terug  begin  verderprepost
[p. 3]

F.V. Toussaint van Boelaere
Een laatste avontuur

Hij dacht juist nog eens aan zijn vriend, den jongen schrijver met het gouden gemoed en 't hoofd vol geestdrift, dien hij vóór een achttal dagen ten grave had geleid. Slachtoffer van den onmenschelijken oorlog, dood vooraleer de rijpe beloften van het leven zich aan hem hadden vervuld. Een diepe ootmoed, spijt, nijd en wrok, dat alles verstilde zijn hart. Hij dacht na; hij kwam tot geen conclusie. Alléén dit: het leven is hard.

De meid bracht hem de morgenpost, waar hij in zijn gewonen clubzetel zat te luieren, in zijn groote werkkamer. Het was een afleiding. Waar zou hij, lusteloos als hij zich voelde, anders de lust tot werken zijn gaan halen? Onder de brieven lag een zware enveloppe, een onbekende hand; een vrouwenhand, hoog en puntig schrift. Hij opende langzaam den omslag, zes velletjes papier, frisch parfum. Hij las. Al met eens nieuwsgierig - na een korte aarzeling of hij nog verder zou lezen. Banaal dat begin. Toen plots: een avontuur? Hoe zoo? De geniepigaard. Nooit van gehoord. Hij heeft het wel geheim gehouden. Enkele brieven gewisseld. Door haar verbolgen moeder verscheurd... Hij las, stond verbluft. Een liefdesavontuur... Ongelooflijk! Want nooit iets van gehoord, nooit iets van gemerkt.

De fijnaard. Hij gaf goeden raad; hij richtte haar leven op de banen van eer en naastenliefde, solidariteit, goedheid, efficiencie, dat alles per brief, de geniepigaard! Gust zou zeggen: de geilaard. Een jong maîtresje? Negentien jaar, schrijft ze. Hij zond haar zijn portret. Hij stond er zoo heerlijk op, vol levenslust, de blauwe oogen vol lachende goedheid. Hoe wist ze dat de oogen blauw waren? Maar de foto viel ook in handen van haar moeder, die dit eenige souvenir vernielde. Die haar verbood hem nog te schrijven; die loerde op de post. Zij had eerst zijn boeken gekocht, dag en nacht erin gelezen, met kloppend hart; hem dan geschreven in vrees en hartstocht, onmiddellijk antwoord ontvangen, hartelijk en vaderlijk - zoo vaderlijk indeed! Zijn laatste werken had hij haar telkens gezonden. Altijd zenden en gezonden! Waarom niet eens geschonken? Ze was een Russische en een Jodin. Ondergedoken den heelen tijd der bezetting. Met zijn boeken en zijn brieven alléén; tot heur moeder, ze zou haar gaan haten met een geweldigen haat, de brieven had ontdekt, en gescheurd. Er bleven alleen de boeken.

[p. 4]

En nu was hij dood, schreef ze, en ze had dagen aaneen gehuild. Haar leven was troosteloos. Zonder hem was het de blinde nacht. En zonder een blad geschrift van hem, zonder een portret van hem. Gehuild, en gebróken. En nooit had ze hem in levenden lijve gezien.

Wat? Hem nooit gezien!

Neen, nooit gezien. Ze kon het zich niet verklaren, hoe zij er nooit aan gedacht had, hem op te gaan zoeken, desnoods op de straat te blijven wachten tot hij voorbij ging; en dan zou ze tegen haar eigen hartewensch hebben gevochten, en hem niet op den voet hebben gevolgd, tot hij in een of ander kantoor zou zijn verdwenen. Voor altijd verdwenen misschien. Want een tweede maal zou zij het niet hebben aangedurfd, hem op de straat op te wachten. Haar hart popelde te zwaar - want wélke dwaze streek zou zij zelf niet hebben kunnen uitsteken, was ze toen naar hem toegegaan? Nu dacht ze met wanhoop aan die mogelijkheid welke ze had gehad, hem te zien, misschien te spreken, een straat ver met hem meê te loopen. Eén straat, en verder, ja wat?... Want men weet nooit hoe die waaghalzerijen afloopen; men wanhoopt al vóór men ze waagt, en toch loopen ze vaak ook onverwacht gunstig af. Een paar straten met hem hebben meêgehold. Zijn zoete stem hebben gehoord. Ze verweet zich met diepe wroeging dien beslissenden stap niet te hebben gedaan; maar wie kon denken dat het noodlot den levensdraad van dien jongen man zoo ontzettend brutaal zou hebben afgesneden. Gruwelijk was dit verzuim. Ze had toen onbewust de toekomst te hoopvol ingezien. Ja, ze had er nooit aan gedacht, hem te gaan opzoeken omdat zij, in haar diepste wezen, wist dat er eens een dag zou komen, waarop ze zonder opzet elkaêr zouden hebben ontmoet en erkend in een bloeiende liefde. De draad afgesneden. En thans verlangde ze nog amper: een portret van hem.

 

Hij zat in zijn zetel, rookte een sigaret. Een kop thee stond naast het aschebakje op een tafeltje in het bereik van zijn luie hand. Hij dacht nog even na: hij kon haar wel een foto geven, hij had er verschillende. Ze kon er een uitkiezen. Er een kómen uitkiezen. Maar een bakvischje, wellicht. Hij grizzelde. En toch: Russische en Jodin. Die Nederlandsch leest en schrijft. Joodsch en Slavisch bloed. Hij schreef haar: zijn vriend was een zoo innemend man, zoo edel van inborst. In alles wat hij deed en schreef lag zulk diep en stralend gevoel van menschelijkheid, dat hij begreep dat zij zich zoo hartstochtelijk tot hem voelde aangetrokken. Zoo keert zich ook de schoonste roos naar het licht der zon. Hij kon dus haar geestdrift voor zijn zoo gruwelijk omgekomen vriend goed begrijpen, en haar ontstelling bij zijn dood, haar smart die, zoo sprak de ervaring, hoe scherp en overweldigend thans ook, eenmaal zou vervloeien...

Ja, panta rei, alles vervloeit, ook de alles overheerschende wanhoop. Hij liet dat beetje Grieksch in den brief. Russische en Joodsch, de universiteit. Habe nun Philosophie... dat romantisme steekt de vrouw toch in het bloed.

[p. 5]

Wie had dat gedacht die geniepigaard? Balzac en zijn Poolsche... Ja, máár Balzac. Eerder Mérimée en zijn Engelsche. Hoe zou dat zijn afgeloopen? Hij was nochtans alles behalve een Adonis, die vriend. Hoe, had hij zoo maar een foto gezonden, reeds bij het eerste verzoek? En de moeder die ze had verscheurd. Waarom, mijn God? De foto kón geen hartstocht kweeken. Geen Adonis, op verre na niet...

Uit nieuwsgierigheid verzond hij den brief. Hoe zou zij er uit zien? Men kan Russische zijn en een Joodsche en toch een ‘péché mortel’ wezen, met wie zonde-doen... ausgeschlossen. Hij dronk zijn kopje thee, die was koud, rookte nog een sigaret; fijne geur toch, en bij thee past alleen een sigaret, Oostersche tabak, gelijk te Serajevo... oh die prachtige Joodsche vrouwen... En stond op, kwam op de straat, volop in de zomerzon. Wat een heerlijkheid. Ja, hij had den brief bij, en ginder is een postbus...

Het antwoord kwam spoedig, post per post. Het overkookte van dankbaarheid. Ze zou dus van hém mogen spreken, een foto mogen meênemen. Ze juichte.

 

‘Mijnheer,’ zei de dienstbode. ‘Daar is een jong meisje dat zegt dat gij ze verwacht.’ Hij keek de dienstbode in de oogen. Hij zag het aan haar gezicht: het was een mooi meisje. De oogen van de dienstbode stonden op bedenkelijk. Hij ging er dan heen, naar de salon, met een nieuwsgierigheid die zich zelf al aan het geruststellen was. Hij verwachtte een donkere haarbos, Joodsch en Slavisch: het was een haarbos die blonk echter als een klomp goud, in de zon. Geschetter van goud. Maar slank de gansche postuur, den rug naar hem toegekeerd, het gelaat naar het venster. Schuchterheid - of oolijkheid. Hij zei, met zijn zachtste stem, ‘Mejuffrouw.’ Opgewekt, moed-insprekend: ‘bonjour.’ Als verrast keerde zij zich om, een innemende glimlach op het ronde volle gelaat, met rooden mond, geschminkt, zijige bolle blonde en rose wangen. Maar, als met een ruk, den ruk waarmeê men schitterwit waschgoed van de koord losmaakt, verving ontsteltenis op haar blozende trekken den vriendelijken glimlach. In de blauwe oogen, vol vriendschap op hem gericht, boosheid thans. Met al zijn onschuld keek hij haar aan. What's the matter?

‘- Is ú dat?’ gilde ze plots. ‘Is ú dat?’ klonk het nog scherper.

‘- Is ú wat?’ zinderde 't in hem na. Hij keek haar onthutst aan.

En al met eens greep ze haar handtaschje vaster in de hand en vloog de kamer uit, zoo snel als ze loopen kon: ze huilde, men kon 't haar aanzien. De trap af. De lift stond daar nochtans klaar. Een scherpe parfumlucht verspreidde zich in de kamer: het was of een baan van geur zich oploste in de ruimte. Nog al opzichtig die parfum. Maar wat heeft ze nu gekregen? Is ú dat? Wel ja, ik ben het. Maar wat?

Het was een heel mooi meisje, met dat weelderig gouden kroezelhaar, dat volle gelaat rose en blank, en die blauwe oogen, Joodsche havikneus. Volle vormen... die ik heb kunnen raden, niet heb gezien. Het is wel heel snel

[p. 6]

gegaan. En wat mag dat beduiden? Hij nam een sigaret uit den zilveren koker die steeds in zijn giletzakje stak, schonk zich uit het likeurservies een glaasje fine in. Wat mag dat beteekenen? Of als men wil, beduiden? Waarom die vlucht? Ik ben ook geen Adonis. Maar, vergeleken bij hém... Alsof ze den duivel in eigen persoon had gezien. Ja, dat Joodsch Slavisch bloed! Men weet nooit wat men aan ze heeft, die Russen; en aan die Russische meisjes vooral. En deze hier nog bovendien Joodsch. Hij haalde de schouders op. Zei: nitsjevo. Het eenige Russische woord dat hij kende. Nitsjevo. Wat moet gebeuren, gebeurt. Wat kan het mij schelen, waaróm het gebeurt. Dáárom, en daarmeê uit. Die fine is prima. De sigaret wat minder. Enfin... Niettemin is het leven zoetzappig. Zonlicht vulde de kamer als met een gouden mist.

Reeds 's anderendaags bracht de dienstbode hem, met de eerste post, den brief. Hij zat in zijn gewonen zetel, een kopje thee geurde op de gueridon in de nabijheid van zijn luie hand, de rook van een blonde sigaret steeg, dunnende wolk in de lucht. Hij bekeek het fraaie geschrift, hoog en puntig. De hand was driftig, meende hij - en razernij in het hart. Maar waarom dan toch? Hij las: het is een miserabel spel dat ge met mij hebt gespeeld. Een verfoeid, hatelijk spel. Gij en uw vriend.

Ik, en mijn vriend? Maar, enfin, wat heb ik gedaan? Een jong meisje zonder ervaring die met haar zuiver hart naar hem was toegegaan; zijn werk sprak van adel en louter menschenliefde; zijn brieven waren zoo vol gevoelde dienstvaardigheid, zoo nobel. En mij dit aandoen, verfoeilijk. Hoe leelijk hij ook ware geweest, ik zou hem hebben aangebeden. Mij ging het alleen om zijn hart, zijn gouden hart. Verfoeilijk spel met een jong meisje dar hem aanhing met al de kracht van den zuiveren hartstocht.

Maar wat heb ik nu daarin te maken? Hij was geen Adonis, zeker, maar toch niet zóó leelijk, dat...

‘Die smaad, die grievende smaad, mij aangedaan, heeft toch zijn goeden kant. Ik wil geen foto van hem, ook geen foto van u, mijnheer. Ik zeg u beiden adieu. Ik voel me gelukkig, genezen van mijn waan. Zooals hij me schreef, zoo edel en zoo hartelijk: de realiteit is schooner dan de schoonste waan. Adieu, Mijnheer, adieu Adonis...’

 

Hij schoot plots in een luiden lach. ‘Die geniepigaard,’ meende hij. Toch, een schelmstuk! Hij ging naar zijn bibliotheek. Hij zocht en vond Cyrano de Bergerac. Kwam met het boek terug - terug in zijn gewonen zetel. De thee was intusschen al koud geworden. Hij goot het kille water in de waterkan, schonk heete thee. De amberen geur steeg in de stille ruimte. En nu een nieuwe sigaret. Ook die rook stijgt in de zoete zomerlucht... Hij las van Cyrano. Zoo kwaad zijn die verzen toch nog niet. Hij voelde geamuseerd nu met Cyrano meê. Alles is da gewesen. Een gouden kroezelkop, slanke volle postuur, wel gevormde borstjes, ho, waarschijnlijk, - ginder op de vlucht. Ver al. ‘Adieu, Mijnheer.’ - ‘Adieu dan ook, Juffrouw...’

Febr. 1945.

prepostterug  begin  verder