Dr Th. Goossens ‘Franciscus Sonnius en de Pamfletten’, bijdragen tot zijne biographie door Dr Th. Goossens (G. Mosmans, zoon, 's Hertogenbosch, 1917 (233-88 - VII).
Bij het doorloopen der lijst van de gebruikte bronnen komt het wonder voor dat het Belgisch Rijksarchief niet vermeld wordt. A priori zou men kunnen zeggen dat er over Sonnius, rector der Universiteit te Leuven, die bisschop van den Bosch en later van Antwerpen is geworden, heel wat moest te vinden zijn in ons rijksarchief.
Dat Dr Goossens bij zijne opzoekingen Brussel ter zijde liet liggen hing van zijn vrijen wil niet af. De datum van zijn boek zegt genoeg: een Nederlander kon in 1917 zijn wetenschappelijke studiën in België niet naar beliefte doorvoeren; wat hadde misschien anders een zoeker als Dr Goossens aan Son-
nius-materiaal niet gevonden! Toch hadden we dan deze meesterlijke monographie nooit gekregen en ware de eerste gedachte, - het opmaken van eene wetenschappelijke biographie -, onmiddellijk ten uitvoer gebracht.
Bij 't onderwerp dat Dr Goossens thans behandelt: Franciscus Sonnius en de pamfletten, deed de noodzakelijkheid onze archieven te onderzoeken zich minder gevoelen; éénmaal slechts op blz. 22, waar het gaat om 't bepalen van een datum, moest schrijver tot gissingen zijn toevlucht nemen als 't openslaan van een register, te Brussel bewaard, die moeilijkheid kan oplossen.
Laten wij hopen dat Dr Goossens, niettegenstaande zijn zware en drukke bezigheden als leider der Roomsch - Katholieke leergangen te 's Bosch, den tijd zal weten te vinden om zijn oorspronkelijk plan door te voeren; want deze doctorale thesis doet reikhalzend uitzien naar het verdere werk van dezen historicus, die den instinctieven speurzin, de taaie werkkracht, den kritischen en synthetischen geest van den echten geleerde in hooge mate bezit. Dr Goossens weet zijn onderwerp, schijnbaar zoo bescheiden en beperkt van uitzicht, zoodanig in zijn historisch kader te plaatsen dat een groot brok der XVIe eeuw, met hare godsdienstige beroerten, levend voor ons komt te staan. Het Leuvensch midden, brandpunt van contra-reformatie, de inrichting der nieuwe Bisdommen en de aanstelling der nieuwe titularissen in de Nederlanden, evenals de inquisitie en de godsdienstprocessen worden aan de quaestie der pamfletten vastgeknoopt; en Dr Goossens, zonder maar een oogenblik zijn doel uit het oog te verliezen, weet deze vraagstukken soms langs een nieuwe zijde te belichten. Laat ik maar b.v. noemen het oordeel dat schrijver velt over de nieuw benoemde bisschoppen; volgens sommige protestanten waren het allemaal nulliteiten, volgens sommige katholieke apologisten allemaal sommiteiten. Dr Goossens bewijst dat de waarheid in 't midden ligt. Een stuk uit Het Vaticaansch Archief - de informatie van 1566 over de Nederlandsche bisschoppen - ook als bijdrage gepubliceerd, waarin sommige bisschoppen geloofd, anderen gelaakt worden (b.v. episcopum Harlemensis epicurum potius agit quam episcopum) wordt door Dr Goossens op grond van feiten in 't gelijk gesteld.
Doch komen wij thans tot het onderwerp zelf Sonnius, volgens zijn waren naam Van de Velde, was te Son, bij Eindhoven, in 1506 geboren; hij werd dokter te Leuven in 1539, en in 1543 tot rector der Hoogeschool verheven. Toen reeds trad hij op als inquisiteur. Later heeft hij in Nederland vele inquisitie-tochten ondernomen. Tweemaal nam hij deel aan 't Concilie van Trente; in 1552 vertegenwoordigde hij met twee collega's de Universiteit op het twistgesprek te Worms; in 1558 werd hij door Philips II met de taak belast de invoering der nieuwe bisdommen in Rome te bepleiten en wordt hij dan zelf ten jare 1562 als een der nieuwe bisschoppen aangesteld in den Bosch. In 1570 werd Hij als eerste bisschop benoemd te Antwerpen, waar hij in 1576 overleed.
Zoo'n man moest natuurlijk bij de ketters of kettersgezin-
den in geen geur van heiligheid staan. En men mag er zich dan ook aan verwachten dat in dien tijd, toen schendblad en schotschrift en spotblad kwistig gebruikt werden, de figuur van Sonnius niet zeer gespaard zou blijven.
Dr Goossens heeft dan ook al de pamfletten, die eenigszins met Sonnius in betrekking staan, opgespoord, om daaruit het figuur van dien grooten contra-reformist des te beter te leeren kennen; niet dat aan al wat pamfletten inhouden geloof moet worden geschonken maar het zijn toch stukken die voor het vorschend oog van een historicus niet van alle belang ontbloot zijn. ‘... De pamfletten, zegt schrijver, kunnen ons een beeld geven van het wrijven en drijven waardoor getracht werd den tegenstander te verlammen, zij kunnen ons een weerklank zijn van wat in 't geheim gefluisterd werd... zoo kunnen zij vaak ons medehelpen oplossen het raadsel waarom het leven van sommige personen niet die vruchten heeft opgeleverd welke men er billijker wijze van zou verwachten.’
Dr Goossens onderzocht de verschillende pamfletten volgens chronologische orde. Zoo in hoofdstuk I gaat het in 't bizonder over twee pamfletten: Apotheosis Ruardi Tapper (1559) en Colloquia obscurorum virorum (1560) waarin Tapper, de Hoofdinquisiteur, de bizonderste persoon is, en Sonnius terloops op 't tooneel wordt geschoven; Sonnius verschijnt hier ook als inquiisteur doch, in tegenstelling met Tapper, als een tamelijk zachtmoedige kerel, wat lui van aard en zeer belust op een bisschopszetel. Kapittel II laat ons kennis maken met een nieuw pamflet dat Dr Goossens als bij toeval onder de handen kreeg en zeer zeldzaam blijkt te zijn (slechts enkele exemplaren er van zijn in Duitsche bilbiotheken bewaard); hij heeft dan ook de goede gedachte gehad het stuk: Francisci Sonnii adversus vovos Episcopos Querela, Eorundem defensio, (1567) - zoo luidt de verkorte titel van het pamflet - in zijn geheel onder de bijlagen over te drukken.
Hier is Sonnius zelf de hoofpersonnage, hij heeft de zaak der nieuwe bisschoppen bewerkt; hij is dan ook de hoofdschuldige van de ellende, welke, volgens de ketters en kettersgezinden, met en door de nieuwe bsischoppen over 't land is gekomen. - De pamflettist schetst ons Sonnius af, naar Leuven gevlucht voor de beeldstormers, en aldaar voor de Leuvensche theologen eene aanklacht uitbrengend tegen zijne medebisschoppen. De pamflettist heeft dus de gelegenheid klaar om de bisschoppen eens duchtig over den hekel te halen en te beschimpen. Edoch de bisschoppen dienen Sonnius van antwoord, en Nicolaas de Castro zet het hem dan terdege betaald; zoo heeft dus de pamflettist de kans om al zijn gal tegen Sonnius uit te spuwen: grenzelooze heerschzucht, onuitstaanbare trots, onverzadigbare gouddorst, met die drie trekken staat Sonnius karakter gelijnd.
In het volgende hoofdstuk heeft Dr Goossens een en ander mede te deelen over Marnix en zijn Bienkorf, daar bij de eerste uitgave er van eene opdracht aan Sonnius toegevoegd werd, al komt in 't werk zelf Sonnius' persoon niet ter sprake. Waarschijnlijk heeft Marnix, toen zijn Biënkorf
reeds ter perse lag, een boekje van Sonnius onder handen gekregen, waarin deze laatste eene ‘Korte belijdenis’ der Calvinisten te lijve ging: wanneer op lateren datum eene omwerking van Biënkorf verscheen, viel het voorwoord weg en werd aldus eens te meer bewezen dat er geen hecht verband lag tusschen 't werk en zijn voorwoord.
In kapittel IV gaat het over 't pamflet in 1570 verschenen onder titel ‘Totius Beligicae Urbium, ablatiarum, collegiorum divisio’.
Dit behelst de eerste redactie van de oprichtingsbulle der nieuwe bisdommen, met bij elke paragraaf de persoonlijke opmerkingen van den pamflettist - 't was er dezen laatste vooral om te doen Sonnius uit Antwerpen - verzamelplaats der ketters - verwijderd te houden; en daarom wordt Sonnius nog eens afgeteekend als de ongeluksbrouwer van al het kwaad dat over de Nederlanden was neergekomen. Volgt nu in Kapittel V en VI een betoog waarvan al de onderdeelen zoo nauw in elkander vast gesloten zitten dat het op den lezer werkelijk passioneerend inwerkt. Het gaat er om te weten wie het vaderschap, en met het vaderschap, de eer en de schande dezer geesteskinderen voor zich mag opeischen. In dit gedeelte komen dan ook de vaardigheid, de kunde en wetenschap van Dr Goossens tot volle ontplooiing.
Ziehier de methode door Dr Goossens gevolgd: eerst worden de vier pamfletten naast mekaar gelegd om te onderzoeken of ze een gemenschappelijken auteur hebben. Bibliografische argumenten bewijzen dat ze in dezelfde drukkerij ter perse gingen; toch kan men daaruit niet tot een zelfden schrijver concludeeren. Doch er zijn pilologische argumenten: overeenkomst van taalparticulariteiten, woorden en zegswijzen, ontleeningen aan oude schrijvers - bizonder aan Vergilius, overeenkomst in stijl, eenzelfde rythmus en opzettelijk gezochte alliteratie; en deze argumenten leggen ten overvloede getuigenis af van het feit dat de vier stukken uit eene en dezelfde pen voortvloeiden. Dit wordt nog bevestigd hierdoor dat de grondgedachten der pamfletten parallel loopen. Van eenige tegenspraak in de vier spotschriften is nergens een spoor te vinden. Wie de schrijver dan is? Dr Goossens noemt Henricus Geldorpius, te Geldorp in 1522 geboren, in 1541 student te Leuven, maar die omwille van zijn gedachten in botsing kwam met de orthodoxen, conflict dat eindelijk op een banvonnis uitliep.
Dr Goossens onderzocht de geschriften welke men met zekerheid aan Geldorpius kan toeschrijven, en dan stelt hij eene vergelijking in tusschen de 4 pamfletten eenerzijds en de zekere authentieke werken van Geldorpius anderzijds. Weerom worden dezelfde taalargumenten van Hooger aangevoerd en bij iedere vergelijking wordt het duidelijker dat Geldorpius de auteur der pamfletten is; ook worden de paleographische argumenten van groote waarde bijgehaald tot staving van bovengemeld besluit. Waarlijk eene magistrale bewijsvoering waarvoor iedereen zich gewonnen moet geven.
Toch blijft er eene opwerping. Blok zegt, dat Geldorpius in een zelfverdediging van 1563 ‘formeel ontkent brochures ge-
schreven te hebben’, doch Dr Goossens, steunende op de ontleding dier zelfverdediging, bewijst dat Geldorpius niet ‘ontkent’ maar de brochures niet ‘erkent’ - wat een heel verschil maakt en ten slotte aan de hand van historische en psychologische argumenten, doet hij op onwederlegbare wijze in
Geldorpius den schrijve rder pamfletten terugvinden.
Geldorpius den schrijver der pamfletten terugvinden.
vervolging, en hij heeft zich met de pamfletten op hem willen wreken.
Verschillende bijlagen, waarvan ik er terloops een paar heb aangestipt, en een goed opgesteld register van persoonsnamen verhoogen nog de wetenschappelijke waarde van dit boek.
Sedert 1917 is er in de ‘Biographie nationale, de Belgique’ (± 23 1er fax. 1921-23) enee levensbeschrijving van Sonnius door C. De Schrevel verschenen; doch Sonnius, een der meest verdienstelijke mannen der contra-reformatie, verdient op een nog verhevener voetstuk geplaatst, en ik durf verhopen dat Dr Goossens zijn eerste plan nog niet heeft opgegeven, en dat wij van zijne hand in zijn heerlijk Nederlandsch, een volledige monographie over Sonnius, dezen prachtzoon der Nederlanden, mogen verwachten.
Dr JOZ. CALBRECHT.
C. ASTAES. ‘Herinneringen’. Prijs 5 fr. Uitgeverij Excelsior. Brugge.
Als maar eerst goed is vastgesteld dat we niet bedoelen de letterkundige waarde van dit boek, kunnen we volmondig getuigen dat deze bundel novellen er zijn mag. Astaes heeft reeds meer geschreven. Zijn ‘Volksvertellingen’ en ‘Uit Moeder's Jeugd’ gingen zijn ‘Herinneringen’ vooraf. - Goede volksboeken, die van C. Astaes. De schrijver weet zeer boeiend te vertellen in een taal die steeds onsmaakvol en vaak totaal onsmakelijk is. Hij kan ook raak een type karakteriseeren. Hij moet een mensch zijn die gedurig in aanraking is met de helden van zijn verhalen. Maar ziehier hoe hij soms onmogelijk is in de opname van zijn tooneelen: ‘aan den ingang, onder den hoek van 't grauwe zeil, stond een klein tafelken, met bierglazen en een paar groote kitten gedekt, en daarnaast [na dat alles ziet hij eindelijk (nota van mij)] een jonge meid gereed om eenieder bij 't eerste woord te bedienen.’ Dergelijke en krasser trekken vindt men er in overvloed. Als ontspanningslektuur voor den gewonen lezer die het met de literatuur niet zoo heel nauw neemt blijft het een aan te bevelen boek en de verdienste van den schrijver is niet gering: in volksboekerijen blijkt hij veel gelezen. Met in acht neming van den ernstig moraliseerenden invloed dien hij uitoefent is dit feit verheugend.
G.W.
CYRIEL VERSCHAEVE. ‘Jacob van Artevelde’. - Prijs 6 fr. ‘De Schoonheid in het Evangelie’. Prijs 1.50 fr. - Beide bij Uitgeverij ‘Excelsior’, St-Trudostraat, 21, Brugge.
Met deze twee werken zet de uitgeverij ‘Excelsior’ haar keurige heruitgave van Verschaeve's werk voort. Wij zullen hier niet herhalen de uitgebreidere kritiek die in dit tijdschrift
zelf bij 't eerste verschijnen van dit stuk Verschaeve's ‘Jacob van Artevelde’ begroet heeft. De weinige jaren sedert dien verloopen hebben het werk recht laten wedervaren: een heruitgave was noodig geworden. ‘De Schoonheid in het Evangelie’, dat van lateren datum is, beleeft reeds zijn derden druk.
De boeken zijn hun lagen prijs overwaard. Technisch zijn ze heel goed verzorgd en de origineele clichés op omslag geven iets nieuws aan hun voorkomen.
G.v.M.