Zooals iedere actieve verdediging in den aanval, vindt de emancipatie der Nederlandsche katholieken haar natuurlijk vervolg, straks haar voltooiing, in de bekeeringsbeweging, in het cultureel herstel onzer volksgemeenschap in den geest van het katholicisme.
De cultureele wederopbouw van Nederland - er zijn anders stamverwante Zuiderbroeders genoeg, die midden in hun harden strijd ons, noorderlingen, een zekeren schat van wetenschap en schoone kunsten en volksontwikkeling en vooral niet te vergeten cerebrale bewustheid benijden, als maakte dàt een cultuur uit. Maar wij, katholieken, weten beter. Wij hebben de ineenstorting van het wrak gebouw der moderne westersche beschaving niet noodig gehad om in te zien, dat veelheid van kennis de wijsheid nog niet is, verscheidenheid en fijnheid van gevoelsleven nog geen cultuur. Cultuur is de ordening en het ongeschokt bestier des levens van uit de bewuste gemeenschap met God, tot in zijn uiterste peripherie, tot in al zijn werkzaamheid, in zijn groote allure zoowel als in zijne kleine daden, die daarin hun wijding hun grootheid vinden. En het is deze cultuur, die in dezen tijd verloren ging, nadat vooral twijfel en hebzucht het menschelijk streven hebben geslagen uit zijn instelling op het eeuwige en volstrekte.
Deze roeping van wederopbouw, indien een oogenblik bewust bepeinsd, stemt niet minder tot deemoed als dat ze het hart onzer katholieke gemeenschap in zijn beste oogenblikken doet kloppen van moedigen trots. Het geven is zaliger dan het nemen, maar wat men zelf niet ontvangen heeft, kan men den evenmensch niet geven. De bekeering van Nederland is streng genomen niet anders denkbaar dan als het overloopen van roomsche levensvolheid uit de eigen gemeenschap, als het uitwaaien van den geest onder
den hoogdruk van het eigen roomsche leven van individu en collectiviteit.
De genade is onnaspeurlijk in hare werking; achter de zichtbaarheid gaat de groote verweving eeuwig haar gang. Wie zal zeggen, hoeveel katholieken bij de gedachte alleen aan deze mystieke vereeniging der gansche wereld, uit lauwheid en onbewustheid opeens terug omhoog werden geheven naar den weg, de waarheid en het leven? Maar deze geschiedenis van het Eucharistisch Congres zal immer ongeschreven blijven, totdat wij haar eenmaal zullen zien opgeteekend, hierna, in de werking van het Woord.
Maar wie vraagt naar de beteekenis van dit congres voor Nederland, denke het eerst aan de verdieping en verheffing van katholiek leven, dat te eeniger tijd in de daad der bekeering, in het groot herstel zich over het Nederlandsche volk ontladen zal.
Overmoedig van emancipatie, driftig van bewegen, behalve gespannen van idealisme ook overspannen van actie, door zijn staatkundige machtspositie niet alleen sterk maar ook topzwaar, is het katholieke Nederland niet vrij van den waan, dat men met actie en organisatie en verkiezingsveldtochten de wereld kan zetten naar katholieke hand, haar terug kan voeren in den lijn van het katholieke beginsel. Onze wakkere mannen-broeders vergeten bij tijden, of schijnen te vergeten, dat behalve het persoonlijke, ook het openbare roomsche leven niet wordt geboren in de vergaderzaal maar voor de trappen van het Altaar, in den invloedssfeer van het Tabernakel.
De kracht door katholiek Nederland naar buiten toe, vooral op politiek terrein, ontwikkeld, dreigt het grootste gevaar te worden voor zijn algeheele herleving. Met onze beweging zijn wij onze bezieling, met onze organisatie onzen groei, met onze actie naar buiten onze verdieping en bewustwording ver vooruit. De omstandigheden, de eisch van met alle geweld, desnoods boven zijn krachten verdediging te voeren ter beveiliging van het geestelijk erfgoed der vaderen, van het eigen erf, mogen deze disharmonie in onze beweging verklaren, desnoods verontschuldigen - zij is er niet minder gevaarlijk om.
Zoodat het na onze krachtsontwikkeling naar buiten toe meer dan hoog tijd wordt, het breed uitge-
bouwd organisme van ons katholiek openbaar leven vol te doen loopen van den eenigen geest, die de menschelijke werkzaamheid blijvend vermag te bezielen en te onderhouden. Waarbij dan valt te bedenken, dat gemeenschap en organisatie wel de persoonlijke krachten verdubbelen, maar niet vermogen te scheppen uit niets.
Zoodat het voor de toekomst, voor de doorvoering van het roomsch réveil tot een algemeene wedergeboorte en verheffing van ons volk, thans vooral noodig is, het katholiek individu te doordrenken van den genadestroom der Kerk. Het Eucharistisch Congres voerde katholiek Nederland onmiddellijk tot de Bron van alle kracht, tot de Bezieling van alle menschelijke werkzaamheid.
***
Protestantsch van karakter is de Nederlandsche natie al lang niet meer. Het is nu eenmaal de tragiek van de Hervorming, dat zij tegen haar bedoeling in alle vervorming van later heeft voorbereid. Met den mensch buiten de tucht der Kerk te stellen, verbrak zij alle geestelijke gemeenschap. Met haar leer van de autonomie, die onmiddellijk op Gods Woord zou steunen, droeg zij het beginsel van ontbinding, zoowel van het individu als van de gemeenschap, in de menschheid uit. Bij al de standvastigheid, waarmee het zich met ons samen in antithese tegenover het moderne heidendom stelt, kan het Nederlandsch protestantisme niet ontkomen aan het verwijt, van het geestelijk vaderschap van de tegenpartij middellijk op zijn geweten te hebben.
Hoe dit zij, het protestantsch karakter der Nederlandsche natie is een inbeelding, een waan, zooals alle uitingen van het geestesleven dier natie zoo duidelijk mogelijk bewijzen. Maar Nederlanders, die in den fellen ouden trant van Datheen en zijn kornuiten aan het protesteeren slaan, zoo gauw Rome hen de oogen uitsteekt - en dat doet het op ieder gebied, waar het zich vertoont - zijn er meer dan genoeg. Het voorgevoel alleen al van een Eucharistisch Congres, waarvan de internationale veelheid onweerstaanbaar van de wereldeenheid der Kerk zou getuigen, verwekte bij deze mannen-broeders een geweld, dat van alles behalve van zelfvertrouwen en krachtsbewust-
heid getuigde. De toon waarin de verstrooide, verloopen schare tegen het Congres werd te velde geroepen, was evenmin op christelijke liefde als op heiligen haat gestemd. Het liever Turksch dan Paapsch bleek nog altijd het leidmotief dezer negatieve geesten; en dat in een tijd, dat de Turk in velerlei dreigende gestalte voor de poorten van de Christelijke veste staat!
Het zou echter geen bewijs van eucharistisch leven zijn, het zou vloeken tegen het Teeken, waarin dit Congres van hoogste gemeenschap werd gevierd, wanneer wij dit protesteerend gescheld met geweld van strijdbare polemiek poogden te overtroeven. Aan de vervulling van het Woord brengen wij de wereld met triomfen van ons protesteerend woord weinig nader. Onze repliek moet de daad wezen, ons eigen eucharistische leven, wat vooral een bestaan van offerende liefde beduidt. Alle polemieken en de knapste apologie helpen de tegenpartij niet overtuigen, wanneer de roomsche praktijk niet als een levend bewijs sluit op de leer.
Daarom moge al de innerlijke en de uiterlijke gebondenheid en eenheid van dit eenig fenomeen van internationalisme een enkele zoekende ziel getroffen hebben, het ware onjuist en bovendien bepaald onwaardig, een Eucharistisch Congres als het Amsterdamsche in de eerste plaats op te vatten als een demonstratie tegenover de buitenwereld. Zijn apostolische werking wendt zich vooral naar binnen toe, naar het eigen roomsche leven.
Om die reden is het grondwettelijk processieverbod niet als een dissonnant in dit harmonisch samenzijn gevoeld. Wat zou katholiek Nederland met processievrijheid hebben aangevangen? Het Allerheiligste uitdragen in 't gewoel, in de bonte bedwongenheid, niet minder in het verscheurd tumult van zijn wereldstad? Zeker niet; geen sterveling, die dat op zijn verantwoording had durven nemen. Zoolang het roomsche leven niet overloopt van volheid, zoolang onze processies niet op zijn minst een eerbiedig zwijgen zouden ontmoeten, afgedwongen door daden van roomsche cultuur en wederopbouw van ons nationale leven, zoolang is het beter maar geen processie te houden in het openbaar. Waar de intocht der room-
sche gedachte in het moderne leven ternauwernood is ingezet, daar zijn wij meer aangewezen op den nachtelijken Stillen Omgang, op den inkeer, die ons sterk moet maken voor den strijd in de hitte des daags. Van den anderen kant - wanneer eenmaal die gedachte macht heeft gekregen over een dàn herboren moderne wereld, dan komt de vrijheid van processie als vanzelf, haast zoo automatisch als de verdere ontvouwing van staatkundige macht den cultureelen groei zal volgen.
Zoo is het Amsterdamsche Congres voor het katholieke Nederland het teeken van zijn wedergeboorte geweest; wij leggen onze dierbaarste wensch niet eigendunkelijk in het beleid van Rome in, wanneer wij ons over de viering der Heilige Eucharistie in onze hoofdstad verheugen als over een erkenning, dat Nederland uit de verstrooiing terugkeert tot de geslotenheid der kudde. In een tijd van verspletenheid, te midden van zooveel moreele verwoesting, terwijl heel de wereld wacht op het bevrijdende woord, dat haar hereenigen zal, is het ook wel onze roomsche trots geweest, om onze eenheid in alle glorie te laten getuigen, te laten spreken in de samenstemming van zoo veeltalig gebed rondom het een en eenig Middelpunt. Maar in ons bewustzijn verstomt alle gevoel van trots bij de gedachte aan onze heilige en grootmachtige, doch zoo bitter zware roeping - de herovering van den Nederlandschen geest door het mild geweld der waarheid.
Driftig van actie, massaal van organisatie, bij alle verdeeldheid op punten van minder beteekenis gesloten als staatkundig front, moge katholiek Nederland, voor het Allerheiligste neergezonken met de lijders en strijders aller landen samen, hebben bedacht:
dat niet aan macht en geweld, niet aan massa en getal, maar aan den geest de herovering der wereld is voorbehouden; dat geen sterveling wordt geslagen tot kampioen van Christus' orde, dan wie daartoe is gewijd in de goddelijke gemeenschap van Christus' offer.
Het Eucharistisch Congres te Amsterdam heeft geholpen het katholiek réveil, dat boven deze lage landen zich verheft, te voeren in de bedding der Genade, zonder welke alle menschelijk pogen machteloos is.