terug  begin  verderprepost
[p. 111]

Kronieken

Over internationale vraagstukken
II
Onze onmiddellijke bondgenooten
door Dr. F. van Cauwelaert, minister van State

De kinderen die we verwachten van de groote V - victorie - zijn Veiligheid, Vrijheid en Voorspoed. Maar indien we ze willen zien opgroeien gezond en krachtig zal het niet voldoende zijn ze toe te vertrouwen aan het gesticht van den algemeenen onderstand: de wereldorganisatie van den vrede. Wij zullen ze moeten voeden door onzen eigen arbeid. Wij moeten hen doen genieten van den bijstand dien we vinden in het verplegen van de solidariteit die groeit uit goede buur- en maagschap. Wij moeten hun leven aanpassen bij de bijzondere voorwaarden, waarin zij hun toekomst hebben te verzekeren. De verscheidenheid van de volken en van hun omgeving vereischt verscheidenheid in hun onderlinge betrekkingen. De universaliteit van den vrede kan slechts bestaan in de harmonie, niet in de eenvormigheid van de volkengemeenschap.

Deze behoefte aan regionale versteviging en aan de ontwikkeling van normale verwantschappen wordt door de Belgische Regeering en door de Belgische politici vrij algemeen erkend. Oud-minister De Schrijver heeft er de beginselen van verdedigd in een mededeeling welke hij te San-Franscisco, als leider van de Belgische delegatie bij de conferentie voor de wereldveiligheid gedaan heeft aan de pers. Alleen de communisten spreken zich ongunstig uit, uit hoofde van bekommernissen die men vermoeden, maar niet als nationaal gerechtvaardigd beschouwen kan. De vraag blijft evenwel waarin deze nauwere betrekkingen bestaan, die we in het belang van onze rust en welzijn, met zekere landen en in de eerste plaats met de ons naburige bevriende landen, moeten trachten tot stand te brengen en hoe ze op hunne beurt dienen te worden onderscheiden met het oog op een maximale nuttigheid.

Ik behoef er niet bijzonder op te wijzen dat dit onderzoek geen ander waarde heeft dan deze van een theoretische, en, ja, ook eenigszins optimistische uiteenzetting. De verwezenlijking van wat ik aanbeveel hangt niet alleen af van den goeden wil van onze eigen regeering, noch van een voldoende parlementaire meerderheid om de door haar te sluiten overeenkomsten

[p. 112]

te bekrachtigen, zij hangt in niet mindere mate af van de tegemoetkoming en medewerking van de andere betrokken staten en hun gedragslijn kan worden bepaald door beschouwingen die vreemd zijn aan de belangen die voor ons en hen samen op het spel staan. Dit neemt evenwel niets weg van de wenschelijkheid dat we klaar zouden zien in onze eigen positie en hetgeen volgt is een poging om daartoe bij te dragen.

Laten wij beginnen met wat het dichtst bij de hand ligt: onze betrekkingen met Nederland, deze met het Groothertogdom Luxemburg op een bevredigende wijze geregeld zijnde sedert den vorigen oorlog. Ik wil onmiddellijk in een enkele stelling vastleggen wat ik aanzie als een passende uitdrukking voor wat ik als de natuurlijke verhouding tusschen beide landen beschouw: Nederland en België moeten streven naar eenheid op elk gebied, voor zooverre dat zij deze nauwste samenwerking kunnen bereiken, zonder te verzaken aan eigen vlag, aan eigen troon en eigen volkssoevereiniteit. Op deze wijze alleen kunnen ze de mogelijkheden van de toekomst vrijwaren zonder de verworvenheden van het verleden op te offeren.

De taalgemeenschap, welke bestaat tusschen Nederland en het vlaamschsprekend gedeelte van België, kan deze innige samenwerking vergemakkelijken. Zij is niet de bepalende omstandigheid. Kultuurverwantschap kan tot haar recht komen ook zonder staatkundige verbondenheid. De behoefte aan een nauwere aansluiting tusschen België en Nederland ontstaat uit de ligging zelf van deze landen, uit hun economische noodwendigheden, uit de beperktheid van hun afzonderlijke afweermiddelen en de gevaren aan welke zij zijn blootgesteld. Zonder de godsdienstige en politieke verwikkelingen, welke den natuurlijken samenhang van deze lage landen bij de Noordzee hebben verbroken en gedwarsboomd, zou deze saamhoorigheid onder een of anderen vorm sedert eeuwen tot uiting zijn gekomen. De hechtste schakel voor de bevestiging van deze wederkeerige afhankelijkheid is een economisch verbond door tolgemeenschap en het is wel teekenend voor het algemeen Belgisch karakter van de belangen, die hierbij op het spel staan, dat de eerste en eenige ernstige poging, welke van regeeringswege werd ondernomen vóór 1940, om een economische unie tusschen België en Nederland tot stand te brengen is uitgegaan van een Luiker Waal, Frère Orban, leider van de liberale partij, en wat hem dreef was niet zoozeer het stoffelijk voordeel dat uit deze verruiming van afzetgebied voor onze industrie kon voortvloeien, dan wel de versteviging van onze onafhankelijkheid tegenover grooter nabuurstaten.

De tweede wereldoorlog heeft bewezen dat de verbondenheid tusschen Nederland en België niet beperkt is tot het economisch leven, maar dat het bestaan zelf van beide landen een gemeenschappelijk vraagstuk is. Het eene is niet veilig zonder het andere. De ondergang van een van beide als onafhankelijke staat trekt onvermijdelijk het andere mede in zijn val.

Het vraagstuk van een nauwer samenwerking stelt zich voor verschillende groepen van kleine mogendheden in Europa, maar nergens met zulke duide-

[p. 113]

lijke noodwendigheid en tevens in zulke gunstige voorwaarden als tusschen Nederland en België: zelfde omvang; zelfde aantal van bevolking; zelfde beschaving en politieke gesteldheid; zelfde internationale positie en richting. Door hun ligging en grensregeling zijn ze bovendien zoodanig op elkander aangewezen dat zij noch het probleem van hun verkeerswezen, noch dat van hunne grensverdediging behoorlijk kunnen oplossen zonder elkander een hand toe te steken. Indien België en Nederland ook thans nog niet moesten verstaan dat zij op een politiek van standvastige solidariteit zijn aangewezen, dan zou men moeten twijfelen aan ieder volkenwijsheid op internationaal gebied.

De Nederlandsche en Belgische regeeringen, te Londen verblijvende, hebben een gewichtigen stap gezet in de goede richting, met de financieele en economische overeenkomsten, welke respectievelijk op 21 October 1943 en op 5 September 1944 werden afgesloten. De tweede van deze overeenkomsten is de belangrijkste in haar mogelijkheden en werd reeds bij het afsluiten van het eerste verdrag als de logische bekroning van dit laatste aangekondigd. Het economisch verdrag schept tusschen Nederland en de Belgo-Luxemburgsche Unie een provisorisch tolverbond, opzegbaar om te beginnen met een preadvies van zes maand, maar dat naar het inzicht van de eerste onderteekenaars zou moeten leiden tot een economische Unie op langen termijn.

Het is te hopen dat een zoo verdienstelijk werk van voorbereiding niet onvoltrokken zal worden gelaten en dat niet eens te meer politieke vooringenomenheden of al te enge zakengeest de plaats zullen innemen van staatsmansinzicht en algemeen welzijn. Wij zijn volkomen gerechtigd, ja verplicht, elke economische eenmaking af te wijzen, welke met zich kan voeren de overgave van onze politieke zelfstandigheid of van onze geestelijke eigenwaarde, maar we zouden ernstig misdoen tegenover onze eigen welvaart, indien we niet de verruiming zochten van een al te enge huismarkt, wanneer deze verruiming niet alleen wordt geëischt door onze economische ontplooiing, maar tevens versterking beteekent van ons bestaan als onafhankelijke natie, van onze veiligheid en van ons aanzien.

De natuurlijke belangengemeenschap tusschen Nederland en België heeft als logisch gevolg dat beide landen op de internationale conferenties gewoonlijk een zelfde standpunt innemen. Te zamen vertegenwoordigen zij den invloed van een mogendheid van middelmatige grootte maar met zeer uitgebreide belangen. Dat was het geval reeds vóór den oorlog te Genève en was het meer dan ooit te Hotsprings, te Bretton Woods en te San Francisco. Er is evenwel in al de jaren van den oorlog geen spraak geweest van de herziening van het tractaat van 1839, welke, na den vorigen oorlog aangevat, op zulke jammerlijke wijze schipbreuk heeft geleden. Het is begrijpelijk dat deze kwestie onaangeroerd gebleven is op een oogenblik dat beide landen in een strijd waren gewikkeld op leven en dood en dat de verantwoordelijke regeeringen niet eenmaal in normaal verkeer konden

[p. 114]

komen met hun eigen volk. Dit mag natuurlijk niet beteekenen dat de dingen zouden blijven in den onbevredigenden toestand waarin ze twintig jaar geleden werden achtergelaten. Het scheidingstractaat moet worden herzien in den geest van toenadering en saamhoorigheid, welke voortaan de betrekkingen tusschen de Noord- en de Zuidnederlanden moeten beheerschen en ik koester de hoop dat de financieele, economische en militaire verdragen, welke we vroeger konden verwachten als een normalen uitbouw van de herziening van het verdrag van 1839 nu als geleidelijke toegang tot diezelfde herziening zullen dienen.

Een nauw bondgenootschap tusschen België, Luxemburg en Nederland is de eerste hoeksteen van onzen internationalen wederopbouw. Maar zelfs gemeenschappelijk vertegenwoordigen deze landen geen geheel, dat op zichzelf berusten kan. Wat is, in de orde van belangrijkheid, de naaste aansluiting?

Indien ik aan mijn wensch het eerste woord kon laten zou ik zeggen: Groot-Brittannië en Frankrijk. Geen internationale aansluiting kan ons aangenamer zijn dan deze welke ons tegelijkertijd deelgenoot maakt van een bondgenootschap tusschen deze twee groote en bevriende machten. Dit is geen zake van gevoel alleen. Geen kwestie van een keuze te vermijden tusschen twee landen, met welke wij in twee oorlogen in het vuur hebben gestaan en zonder welke wij onwederroepelijk aan de Duitsche heerschzucht zouden zijn prijsgegeven. Het is zake van politiek realisme, in den meest volledigen, maar ook in den meest eerbiedwaardigen zin van het woord. Het bondgenootschap tusschen Engeland en Frankrijk is het anker van de veiligheid in West-Europa. Het is omdat dit anker faalde dat de vrede van Versailles ten gronde is gegaan en wij een tweede maal den waanmoed van de Duitsche legerbenden hebben moeten ondervinden.

Het is te vroeg om zich over den stand van zaken tusschen Frankrijk en Groot Brittannië uit te spreken. Frankrijk is nog niet genoeg bekomen van de vernedering en ontreddering, welke door de mannen van Vichy werden veroorzaakt, om zijn weg te gaan met vasten stap. Zekere schommelingen in zijn buitenlandsche politiek zijn beïnvloed door de onvastheid van de binnenlandsche toestanden. Andere prestigeberekeningen opgedreven door het bewustzijn van zijn werkelijke zwakheid. Frankrijk wenscht zijn rang als groote mogendheid niet te laten aantasten op het oogenblik dat de groote mogendheden voor zich het recht opeischen de grondslagen te bepalen van de nieuwe wereldorde en zich de roeping willen toekennen om over de handhaving van deze orde in hoogere instantie te beslissen. Deze bezorgdheid is begrijpelijk. De voorbijgaande gebrokenheid onder welke Frankrijk lijdende is kan het niet berooven van een medezeggenschap, die steunt op een groot verleden en door steeds ruime toekomstmogelijkheden wordt gewettigd. Maar het zou m.i. een verkeerde en trouwens gevaarlijke taktiek wezen indien Frankrijk zijn internationalen invloed wilde vermeerderen door op de wip te gaan zitten tusschen Oostelijk en Westelijk Europa. Frankrijk

[p. 115]

is in zijn wezen en zijn ligging een West-Europeesche mogendheid en, gezien op het wereldplan, een maritieme en koloniale mogendheid, zooals Engeland is. Het is in de verdediging en de grootheid van West-Europa dat het zijn vaste steunpunten moet zoeken op internationaal gebied. Deze opvatting veronderstelt nauwe verstandhouding met Groot-Brittannië.

Wij wenschen zelf met Frankrijk niet alleen een zeer vriendschappelijke, maar ook een zeer actieve samenwerking. Zoowel als noordelijk voor Holland staan onze grenzen zuidelijk open voor Frankrijk voor een cultureele uitwisseling, die een natuurlijk gevolg is van de bestaande taalgemeenschap. Ook op economisch gebied hebben Frankrijk en België wederzijds belang bij een levendig en gemakkelijk verkeer. De overeenkomst, welke op 20 Maart jongstleden, werd onderteekend te Parijs tusschen Frankrijk, Nederland en de Belgo-Luxemburgsche Unie met het doel een vaste organisatie te scheppen tot bevordering van hun economische samenwerking, bijzonder in deze periode van wederopbouw, komt me voor als een gelukkig initiatief. Maar op het gebied van de veiligheidsvoorzorgen, duurzame economische verbonden of andere ingrijpende internationale regelingen zou een eenzijdige aansluiting bij Frankrijk niet zonder bezorgdheid worden onder het oog gezien. Wat gebeurd is met het militair akkoord van 1920 en de latere Ruhrbezetting moet zich niet herhalen. Wij moeten ons onthouden van overeenkomsten welke hetzij afbreuk zouden doen aan de noodzakelijke solidariteit met Nederland hetzij aan de onmisbare medewerking van Groot-Brittannië, maar binnen dit voorbehoud ligt een nog ruim veld open voor een vertrouwende en vruchtbare Franco-Belgische samenwerking.

Het zooeven uitgesproken voorbehoud kan wellicht opnieuw zijn toepassing vinden bij de behandeling van het zoogenoemde Rijnvraagstuk. Generaal De Gaulle heeft zich onlangs woorden laten ontvallen, welke opzien hebben gebaard en welke van Belgische en Nederlandsche zijde niet zonder tegenspraak zouden blijven indien ze in hun letterlijke beteekenis moesten worden opgenomen. Hij sprak van den Rijn als een Fransch bolwerk over zijn geheele lengte en van de beslistheid van Frankrijk om desnoods op eigen hand een duurzame militaire bewaking van de Rijnoevers te verzekeren. Ik doe aan de grootheid van Frankrijk niet te kort wanneer ik zeg dat zijn macht niet toereikend is om deze taak alleen te volvoeren. Wij gunnen gaarne aan Frankrijk de vergoeding welke het oordeelt te kunnen vinden in het Saargebied, maar wij zien geen heil, noch voor Frankrijk zelf, noch voor Westelijk Europa in het algemeen in een machtsuitbreiding, welke het zou dwingen ook boven de Moezel op eigen gelegenheid de wacht te houden. Het zou ongelijk hebben voor een zoo avontuurlijk ondernemen te rekenen op den bijstand van België en - ik ben er zeker van - ook van Nederland.

Het Rijnvraagstuk - het voor ons meest directe van de vraagstukken verbonden met het Duitsche probleem - behoort tot de West-Europeesche politiek in het algemeen. Het vormt in zekeren zin het sleutelprobleem van de Engelsch-Fransche verstandhouding, op welke geheel het stelsel van de

[p. 116]

West-Europeesche samenwerking berust. Moge het niet andermaal een steen des aanstoots, maar integendeel de sluitsteen wezen van een door ons, met vurigheid gewenschte bondgenootschap tusschen de garanten onzer onafhankelijkheid, welke nooit aan hun gegeven woord tegenover ons hebben verzaakt.

Deze beschouwingen zouden zeer onvolledig zijn indien niet, om te besluiten, een bijzonder woord werd gewijd aan onze verhoudingen tegenover Engeland. Van al de groote mogendheden is Groot-Brittannië, op het plan van onze onafhankelijkheid en onze veiligheid, ons het naaste. Deze vaststelling is niet ontleend aan de jongste oorlogservaringen alleen. Zij is niet ingegeven door loutere gevoelsoverwegingen, hoe groot onze bewondering en onze dankbaarheid mogen wezen tegenover het volk, dat in de donkerste dagen van den oorlog, de eenzame levende brug is geweest die den weg naar onze bevrijding en naar den triomf van het recht heeft open gehouden. De vriendschap van Engeland is sedert eeuwen de beste schutse van onze vrijheid. Zij is, naar een woord dat Minister Spaak in een van zijn laatste redevoeringen in de Kamer van de Volksvertegenwoordigers gebruikte, de constante van onze politieke overlevering en het zou strijdig zijn met onze meest essentieele belangen een richting te willen ingaan, welke ons van deze vriendschap zou verwijderen. Van Engeland kunnen wij zeggen dat, niettegenstaande de ongelijkheid in de machtsverhoudingen, zelfs een nauw bondgenootschap met hem mogelijk is zonder onze geestelijke onafhankelijkheid te bezwaren.

Deze gunstige verhouding is niet de vrucht van een toeval, noch het gelukkig resultaat van een voorbijgaand regeeringsbeleid, zij is het natuurlijk gevolg van de geografische ligging en van het permanent belang van Engeland zelf. Engeland heeft geen belang bij gebiedsuitbreiding op het vasteland, maar het heeft behoefte aan een veilige Noordzee en aan een vredelievend beheer van de havens en stroommondingen welke het verkeer op de Noordzee het meest beïnvloeden. Nederland en België spelen in zijn veiligheidspolitiek een voorname rol en het is steeds een van zijn bijzonderste bekommernissen geweest te beletten dat een machtige nabuur zich meester zou maken van de zoo gewichtige gebieden.

 

Engeland is bovendien bij uitstek het land van de democratische vrijheden en van de onbelemmerde regeering van het volk door zijn eigen vertegenwoordiging. Door de verspreiding van zijn rijksgebieden is het de aangewezen verdediger van de veiligheid der zeeën en het gezag van het internationaal recht. Maar er is tevens een andere bijzonderheid welke een samenwerking met Engeland voor de kleine landen vergemakkelijkt. De macht van Engeland is niet deze van een gewone grootmogendheid, steunende op eigen kracht alleen. De macht van Engeland rust op de saamhoorigheid van de Commonwealth en het Britsche Gemeenebest is niets anders dan de vrijwillige groepeering rondom Groot-Brittannië, van een aantal kleine of middelmatige staten die

[p. 117]

juridisch slechts verbonden zijn door de aanhankelijkheid aan dezelfde Kroon, en welke onderling in taal en zeden groote verscheidenheid vertoonen. Dit geeft aan de Engelsche politiek een zeldzame soepelheid en verplicht haar tot een bestendige nauwlettendheid om geen der kleinere deelgenooten te krenken noch in hun persoonlijkheid noch in hun essentieele belangen.

 

Wat men de Engelsche politiek verwijten kan is haar al te groote terughoudendheid en omzichtigheid. Het ‘wait and see’ kan in vele omstandigheden een stelregel zijn van politieke wijsheid maar er zijn keerpunten in de geschiedenis waar de volken niet lang wachten kunnen op een besluit. De tijd waarin we thans verkeeren behoort tot de meest beslissende en de kleine volken van Westelijk Europa zien met bezorgdheid uit naar een veilige richting. Het uur is aangebroken waarop het leiderschap van Groot-Brittannië zijn volle waarde moet vertoonen.

prepostterug  begin  verder