i.s.m.
[p. 201]
Anton van Duinkerken
Dichters bezinning
Laat mij nog eenmaal zeggen, hoe schoon ik vond
Onder Gods oogen enkel een kind te zijn;
Dankbaar, zoodra er maar zon aan den hemel stond,
Dronk ik het dagbegin feestlijk als morgenwijn.
Klanken ontwaakten, waarin ik hooren mocht
Hoe Zijn Bestuurder zelf het heelal bemint.
Waren er vragen, waarop ik antwoord zocht,
't Waaide mij toe in den zomerschen ochtendwind.
Waar ik narcissen blinken en buigen zag,
Wist ik mijzelven zorgeloos zielsverwant
Aan hun verliefde stoeien, den heelen dag
Door, met de zon en de wind aan den waterkant.
Doch rijpen vruchten niet in een feller gloed?
Toen ik een knaap was, zocht ik bij knapenpret
Wat ik eerst vinden mocht na veel tegenspoed:
't Eigen, eenzelvige deel aan de scheppingswet.
Laat mij nog eenmaal zeggen, hoe goed het was
Tranen te schreiën, tot mij gestild verdriet,
Als wie een glimlach in moeders oogen las,
Dwong tot de vreugden van 't meer bezonken lied.
Zag ik niet zorgenbereid mij terzijde staan
Haar tot wier weemoed mij Gods behagen riep?
Zag ik haar oogen niet over mijn lijden gaan
Zacht als de weelden, die mij haar liefde schiep?
[p. 202]
Vogels en bloemen zijn mij ten vreugd gemaakt,
Doch als ik scheiden moet, laat dan een kinderoog,
Opperste zaligheid, waarnaar mijn wezen haakt,
Zekerheid geven, dat ik mij niet bedroog.
Aanheffen zal ik dan nogmaals een jubelzang
Als mij voorhenen van ieder verdriet genas.
Wat mij beminde, heel mijn leven lang,
Laat mij voor eeuwig zeggen, hoe goed het was.