terug  begin  verderprepost
[p. 161]

Gerard Walschap
Wat willen de jongeren?

Jaren geleden ontstemde ik de jongeren door te vragen waar ze bleven. Ik zal de toekomst verder laten uitmaken in hoever ze mij tot nu toe gelijk heeft gegeven. Tijdens den oorlog heb ik er in berust dat geen jongeren naar voren konden treden tenzij ze toevallig in de eenig ware leer waren bevestigd. Daar het volgens mijn bescheiden meening alleen door een duizendste toeval mogelijk is, dat een kunstenaar spontaan en van nature zou presteeren wat hij weet dat door de machthebbers van hem wordt geeischt, had ik op voorhand al geen vertrouwen in jonge orthodoxen der volksverbondenheid, die zich dan ook niet hebben aangemeld. Maar ik was er van overtuigd dat in een of anderen, al dan niet gegroepeerden, geestelijken weerstand bedwongen krachten gistten, die na de bevrijding forsch zouden uitbreken. De vorige oorlog was in vergelijking met den huidigen nauwelijks ideologisch en hij verwekte in ons geslacht een van ideologie bruischende artistiek-humanitaire beweging. Nu ben ik een te koppig pacifist om de ideologische beteekenis van dezen tweeden oorlog te overschatten. Ik zal elders zeggen wat ik daar precies mee bedoel. Maar op slot van rekening was in geding en dreigde doodgedrukt te worden een persoonlijke vrijheid, die in mijn oogen bij zekeren graad van beschaving even essentieel is als brood en vleesch. Wij hebben dit diep gevoeld. Nu verwachtte ik dat een in het geheim beoefende aanbidding van de vrijheid, een in het donker trotsch gebroeid besef van waardigheid en recht, de substanties zouden geworden zijn van een opstandige jeugd, die zich met groote kracht zou affirmeeren. Ik meende ook dat eenerzijds het contact met een groot vreemd volk, dat zich superieur noemde en het niet was, ons zou genezen hebben van inferioriteitscomplexen en dat anderzijds onze betrokkenheid in het wereldconflict eindelijk onze oogen zou hebben geopend op de onbeduidendheid van onze huisgeschillen en leusjes. Kortom, ik verwachtte een wereldburgerlijke, vlaamschbewuste, individualistische jeugd.

Tot nog toe zie ik daarvan niets. Wel verneem ik hier en daar mij sympathieke stemmen die iets nieuws willen. Ze klinken onvast en zwak en dat vind ik nog zoo erg niet, want er zijn groote geluiden die zich aarzelend aankondigen. Maar ze klinken zonder hartstocht en dat stelt mij niet gerust. Ze klinken huisbakken en dat wantrouw ik. Ze klinken zuiver literair en

[p. 162]

dat verfoei ik diep.

Toch wil ik heelemaal niet vooraf ontmoedigen of miskennen. Integendeel. Meer ten behoeve van de jongeren dan tegen hen, wil ik de ondervinding laten spreken van een weldra... ouden schrijver die, revolutionnair begonnen, zijn strijderschap niet verzaakt en zich nog sterk genoeg voelt, eerst en vooral om op te komen voor het zijne, maar ook om progressief mee op te stappen.

Mijn eerste ervaring is dat elk schrijver afzonderlijk en elke literaire jeugd tegenover de voorgangers revolutionnair moet beginnen. Dat klinkt revolutionnair en het is nochtans een ouderwetsche traditioneele waarheid à la Palisse. Het spreekt immers vanzelf dat een schrijver of schrijversgroep met sterke persoonlijkheid in een nieuwen vorm nieuwe gedachten brengen. Dat heeft niets te maken met modezucht, kliekjesgeest of snobisme, die trouwens gemakkelijk te kennen zijn aan hun cerebralisme, hun pose en vooral aan hun scheppende onmacht. Dat is doodeenvoudig de grondwet van leven en kunst: vernieuwing. Schrijven jongeren vormen en gedachten na, dan zijn zij niet belangrijk. Zijn zij belangrijk, en dat wil zeggen zijn zij werkelijk scheppende kunstenaars en geen behendigen met ‘een goede pen’, dan kunnen zij hun oorspronkelijkheid niet affirmeeren zonder het door hun voorgangers tot traditie gemaakte te verwerpen. En juist aan den hartstocht waarmee zij verwerpen is de gloed te meten waarmee zij zullen scheppen.

Het valt een oudere niet pijnlijk dat te schrijven, in schijn tegen zichzelf. Zij kennen mij niet die meenen dat ik epigonen zoek. Mijn naschrijvers hebben mij wel terloops den vluchtigen trots geschonken dat ik het beter en vooral voor het eerst had gedaan, maar bovenal bestendig mij geërgerd met gebreken welke ik getracht heb en gemeend te vermijden. Ik heb niet slechts voor mijzelf mijn boeken geschreven, ik heb meegebouwd aan de Vlaamsche letterkunde. Haar welzijn gaat mij ter harte. De verschijning van elk schoon boek verheugt mij om haar. De vernieuwing die zij bestendig noodig heeft is mijn zorg. Haar zoo noodzakelijke verruiming, waartoe ik meen te hebben bijgedragen, wensch ik te zien voortgaan. Wat zij van mijn schrijfwijze en van mijn geest zou te winnen hebben, zal zij van mij krijgen uit eerste hand, daar behoef ik geen assistenten voor. Die non-conformistisch, jong en stout, vertrekken van een nieuwe meet, die volgen in mijn oogen beter mijn voorbeeld, op hen ben ik trotscher dan op al mijn epigonen.

Mijn tweede ervaring is dat geen schrijver en geen literaire jeugd genoeg hebben aan een zuiver letterkundige voorkeur of programma. Een schrijver is iemand die iets te zeggen heeft en de oorspronkelijke wijze waarop hij het zegt is daarvan slechts een betrekkelijk gering deel. De substantie is hoofdzaak voor prozawerk en de substantie is wat overblijft wanneer het werk vertaald is. Hoe fel ik ook in mijn jeugd gefulmineerd heb tegen het literatureluren en hoeveel verrukkingen de beoefening der schoone letteren mij ook heeft onthuld, nog heb ik moeten ondervinden dat het zuiver literaire minder belang heeft dan ik aanvankelijk dacht. Wat den kunstenaar

[p. 163]

maakt, dat is het menschelijke, het diep, intens, hevig, maar eenvoudig en oprecht leven van den geest, van de zinnen, van het gemoed, en niet van een dezer drie, maar van de drie samen en dit buiten elke literaire bekommernis om. Laten op voorhand en voorgoed de hoop verliezen ooit iets wezenlijks bij te dragen tot de vlaamsche letterkunde of, zooals zij zoo gaarne zeggen, ‘een generatie vormen’, allen die ons niets anders te vertellen hebben dan dat ze zus of zoo zullen schrijven. Dat interesseert ons niet, de kwesties of ze iets te schrijven hebben. Want nooit en onder geen voorwendsel mag de periode terugkeeren van de ‘literatoren’ die hun geestesarmoe en hun futloosheid in fraaie letteren verpakken. Minder dan ooit is de tijd er naar. Onze letterkunde heeft het voorgoed achter den rug. Het terugzinken in een hoogmoedige en onvruchtbare ivoren-toren-bekrompenheid is juist even funest als het folklorisme waaraan we ons ook hebben ontworsteld. Wij hebben dien strijd niet gevoerd om een stoeltje te ruimen voor nieuwe schoolmeesters in calligraphie. Onze Vlaamsche letterkunde moet open blijven en wijder opengaan, op het volle leven, met vergezicht over Europa en de wereld. Wie wil schrijven moet lezen, leeren, werken, leven. Van literatuurfoefjes zijn wij niet meer gediend.

Mijn derde ervaring is eerbied voor werkelijke literatuur en werkelijke schrijvers. In mijn jeugd dacht ik dat alles aankwam op talent, kunnen of niet kunnen. Ik heb ondervonden dat het ware kunstwerk van hem die de gave bezit het te maken, de gave of den doem, of de gave zoo dwingend als een doem, een groote, langdurige, zelfvergeten en eerbiedwaardige inspanning vergt van de gansche ziel. Het vat een leven samen, of een levensgedeelte dat dapper en met eere geduld is en gedragen, want ervaring niet ten einde toe doorleefd, laf, lui of eerloos opgegeven, kristalliseert niet tot kunst. Is eenmaal dit innerlijk lot rechtschapen aanvaard en zal het worden neergeschreven, dan eerst wordt de geestelijke moed van den kunstenaar op de volle proef gesteld. Hij kan zijn lyrischen dwang afleiden en in plaats van een boek dat een daad is, en biecht en een boodschap, een werkstuk maken dat hem de niet te onderschatten vreugden van het vakmanschap schenkt en de zelffoltering van den kunstenaar bespaart. Maar zelfs indien hij in sublieme dwaasheid het gevecht met de nachtegalen aangaat, wordt hij nog op de proef gesteld bij elk woord, elken zin. Hij kan schrijven naar waarheid of conventioneel, naar waarheid of naar den zin van den lezer, naar waarheid of ter eigen verheerlijking, naar waarheid of om geld. Geen woord geschreven om de waarheid wordt hem vergoed met iets anders dan het behoud van zijn zelfachting of misschien een zeldzame genegenheid, maar zijn artistieke leugentjes worden betaald met succes.

Sinds ik heb leeren kennen de gestrenge verschrikkelijkheid van de kunstenaarseerlijkheid lees ik streng en scherp om den leugenaar te onderscheiden van den kunstenaar, lees ik scrupuleus om mij tusschen beiden niet te vergissen. Den eersten vervolg en verguis ik met hartstocht, den tweeden vereer ik in deemoed en genegenheid, want ik weet dat hij, veel meer dan

[p. 164]

een schrijver met altijd betwistbaar talent, een edel mensch is die mijn hoogachting verdient en dat zijn werk, veel meer dan een tijdverdrijf voor ledige uren, een houvast is voor den mensch en een bouwsteen voor de gedurig in ons hart en in de maatschappij bedreigde beschaving, die nog verkeert in haar allereerste beginstadium en door zulke kunstenaars vaster bevestigd wordt dan door veldheeren, autocraten, ministers.

De vurige wensch van een oudere voor de jongeren is dat, wie zij ook zijn en wat zij ook willen, zij dát in de letterkunde zien, dát er van maken. Geen mooie, slimme literaire ijdelheid, maar het brandend getuigenis van den mensch.

prepostterug  begin  verder