,
 
o Vader, en Gij Zoon! Dat maakt me blij;
 
want dat is schoon, dat is aanbiddelijk schoon!
 
 
 
En ik bid aan Uw Liefde, en 't Lied,
 
dat Zij, de onzaggelijke, giet
 
in Uwen schoot zoo rijkelijk, dat
 
geen eeuwigheid het ooit bevat!
 
 
 
En! Muggen zijn we, en muggegonzen
 
is aller klokken samenbonzen
 
bij wat geschiedt
 
Daarboven
 
in de Loven
 
van 't eeuwig Pinksterfeest,
 
dat Gij beleeft, Drievuldigheid!
 
o Vader, Zoon en Heilige Geest.
 
 
 
***
 
 
 
Ik ga niet weg van dees beschouwen:
 
ik schei niet van dit Gloria,
 
tenzij Gij komt, Drievuldigheid:
 
tenzij Gij komt, en in me blomt,
 
o Blom, die bloeit uw eigen bloei
 
van één Natuur in drie Personen,
 
en, bloeiend dus, in ons komt wonen,
 
 
 
o Blom, die wit zijt in den Vader
 
en gouden in den Zoon,
 
en vuurrood in den Geest,
[p. 589]
 
o Blom, die zijt te gader
 
eenvoudig-enkele Blomme en driemaal schoon
 
in wit, goud, rood, en nergens meest!
 
Dat allerwege Uw glorie groei'!

Doctrina.

DE SCHEPPING.

 
Een gouden Hand uit blanke mouw
 
wijst.
 
Schouw!
 
Uit niet, in top voltooid, daar rijst
 
een glorieuze Bouw.
 
Dat wijzen was
 
der eeuwige Macht, die tijd en ruimte schiep,
 
en al wat is te voorschijn riep.

DE EERSTE ZONDE.

 
Een vrouwe schooner dan het vlas,
 
wiens gouden hart zoo diep,
 
wiens kroon zoo teederblauw is, -
 
een vrouwe rust in schâuw en gras,
 
dat nog vol dauw is,
 
en met haar vingeren fijn
 
bevoelt ze 't glad satijn
 
eens appeltjes: hoe kan 't zoo blozen?
 
Zij beet erin, de booze, en schaterlachte:
 
zij wist zich boos, boos, dat doende!
 
En nu geen Adam haar verachtte,
 
neen, haar meewarig zoende,
 
zoo deden zij te samen dubbel kwaad,
 
zooals, o proza, ja, dat bij de menschen gaat.
 
Zij waren ons natuur, zij waren wij!
 
Of zijt gij schooner soms dan zij,
 
die schooner dan het edel vlas,
 
zoo steil van stengel, zoo teerblauw,
 
zoo 't gouden hart vol ochtenddauw,
 
of zijn wij soms veel sterker dan
 
wiens naam is Adam, dat is Man!

HET DOOPSEL.

 
Geen eerste menschen loof ik,
 
maar het heilig Water;
[p. 590]
 
'k Loof 't Water, dat van uit den Niet
 
liturgisch liep,
 
liturgisch, daar de Heer het schiep
 
en tot een hoogere zending riep
 
dan schoon te zijn door ijl geklater
 
en geschater.
 
Het was voor God reeds toen
 
't onmisbaar Doopgerief.
 
 
 
Dies loof ik 't Water, en 't is me lief:
 
het moet noodzakelijk op hoofden plassen
 
en zielen wassen.
 
Daarom is 't Water luid van sprake:
 
omdat het heeft tot oppertake
 
te dienen, waar gij wordt geboren,
 
die God tot zoons heeft uitverkoren!
 
 
 
o Doopselwater goddelijk edel,
 
wanneer gij vloeit ten kinderschedel
 
bij 't murmelen der symphonie
 
eens namen opgelost in drie!
 
 
 
En 'k loof U, Water, U gewijde,
 
dat kwaamt geloopen uit de Zijde
 
van Hem, die zoo geleden heeft,
 
dat menigeen t bestreden heeft
 
als veel te wreed om waar te zijn.
 
 
 
Gods lijden leek hun(1) bloot een schijn,
 
doch, gij die zijt natuur en waarheid,
 
gij vloeit in echte waterklaarheid,
 
en geeft aldus getuigenis
 
dat God ook Zoon des menschen is.
 
 
 
Er liep toen ook uit 's Heeren Zijde bloed.
 
Ik zal dat bloed hoog loven boven 't Water:
 
Het is Uw Bloed, Uw Bloed, o Jesu zoet,
 
doch nu niet, Heer! Uw Bloed! Ik loof het later.
[p. 591]
Credo.
 
en zing nu 't Credo, dat ik als een ros
 
als mijn gevleugeld ros, mijn Pegasos
 
bestijge'dat het mij gezwind ten hooge rukke.
 
 
 
Op, Pegasos! Op, Credo!... Donker strekt
 
het ijdel ruim, waardoor gij snuivend nekt,
 
terwijl ik U met fellen hiel de flanken drukke.
 
 
 
Mijn weten is de nacht, waardoor gij streeft:
 
maar zie: 't is licht wat U den kop omgeeft,
 
en licht, alwaar gij zwaait met Uw twee groote vlerken.
 
 
 
Ge voert me fluks door alle kreitsen heen,
 
Gij stopt, en hinnikt fier en blaast tevreên,
 
als ge Uw vier hoeven plant ten vloer der hemelkerke,
 
 
 
alwaar wij staan verbijsterd door het Licht,
 
dat ik van aangezicht tot aangezicht
 
in eeuwigheid - niet treuren, Credo! - zal bestaren!
 
 
 
Omlaag gelijk een bliksemschicht... Het kind
 
ter Kribbe! - Credo, ja! Dat kind bemint! -
 
Gij rent te vierklauw op den Liefdeberg Kalvaren,
 
 
 
en rijdt mijn trots te pletter tegen 't Kruis!...
 
Gij steigert! Hop! 't Is Paschen, en 't gebruis
 
der Halleluia's klimt: en uit is 't Passierouwen
 
 
 
Nog draaft gij rond de Kerk, het Heiligdom,
 
waarin gestadig door als lampe glom
 
de vurige Tong van God den Geest, den Trouwe!...
 
 
 
Nu, Credo, kom en rust na zulken rit
 
ter koelte en schaûw en waar de Meester zit
 
om ons na zulken tocht te voeden en te laven.
 
 
 
Dat, ja, dat doet Gij, God, in elke Mis:
 
Gij schenkt aan die gelooft Uw lafenis
 
en spijze lekkerst na 't vermoeiendst Credodraven!
[p. 592]
Oblatio panis.
 
Ik beur op gouden schotel wittebrood
 
gebakken uit het fijnste tarwedons:
 
dat is een kostelijke waar voor ons:
 
't is Brood: waar brood gebreekt, heerscht hongersnood.
 
 
 
Wee hem, die dit: het noodig brood, veracht,
 
of wie niet buigt voor dit: het edelst graan
 
uit al de soorten, die te velde staan:
 
de tarwe: botermalsche kloekte en kracht.
 
 
 
Die tarwebrood mocht eten, staat vàst, kloek,
 
en wordt gewaar, dat hij niet anders kan
 
dan gaan, aldoor uw dag, gelijk een man,
 
in sterkte en licht, en 'k zeg het, goed als koek.
 
 
 
Aanvaard dan, Vader, 't brood, dat ik u bied,
 
als 't beste, dat het kroost van Adam heeft;
 
als 't beste dat uw vaderhand ons geeft:
 
want geeft gij niet, o God, ik hebbe niet.
 
 
 
Ik offer u dit brood, het komt u toe. -
 
en 'k bied u mèt die tarwe tevens aan
 
zooveel als met haar leven was begaan,
 
en zie! zij kreeg een halve wereld moe.
 
 
 
Ik offer u den akker, die ze droeg:
 
het was de zwaarste grond, die bronzig glom:
 
een schubbig schild, en elke schil lag krom
 
en bultig boos op driesten hengst en ploeg.
 
 
 
Ik offer U den stap en 't schoon gebaar
 
van hem die 't zaad den akker toevertrouwt,
 
zijn hoop naar U met wien hij rustig bouwt:
 
hij werpt het zaaigoed: Gij schenkt halm en aar.
 
 
 
Aanvaard de zonnestralen: thaumaturgen
 
bij wie de dood geen tarwe mag verwurgen; -
 
aanvaard den regen, die van uit den kwispel
 
der wolken druipt in stil devoot gelispel.
[p. 593]
 
Aanvaard den mist die boven avondland
 
en droomend groen zijn tentezeil uitspant,
 
aanvaard den dauw, die, 's vroegen ochtends, op
 
het prilste priempje steekt den fijnsten drop.
 
 
 
Aanvaard den lach der sterren, die bij nacht
 
den tarwelanden zijn een stille wacht:
 
mij dunkt dat overal waar tarwe groeit,
 
meer klaarheid uit den hoogen hemel vloeit.
 
 
 
Aanvaard den zomernacht, waarin de slag
 
der kwakkel klakt!... En dan, den schoonen dag,
 
de leeuwerk, die van uit het nuchtere veld
 
met gansch de ziel der tarwe naar U snelt.
 
 
 
Aanvaard het werk van boerenknechts en -meiden,
 
van al die graan of meel of brood bereiden,
 
aanvaard ook mij, die deze spijs U wijde
 
met wat ik deed, met wat ik leed en lijde.
 
 
 
Ik offer reeds hetgeen hier straks zal zijn:
 
Nog zal dit tarwebrood bestaan in schijn:
 
doch 't zal als broodzelfstandigheid verkeeren
 
waarachtig, wezenlijk in 't Vleesch des Heeren.
 
 
 
o Brood, ik had het vroeger moeten zeggen:
 
- doch mij weerhield ik weet niet welke vrees! -
 
wat ik hier straks ten Lijndoek neer zal leggen,
 
zult gij niet zijn. o Brood, maar Jesus' Vleesch!
Oblatio vini.
 
En hier is Wijn: loof ik hem niet,
 
Gij looft hem, Gij, die rijpen liet
 
de bessen, die te pronken hangen
 
met zooveel zon en zomer in,
 
dat hier in 't vonkelend vocht ervan
 
ik nog den luister speuren kan
 
van 's Zomers gouden keel en kin,
 
van 's Zomers ovenlaai ten wangen,
 
van 's Zomers oogen toovergloed.
 
 
 
Er zingt een Zomer in mijn Bloed!
[p. 594]
 
U zij die Wijn en 't gene erin
 
bleef tintlen, Heer! uw zonneschijn,
 
Uw zon, die, wijngeworden, nog
 
verwarmen wil eens ziel en zin!
 
 
 
Ik offer ook het milde zog
 
der Aarde, die met 't allerbeste
 
uit hare borst den wingerd leschte.
 
 
 
Ik offer U den Herfst, en 't zwieren
 
der ranken om het hoofd diens fieren,
 
die - ('t Is zijn dood, en zijn victorie!) -
 
het land bekroont met druivenglorie!
 
 
 
Ik offer U bij voorbaat 't Heilig Bloed:
 
dat offer is alvast U welkom! - Lacht
 
de landman blijde al loerend naar de pracht
 
van eigen wijn en wasdom en gewin,
 
voorwaar, o Wijnstokplanter, Gij niet min,
 
als daar omhoog uw Zoon zijn intrêe doet
 
met Wijn uit Uw Plantsoen: zijn goddelijk Bloed.
 
 
 
Aanvaard ook 't leekje water dat verging
 
in wijn als bij natuurvermengeling:
 
aanvaard medeen het menschelijk geslacht.
 
 
 
Aanvaard den Mensch uw Zoon, en ons, die zijn
 
in Hem met Hem, als 't water in den Wijn.
 
Aanvaard me: 'k weet het, 't loont de moeite niet:
 
ik vrees dat Gij met toornende oogen ziet
 
naar mij, doch, God, zie, bid ik U, naar mij niet.
 
Zie Jesus: ik ben boos, doch Hij niet, Hij niet!
Praefatio.
 
Ik ben, dien zag ik eens, hij vloog,
 
een vlinder, alover een vloed
 
zeer breed in het hoogst van de tij:
 
zijn vleugelen lepelden blij.
 
 
 
Ik zweef, en het water is hoog, -
 
Waar haalde die vlinder zijn moed?
 
zeer breed lag de stroom, - en ik zweef
 
zoo stout als die vlinder eens dreef.
[p. 595]
 
Praefatie, gij zijt mijn rivier. -
 
Hoe mooi dat die vlinder niet viel,
 
niet viel, maar genoot van zijn vlucht
 
zoo tusschen den vloed en de lucht.
 
 
 
Praefatie, 'k bewonder Uw zwier:
 
hoe vlindert, hoe vlindert mijn ziel,
 
gelijk toen die vlinder, die sloeg
 
dat 't wit van zijn vleugelen loech!
 
 
 
Hoe vol is Uw vloed, en hoe wijd
 
de hemel, die spiegelt daarin:
 
hoe blauw en hoe diep, en hoe wit
 
de wollige wolk erin zit.
 
 
 
Ik ben als die vlinder, en glijd
 
alover uw heerlijken zin,
 
waarboven ik sidderend waar
 
en diep - diepen hemel ontwaar.
 
 
 
Praefatie, 'k beweeg en ik blijf
 
in God, den almachtigen God,
 
den eeuwigen Vader, die leeft,
 
en adem en harte mij geeft.
 
 
 
Hem loven dat is mijn bedrijf
 
en, 'k word het gewaar, mijn genot,
 
Hem loven bij nacht en bij noen
 
gestadig zoo 't engelen doen.
 
 
 
Wie zingt er, wie zingt er in mij:
 
niet ik, die niet weet wat ik doe
 
tenware genieten een lot
 
dat duizelen doet van genot.
 
 
 
Per Christum, ... o Vader, 't is Hij:
 
zijn Canticum zijt gij niet moe...
 
en ik ben zoo blijde om den klank
 
van dezen U waardigen dank.
 
 
 
Ik wiegel, ik wiegel op 't lied
 
van Jesus, bewusteloos schier.
 
Dat lied is een lied als een vloed,
 
het lied van zijn goddelijk Bloed.
[p. 596]
 
Ik zag eens een vlinder: hij liet
 
zich neer op de schoone rivier;
 
zijn vleugelen staken omhoog
 
alsof daar een zeilscheepje toog.
 
 
 
Ik ben als die vlinder die viel,
 
dat bootje dat zeilde en ik zonk
 
in Jesus, den zingenden stroom,
 
en ik taste noch boorden noch boêm.
 
 
 
Ik hoor niet, ik voel hoe mijn ziel
 
in Jesus, in 't grootsche geronk
 
der zingende Liefde gestort
 
euphonisch doordrongen wordt.
 
 
 
En ik voel het Trisagion. Oh!
 
Kantere Jesu, zingt Gij dat zoo,
 
zoo vol dat het vult en vervult
 
't heelal met zijn heerlijke galmen,
 
en rijklijk den zetel des Vaders omhult
 
met Vader gevallige walmen.
Canon.
 
Ben ik nu... gelijk de profeet
 
Jonas, van wien het heet,
 
dat hij zong, zong, toen hem was
 
de zee rondom, de ronkende plas;
 
dat hij zong in die warme spelonk:
 
dien veilgen visch: wat hem schonk
 
lust om een loflied cantate te neuren
 
 
 
Eilaas! Duren bleef niet dat wonder gebeuren:
 
de visch gulpte Jonas op 't glinsterend droge;
 
hij stond en hij rilde, de man, en ten hooge
 
verhief hij krampachtig vingers en handen...
 
Niniven! klapten zijn tanden.
 
 
 
Ik beur zoo mijn handen ten hooge,
 
onthutst gelijk die profeet,
 
die dubbende stond, en de lippen zich beet:
 
‘Was 't wonder uit? Hoe was 't al geschied?’
[p. 597]
 
Zong ik daar ook in den ICHTUS(1) niet
 
Ik zong; - of, zong Ichthus, in me, zijn lied?
 
Ai, weet ik, hoe 't ging? Doch ik was,
 
dat weet ik, verzwolgen in Ichthus daar pas:
 
in Jesus, in Wien 't welzalig is,
 
in Christus, Gezalfde, en als zalve me zoet,
 
in Theou, Gods, Uis, Zoon, Wiens bloed
 
me redde: Sôtêr: Ichthus: Goddelijke Visch!
 
 
 
Christus eis aei (1) staat er geschreven;
 
doch, wee mij! 'k Ben niet gebleven
 
eeuwig in 's Visschen eeuwige weelde.
 
Hoe werd ik, eilaas! ik, die kweelde
 
tijd-onbedacht, uit die weelde gedreven?
 
 
 
Jammerde Jonas, toen 't wonder voorbij was,
 
wat zal ik doen, die zoo blij was
 
in Ichthus? - o Laat ik mijn handen opsteken,
 
mijn Jonas' ellende ten teeken!
 
En Jesu! kom me terug op het smeeken,
 
het smeeken van deze mijn handen,
 
die trillen zooals langs de landen
 
de popels, die 'k staan weet heinde en ver...
 
Kom me terug, kom me terug, o Heer!
 
 
 
Oho! Mijn handen wegen me zwaar!
 
Is zoo vermoeiend 't orantengebaar,
 
't wèl sierlijk heffen-der-handen?... Voorwaar!
 
handen hangen
 
graag naar omlaag!
 
En krieuwelt daarin een verlangen
 
om te doen als de mollen, het blinde ras,
 
dat wroet en voort onder 't lichtminnende vlas.
 
Handen wroeten en voren graag, al stieten
 
ze in den grond hun kneukelen stuk...
 
- Hopen zij te vinden in den grond het Geluk?
 
Eilaas, dat vinden handen niet zoo laag:
 
vulsel misschien voor mond en maag,
 
doch 't Geluk, och, och, dat vinden ze niet, en
 
dies gaan ons handen ook bijwijlen naar omhoog
 
doch 't Geluk is wuft lijk een vogel, en vloog
[p. 598]
 
nog nooit in opgestoken menschenhanden
 
Wee ook mijn handen; die slechts wanden
 
wat vliegende kaf
 
van geluk, niet hèt Geluk! - Laat af, handen, laat af!
 
Doch: Neen! En heil mij! En sursum, mijn handen!
 
Niet: dees handen, deze louter en alleen de mijne;
 
maar dees Handen wijleneer
 
door de Wijding, meer de Zijne:
 
Jesus' Handen geworden dan de mijne,
 
Jesus' Handen in dees handen houd ik sursum!
 
Ten hooge! Mijn handen: Zijn Handen!
 
Ten hooge! Want Hij mag, Ons Heer
 
Jesus-Christus mag Zijn Handen
 
wel degelijk naar 't Geluk omhooghouden.
 
Want Zijn Handen voeren ieder haar Wonde
 
Wonde geworden zijn dees Handen:
 
Wonden! Met randen, die branden,
 
heerlijke ronde roode Wonden.
 
Dees Handen zijn twee stortende schotelen Bloed,
 
goed, schoon, rood Bloed;
 
twee schotelen aanbiddelijk, theandrisch Bloed.
 
Sursum! In mijn handen mag ik Jesus' Handen,
 
ik - priester triomfantelijk omhoog houen...
 
en hopen op 't Geluk met gewettigd betrouwen.
 
Ik heb macht! Meer macht dan Mozes.
 
o Mozes, die, boven op den berg neergeknield,
 
zijn handen al smeekende verheven hield!...
 
Zege voor Josuë, die streed in het dal:
 
Amalec deinsde.
 
Zonken echter Mozes' handen:: Eheu! Geschal!
 
Zegegeschal uit Amalecs rangen!
 
Toen schepte moede Mozes nieuwen moed:
 
hooger stak hij zijn handen in de lucht,
 
tot het zonnelicht zonk en het krijgsgerucht,
 
tot opbruisten Josuë's zegezangen!
 
En ja, dapper hadden zij gestreden,
 
Josuë's benden in 't bloedige dal, daar, beneden,
 
toch wees de Veldheer Mozes' handen
 
dààrboven ivoorbleek op 't avondopaal der lucht geschreven:
 
die handen hebben den doorslag gegeven,
 
zoo sprak hij, looft Mozes' triomfantelijke handen!
 
Ik heb macht! Meer macht dan Mozes!
[p. 599]
 
Heiliger zijn deze verheven Handen,
 
en 'k beur ze van hooger op dan hij;
 
daar mijn berg Kalvaren is,
 
en er geen hoogte gevaren is
 
boven een berg, waarover Gij,
 
Jesus, Uw bloed hebt laten leken!
 
Is dat niet heerlijk hier zijn handen op te steken?
 
Zie! 't Gebaar van Moeder-Aarde lijkt één smeeken,
 
als blijkt uit haar bergen, die reiken
 
als handen van oranten omhoog.
 
Dat gebaar van der Aarde volmaken,
 
het door de wolken, tot in den hemel, tot voor het oog
 
des almachtigen Vaders opvoeren: dat is mijn gebaar!
 
Want Jesus' Handen, die verheven staken
 
op Golgotha, rijzen hier
 
even goddelijk almachtig en smeekende almachtig grootsch.
 
en fier, fier,
 
mag ik en met 't volste betrouwen
 
Jesus' Handen in de mijne naar omhoog houden.
 
Hij zelf was op Kalvaren derf en doodsch;
 
maar Zijn Handen bleven rood van Zijn Bloed,
 
bleven schalen met glinsterend bloed,
 
dat Hij gaf, dat Hij gaf en... nog immer blijft geven:
 
Zijn Bloed: àl Zijn Bloed en Zijn doodbloedend Leven.
 
Zoo smeekt Jesus almachtig. Wie smeekt er zoo goed
 
als Hij, die God was, en Zijn Bloed gaf: Zijn Bloed!
 
het zoo gevend alevel dat nimmer een mensch
 
zal meer doen dan Jesus de menschelijkste Mensch:
 
God smeekte zich dood: is er verdere grens?
 
Want houdt Hij Zijn Handen verheven
 
't is niet louter gebaar: het is géven
 
Zijn Leven, Zijn zeer lieve Leven.
 
Hem ook ja was 't leven lief!
 
 
 
't Leven, dat eerste, dat noodigst gerief!
 
Ja, 't was Hem (zijt des gewis)
 
lief... om de klanken, lief om de kleuren,
 
lief ook om spijze en om lafenis,
 
en om den rythmus van hart en van ader,
 
en om het voelen, het denken, het willen,
 
en om 't eenvoudige zijn, om het stille
[p. 600]
 
bestaan en beklijven in 't grillig rondom-gebeuren.
 
Lief is ons 't leven: ook Hèm is het zoet,
 
Hij geeft het nochtans aan den Vader,
 
Hij giet het uit beide Zijn Handen:
 
milde fonteinen van kostelijk Bloed...
 
Oho, dat menschelijk leven!
 
En dat het zoo zoet is, zoo zoet is! Om 't even:
 
Hij geeft het geheel in Zijn wegvloeiend Bloed.
 
Hij gaf het maar éens op Kalvaren,
 
doch 't altaar is 't eeuwig Kalvaren,
 
en 't zelfde bleef Jesus' gemoed:
 
nu nog: op deze doorluchtige Stonde
 
verheft Hij Zijn Handen en Wonden:
 
Zijn Handen en Wonden til ik omhoog!
 
 
 
En ik tril!... Wat is 't in mijn handen?
 
Mijn handen, mijn handen verbranden,
 
en toch kilt het leven eruit.
 
 
 
God, wordt me de gave des smeekens
 
bij middel van wondeteekens
 
geprent in de huid?
 
 
 
Dat mag ik, o God, niet gedoogen:
 
ik wil in mijn handen geen logen -
 
teekens van heiligheid!
 
 
 
Wel wou ik: dat ik méér lede:
 
'k verlang dat, en niet zonder rede:
 
geen priester is hij: die niet lijdt.
 
 
 
'k Ben ledig aan echte genuchten,
 
- hoe vreemd - als ik 't lijden zie vluchten:
 
ai! 't vlucht niet, ik vlucht het, ik vlucht!
 
 
 
Doch vlucht ik de goddelijke smarte,
 
al dadelijk zal 't hongerig harte
 
kraaien en krijschen naar lijdensgenucht.
 
 
 
't Hosanna'et zoolang als ik lijde
 
dan vier ik mijn hoogste getijde;
 
dan wandel ik rond in mijn Rijk!
[p. 601]
 
Nooit, Heer, heb ik voller genoten,
 
dan toen ik verdroeg onverdroten
 
te lijden, o Lijder, aan U wat gelijk.
 
 
 
Heb dank om dees hemelsche stonden,
 
waarop ik mijn handen als wonden,
 
als brandende wonden gevoel.
 
 
 
Heb dank om het koortsige rillen,
 
waar schouders en rug bij verkillen:
 
onderwijl is mijn hart in gejoel!
 
 
 
Heb dank om het plotsche verbleeken
 
van lippen, die zullen spreken
 
HOC EST... HIC EST... en verder voort...
 
 
 
Heb dank om mijn deinzende rede:
 
zij steekt vlug het zwaard in de scheede
 
en valt bij den slag van het woord:
 
 
 
het woord, dat omhoog komt gerezen
 
uit 't diepst van mijn priesterlijk wezen,
 
doch 't Uw is, meer dan het mijn.
 
 
 
Heb dank om het eendelijk kraken,
 
't losspringen aan ankers en haken,
 
't invallen van gansch mijn ‘zijn’.
 
 
 
Niniven, hoogheftig van wallen,
 
gij zijt niet zoo tragisch gevallen
 
als 't wezentje, dat ik me noem.
 
 
 
mijn stadje; ach! mijn puin nu, waar raven
 
geen brijzel meer zullen ontgraven,
 
noch bijen ombrommen een bloem!
 
 
 
Doch goed is 't bij wat hier gebeurde:
 
ik sprak, en mijn spreken beurde
 
Jesus op kruis en Kalvaren weer.
 
 
 
'k Vernieuwde dat ijslijk Begeven,,
 
dat kraken en barsten van 't Leven:
 
Hèt Leven, dat zijt Gij toch, Heer!
[p. 602]
 
Hier ligt in puinen dat Leven!
 
Wat is er nog overgebleven
 
van Jesus dan ach! wat hier ligt
 
 
 
zoo pover en zoo bescheiden:
 
hier 't Lichaam. daar 't Bloed, allebeide
 
zoo zonder een sprankeltje licht,
 
 
 
zoo zonder een sprankeltje glorie!
 
Kalvaren gelijkt een victorie
 
bij deze vol-strekte vernedering!
 
 
 
Gedaanten van bakte verbergen
 
het Lichaam, dat blank eens ten berge
 
vernederd, doch tevens, verheven hing.
 
 
 
Gedaanten van wijn overtiegen
 
het Bloed, dat geen druppel moest liegen,
 
maar Bloed mocht zijn en Liefde klaar!
 
 
 
Ai mij! Al lig ik verzwolgen
 
in gansche vernedering, volgen
 
kan ik den Heer niet tot daar!