i.s.m.
[p. 110]
Pieter G. Buckinx
Het afscheid
Gij draagt alreeds het masker van den dood,
de diepe rimpels en de donkre groeven
aan neus en mond waarrond het vlammenrood
van avondloof en eeuwigheid blijft toeven:
des Levens herfsttij dat zijn schaduw sneed
in 't edel aangezicht waarlangs de haren golven
wit en sereen en voor den dood gereed.
En in uw blik, als een verstarde vlam, dit staren
naar een heelal dat niemand kan ontwaren
dan gij, die reeds ontdaan van blindheid en gewicht
voor 't allerlaatst uw roze handen vouwt.
Hoort gij de paarden draven door de bosschen
der eeuwigheid, waar reeds de zilveren karossen
hun bliksemenden tocht beginnen naar het licht?
Of schalt - een weerlicht langs - voor 't opperste gericht
Gods jachthoorn door het woud?