i.s.m.
[p. 104]
Anton van Wilderode
Lied voor mijn vrienden
Ik schreef een naam, het konden àndre wezen
hoevele namen van hier tot Genua:
kinderen, knapen die niet meer genezen
van hunnen dorst, als de gerezen
eenzame sterren door den hemel gaan.
Zij waren vreemden van hun vroegste jaren
in spreken stiller, zachter het gebaar
waarmee zij soms de diepste ziel verklaren;
in tuinen speelden zij die duister waren,
van schelp en schilfer de verzamelaar.
Zij keerden schroomend naar het eerste leven:
een vogel stijgt, een bloem breekt uit haar knop
en fijne zaden worden losgedreven.
Dit heeft een knaap in worden neergeschreven:
nu houdt de golf van zijn geluk niet op.
Of andren, die een dorp aan zee bewonen
waar zich de wind staag in de straten bedt,
zien dagelijks den vloed en het verstroomen
van een wijd water èn het uur zal komen
dat zich het andre hart niet meer verzet.
Een naam, een naam en niets dan de verhalen
die, jaren her, een vreemde man bedreef;
ik las en schreef, ik schreef zoovele malen:
door mijne woorden zongen nachtegalen
die erin bleven, toen ik achterbleef.
(Inleidend gedicht tot: Columbus.)