i.s.m.
[p. 165]
Jan Vercammen
Gij zijt niet hier
Nu gaat een najaar hopeloos verloren:
de laatste rozen, de chrysanten staan
zoo stil, zoo wezenloos en als geboren
uit een seizoen, dat daadlijk is vergaan.
De gele gevel vangt wat zonnestralen
van dezen avond op te Sint-Andries,
waar merels zongen op uw ademhalen
en onze wijngaard naar uw handen wies.
Ik zin er op, dat gij zoovele jaren
wat avondzon op uwe vingren vingt
voor mij, toen uit de blonde notelaren
de vruchten vielen in de schemering.
Gij zijt niet hier. Wat zal er dan geschieden,
als ik alleen den winter in moet gaan?
En hoe betreed ik morgen de gebieden,
waar nog uw sporen op de wegen staan?
Ik weet het niet. En was het niet verkoren,
dit najaar, om een groot geluk te zijn?
Maar, hopeloos en traag, het gaat verloren.
Ik sta bij mijn gesloten klavecijn.