De buitenlandsche politiek is niet langer het luxe-kwartier van ons openbaar leven of een zorg die kan worden overgelaten aan beroepsmenschen. Zij vergt voortaan de belangstelling van elk nadenkenden burger, want haar invloed zal zich laten gelden meer en meer, op de ontwikkeling van ons binnenlandsch beleid, en zelfs op onze private bedrijvigheid zoowel op zakelijk als op moreel gebied.
Deze grootere gevoeligheid van ons binnenlandsch leven aan de gebeurtenissen en de toestanden van het buitenland was reeds duidelijk waar te nemen in de periode welke de twee wereldoorlogen scheidt. België legde zijn statuut van verplichtte onzijdigheid af en werd door het feit zelf een meer rechtstreeksche deelnemer aan de internationale politiek en een achieve factor bij de problemen van Westelijk Europa. Maar er zijn oorzaken, welke een dieperen invloed hebben gehad. De oorlog had bewezen hoezeer de landen van elkander afhankelijk zijn voor hun veiligheid, en de vergemakkelijkingen van het internationaal verkeer, het verlangen naar een meer uitgebreide samenwerking op sociaal en intellectueel gebied, gegroeid uit de wapenbroederschap der geallieerde volken en versterkt door hun gemeenschappelijke verwachgen, deden bij alle democratische natiën een nieuwen drang ontstaan om door samenwerking en wederkeerigen steun hun eigen nationaal welzijn te bevorderen. De Volkenbond was bedoeld om bevrediging te schenken aan deze verlangens. Het internationaal bureau van den arbeid, het instituut voor intellectueele coöperatie en verschillende andere werken van internationaal hulpbetoon, zijn weldoende en belovende vruchten geweest van deze vredeen menschlievende poging. Doch deze eerste opbloei werd spoedig gevolgd door een periode van kwijning en verval. Het leven van de volken was te diep ontredderd geworden door den oorlog om zich onmiddellijk te kunnen voegen naar de eischen van een standvastige en vertrouwende samenwerking, gericht in de eerste plaats op het welzijn van allen. De internationale conferenties, welke in de eerste jaren van den vrede zoo dicht op elkander volgden, vermochten slecht in geringe mate aan dezen toestand te verhelpen
en verloren ook gaandeweg hun beteekenis. Het protocol van de collectieve veiligheid werd prijs gegeven. De financieele saneering bleef uit. De economische crisis ontaardde in een verwilderden strijd om het leven. De booze geesten namen terug bezit van een wereld, die vruchteloos had gezocht naar rustigen arbeid, naar gezamenlijken vooruitgang en naar een ware solidariteit der Volken. Op den opgewekten aanloop naar een nieuwe wereldgemeenschap, volgde dan ook een ontgoochelde terugtocht naar een nieuwen toestand van individualistisch nationalisme, maar ditmaal een individualisme bezwaard met al de naweeën van een oorlog, waarvan niet alleen de gevolgen, maar ook de oorzaken, de overwinning en den kortstondigen vrede hebben overleefd. In plaats van georganiseerde samenwerking, de triomf van het egoïsme in een wereld van wanorde.
Het gevolg van dezen ommekeer was natuurlijk niet dat de Volken, en de kleine Volken in het bijzonder, zich minder hadden te bekommeren om de vraagstukken van Buitenlandschen aard. Integendeel. In de plaats van de stabiliteit der verhouding, welke door een progressieve versterking van de saamhoorigheid der volken, had kunnen worden verkregen, werden zij overgeleverd aan militaire onveiligheid en economische onzekerheid, en de Buitenlandsche politiek werd het smartenkind van elk regeeringsbeleid. De buitenlandsche handelspolitiek werd meer en meer een soort junglegevecht met invoerquota's en devisenbeperkingen. Van langdurige overeenkomsten, geen spraak meer. Een overeenkomst van zes maand kon reeds als een zegen worden beschouwd, althans indien ze eerlijk tot het einde werd nageleefd. Ieder voorname industrieele onderneming was verplicht een speciaal Departement op te richten om de onophoudende veranderingen van deze internationale kaleidoscoop van dicht bij te kunnen volgen. De buitenlandsche politiek werd een verplicht bijvak van elken handelaar.
Het is te verhopen dat we na dezen oorlog naar dezen toestand van wanorde niet zullen terugkeeren en dat er ditmaal met voldoende standvastigheid en begrip voor saamhoorigheid door de vereenigde naties zal worden gehandeld om de wonden tot genezing te laten komen, welke deze nieuwe rampspoed geslagen heeft in het lichaam van elk der volken, die met ons aan den strijd hebben deelgenomen. Wij moeten evenwel deze verwachtingen niet sieren met te veel illusies. Deze oorlog heeft de grondvesten van elke traditioneele volkenorde diep omgewoeld en de vrede zal over de hoofden van de zegevierende volken geen horens van overvloed uitstorten. De terugkeer tot een rustig en welvarend bestaan zal, zelfs voor de overwinnaars, moeten geschieden langs een harden en langen weg van nieuwe inspanningen, vrijwillig aanvaarde beperkingen en taaien arbeid, want hetgeen er aan vergoedingen zal te halen zijn bij den vijand, zal slechts een kruimel vertegenwoordigen uit een ledigen broodkorf. Deze gezamenlijke terugkeer naar een ware internationale orde, zal moeten gepaard gaan met groote waakzaamheid, zelfbeheersching en vooruitziende wijsheid, want de voorwaarden waarin de overwinnende naties en deze welke na eenigen tijd in hun gezelschap zullen
worden aanvaard, hun werk van wederopbouw zullen moeten ten uitvoer leggen, zullen niet van aanvang aan voor vele jaren kunnen worden vastgelegd. De geschiedenis heeft ons gewoon gemaakt aan vredestraktaten, die als een scherpe afbakening geplaatst werden tusschen oorlog en daaropvolgende rust en die voor een reeks van jaren in welomschreven bepalingen vastlegden hoe de betrokken volken zich tegenover elkander zouden verhouden. Het is weinig waarschijnlijk dat wij ditmaal getuige zullen zijn van zulk een spronggewijzen overgang. De vrede zal ditmaal niet als een uitgerijpte vrucht in onzen schoot worden neergelegd. Er zal wellicht heelemaal geen vredesverdrag worden afgesloten. De Duitschers zullen onvoorwaardelijk op den knie worden gebracht, de groote overwinnende mogendheden hebben reeds een reeks van maatregelen getroffen voor de bezetting van Duitschland en voor de eerste hulp aan de geteisterde verbonden landen, maar de levensvoorwaarden van de toekomende volkengemeenschap zullen zich slechts langzaam kunnen ontwikkelen uit den goede wil van allen, die medezeggenschap zullen uitoefenen bij den uitbouw van een nieuwe wereldorganisatie. De gestalte van de internationale orde, zal uit dezen oorlog niet plots te voorschijn treden, in een vasten toestand als het kind van een afdoende vredesconferentie, zij zal moeten groeien uit een gestadige inspanning en een langzame evolutie. Gedurende al dien tijd zal de buitenlandsche politiek het voorwerp moeten zijn van onze volgehouden oplettendheid.
Ik verlies daarbij geenszins uit het oog dat in de conferentie welke over enkele weken zal worden geopend te San Francisco, getracht zal worden de grondslagen te leggen van een wereldorganisatie, die voor lang de vernieuwing moet onmogelijk maken van het bloedig drama, dat zich deze jaren over den aardbodem heeft afgespeeld, en aan alle vredelievende staten, ook de kleine, waarborgen wil verschaffen voor een onbelemmerd bestaan, bij eigen volkswil en naar eigen levensopvatting. Ik geloof in de doelmatigheid van dezen eersten algemeenen vredesraad der Vereenigde Naties. Maar het ligt niet in de menschelijke mogelijkheden om binnen zoo korten tijd, als deze welke aan deze beraadslagingen zijn gegund, de middelen te scheppen welke noodig zijn om de wonden te heelen, de ruïnes op te ruimen, de nooden te lenigen, de onrust te stillen, de wanorde te verwijderen, de ongezonde ambities te breidelen welke door den oorlog werden aangekweekt. De bodem waarop we de toekomst hebben te bouwen is te onvast om ineens een definitieve structuur te kunnen verdragen. De kleine landen vooral zullen op hun hoede moeten wezen tegen overhaasting en het beleid van hun regeeringen zal nauwkeurig moeten worden gevolgd en zorgvuldig gesteund door de oplettende deelneming van een verlicht burgerschap.
Deze plicht van vaderlandslievende bezorgdheid omtrent onze buitenlandsche verhoudingen en bestrevingen mag in het bijzonder door ons Vlamingen niet worden verzuimd. België is meer dan eenig ander land blootgesteld aan het gevaar van naburige conflicten, meer dan eenig ander gevoelig aan vreemde
invloeden, die zijn binnenlandsche eendracht kunnen ondermijnen; België door de beperktheid van zijn grondgebied en de uitgebreidheid van economische werkzaamheden is meer dan eenig ander afhankelijk voor zijn welvaart van zijn relaties met de buitenwereld. Een goede buitenlandsche politiek is een essentieele voorwaarde van onze leefbaarheid als onafhankelijke natie. Ik ben overtuigd dat wij, als Vlamingen, in een gunstigen toestand verkeeren om deze politiek met een open geest en een minimum van vooroordeelen te gemoet te zien.
Welke zijn de hoofddoeleinden, die we in het oog moeten houden?
In de eerste plaats, onze beveiliging tegen nieuwe agressies. Zonder veiligheid naar buiten is geen voorspoedige ontwikkeling, geen normaal leven naar binnen mogelijk. De vrees voor mogelijke geweldpleging noodzaakt tot onevenredige militaire uitgaven, hindert de vrijheid van het openbaar leven, belemmert het zelfvertrouwen van het land in zijn toekomst en stremt de ontwikkeling van een internationaal zakenverkeer, zonder hetwelk het herstel van onze zoozeer gehavende welvaart tot de onmogelijkheden zou behooren. De verzekering van onze veiligheid moet dus het eerste en voornaamste voorwerp zijn van onze bezorgdheid.
Deze bezorgdheid moet echter gepaard gaan met de bekommernis om zoowel onze staatkundige onafhankelijkheid als de vrijheid en eigengeaardheid van ons eigen leven te vrijwaren tegen bedenkelijke inmengingen van buiten af, en om onze buitenlandsche betrekkingen te richten in den zin van onzen geestelijken zoowel als van onzen stoffelijken vooruitgang.
De verwezenlijking van deze optimale verhoudingen hangt natuurlijk niet alleen van ons zelf af. Zij zal wellicht in ruimere mate worden beheerscht door de groote Mogendheden, vooral van de ons naburige groote Mogendheden, dan door onze eigen initiatieven. Maar het zal niet onverschillig zijn hoe we ons zelf gedragen en ik meen de mogelijkheid te zien om een internationale politiek uit te stippelen, welke rekening houdend met de internationale mogelijkheden, de lijn eerbiedigt van wat ik zooeven als de voornaamste richtpunten heb aangeduid.
Ik hoop in mijn volgende maandelijksche bijdragen deze bewering te kunnen verrechtvaardigen, naar gelang ik de verschillende aspecten van ons internatitonaal leven opeenvolgentlijk nader zal kunnen belichten. Laat ik evenwel onmiddellijk verklaren dat het niet voldoende zijn zal ons aan te sluiten bij een systeem van wereldveiligheid, zooals te San Francisco zal worden besproken om ons voor ieder nieuw orlogsgevaar te dekken, noch de beginselen te hebben onderschreven van het Atlantisch Charter, om den voorspoed te oogsten dien wij van de nieuwe wereldordening verwachten. Binnen het kader van de gedachte collectieve veiligheidsmaatregelen, en met eerbiediging van de beginselen van wederkeerigen eerbied en onderling hulpbetoon, welke door de Vereenigde Naties bij meer dan een gelegenheid werden beleden en onderteekend, zal het noodig zijn meer beperkte overeenkomsten te sluiten vooral met de ons omringende mogendheden, ten einde
aan het algemeen Volkenverbond de regionale versterkingen en aanvullingen te verschaffen zonder welke de wereldorganisatie een ongespierd, zooniet een levenloos geraamte zou kunnen blijven. De universaliteit van een vredesysteem beteekent niet dat het eenvormig zijn moet in zijn samenstelling. De algemeenheid van het verlangen der Volken, om langs den weg van economische en geestelijke samenwerking te komen tot meer voorspoed en een hooger levenspeil, brengt niet met zich dat de onderlinge verbondenheid overal een zelfde intimiteit en dezelfde vormen moet vertoonen. Indien we aan het toekomende bondgenootschap van de vrije volken duurzame stevigheid en volle vruchtbaarheid willen verzekeren, dan zal het noodig zijn, bij zijn structuur rekening te houden met de regionale verscheidenheden zooals deze door natuurkrachtige of door historische oorzaken werden tot stand gebracht en tevens partij te trekken uit de verwantschappen of belangengemeenschappen, welke de samenwerking van sommige naties of landen als vanzelfs bevorderen. Deze regionale bandversterkingen hebben niets gemeens met de invloedsferen, zooals ze door de Duitsche geopolitiekers werden gedacht en welke niets dan overheerschingsmiddelen waren voor de groote machten, die ze in het werk wilden stellen. Zij zijn evenmin bedoeld als een machtsformatie gericht tegen de belangen van welke andere volkengroepeering of mogendheid ook. Het wantrouwen dat door onze communistische pers werd uitgesproken tegen het ontstaan van een West-Europeesche groepeering, die in het Britsche rijk haar natuurlijke aanleuning zou vinden, is geenszins gewettigd. Het regionalisme dat ik op het oog heb, is volkomen vreedzaam van bedoeling. Het zoekt zijn kracht niet in het overwegend gezag van een of ander overmachtig deelgenoot, maar in een vrijwillige toetreding en samenwerking, gegroeid uit gemeenschap van belangen en van levenszin. Het is niets anders dan een betere aanpassing van de ontwikkeling der volken aan de moderne levensvoorwaarden, door een vreedzaam gebruik van de neigingen en geschiktheden welke door de natuur of door de voorgeschiedenis in hen zijn neergelegd.
Het is bij de vorming en de inrichting van deze geografisch beperkte volksgroepeeringen dat zich de bekwaamheid van de leiders op buitenlandsch gebied het best kan openbaren. Het is in den schoot van deze internationale tusschenformaties, die als een schakel zijn tusschen het individueel bestaan der onafhankelijke naties en het universeele volkenverbond, dat de kleine naties hun invloed het best zullen kunnen tot gelding brengen.