terug  begin  verderprepost
[p. 16]

Pieter G. Buckinx
Ballade

 
Wat baat het bloed dat nutteloos moest vloeien?
 
Wat baat het hart dat nutteloos verdort?
 
O laat mij in uw witste vuur vergloeien,
 
dat ik voor aarde en tijd onzichtbaar word.
 
 
 
Of laat mij zijn als deze vogels in de populieren,
 
hoog, zonder naam en onbemind,
 
maar wiegend op het lied der bergrivieren
 
en wiegend op den wind.
 
 
 
Want van het koningsbloed moet ik steeds zingen,
 
en van het roode hart van dezen eglantier,
 
en van de zon en 't vuur en van de spiegelingen
 
van zon en vuur op de rivier.
 
 
 
En van een vrouw die onder de violen
 
te slapen ligt in Godes schemering,
 
en van een man die immer maar moet dolen
 
door deze stralende herinnering:
 
 
 
Het zwellend lentewelven van haar leden,
 
het avondzoete huivren van haar schoot
 
en dan - de nachtenzware wanhoop der gebeden:
 
de witte Engel van den dood.
 
 
 
Ach, waar ik treed heeft koningsbloed gevloten;
 
de laatste paradijzen werden mij ontroofd.
 
Een vrome hand streelt dit deemoedig hoofd
 
dat eenzaam is en in zichzelf besloten.

prepostterug  begin  verder