Een schrijver moet ook de monsters onder zijn figuren liefhebben, dat hoort bij zijn beroep. Hij moet zelfs, in een verloren hoekje van zijn hart, van zijn gevallen engelen nog wat meer houden dan van de andere, verheven en glanzend - met die andere zullen de lezers wel dwepen. Maar hij, hij kent zijn demonen van nabij, zij zijn evenzeer zijn kinderen als de goeden en schoonen; hij moet ze laten weliswaar voor wat ze zijn, omdat hij zelf onder het gebod der onverbiddelijke schoonheid staat, maar hij moet zich ook huiverend over hen erbarmen - ach, wat moet een schrijver al niet lijden om de boeven onder zijn kroost. En als hij ze schildert, terwijl hij zijn palet afzoekt naar alle diepe zwarten, mengt hij soms in al die duisternis een traan: vandaar dat de gruwel, onder zijn handen, af en toe zoo onbegrijpelijk liefelijk blinkt en van achter het masker van den misdadiger u het smartelijk gezicht van den armen mensch aanstaart, een wegverloren deerniswekkenden broeder - vraag het maar aan de vervloekten der oude tragedie, de booswichten van Shakespeare en de demonen van Dostojewsky.
***
Men doet waarschijnlijk het best, de kunst van Van Schendel te beschouwen als een wereld op zichzelf, met haar eigen visie en haar eigen stijl - en daarin ligt het bewijs voor de grootheid van dezen schrijver; maar door een zekere eenzijdigheid in die visie en een zekere eentonigheid in dien stijl behoort hij niet tot de allergrooten der wereldliteratuur.
Waarschijnlijk wordt met deze twee woorden: eenzijdigheid en eentonigheid, de kern zelf van Van Schendel's tekort geraakt.
Eén-zijdigheid in zijn visie op leven en menschen, die te weinig dimensies bezitten, eigenlijk nooit meer dan één enkele.
Eén-tonigheid in zijn stijl, die te weinig georkestreerd is, eigenlijk altijd met dezelfde stem van één enkel instrument musiceert.
Er is in de kunst van Van Schendel als een bestendig ontwijken, een uit den weg gaan van de dramatische hoogtepunten. Zoowel in hun conceptie als in hun opbouw lijken zijn romans verwant aan het vlakke rhythme van Holland zelf, aan de wijde trage vlakte en haar grijze licht-doorzeefde at-
mosfeer; alle gróótste kunstwerken doen echter denken aan een berglandschap. Ik wil hier geen tientallen namen aanhalen; ik wijs alleen maar naar een Racine, dien men zoo tallooze keeren als een uiterste van gereserveerdheid en bedwang heeft beschreven: den ‘teederen’ Racine, die ook zoo wreed kan zijn; den volmaakten slijper van alexandrijnen, die hij telkens met woorden van drift doorbreekt; den verzorgden plechtigen hoveling, maar die zijn menschen hun gang laat gaan als de hartstocht hen meesleept in zijn tempeest, den waanzin van Orestes, de hallucinaties van Phaidra, de vervloekingen van Athalie - strak aan banden gelegde, beteugelde kunst, maar die den climax der ontzetting en der verrukking aandurft tot het einde.
Mij doet dit proza van Arthur van Schendel menigmaal denken aan de muziek van Debussy. Er is in beide hetzelfde technisch raffinement, dezelfde bezonken adel, dezelfde limpiditeit, dezelfde bedwongen ontroering in een principieelen afkeer van alle heftigheid. Het is hier niet de vraag, in hoever dit afwijzen van het fortissimo historisch te begrijpen valt als een reactie tegen de naturalistische uitspattingen en het Wagneriaansche koper; zelfs wie het als een extreem geval van artistieke beheersching en apollinische orde wil beschouwen, zal moeten erkennen, dat hiërarchie een element der artistieke orde is. Deze hiërarchie der gevoelens en der motieven wordt in de egale muziek van Debussy en in dit egale proza van Van Schendel te veel miskend.
***
Men heeft vaak gesproken van het mannelijke in Henriette Roland Holst, van het mannelijk accent in haar stem ‘die ruischte zoo diep en zwaar’, en zij heeft dat zelf erkend en het toegeschreven aan de nabijheid der zee, waar zij is opgegroeid.
Maar toch, middenin den strijd der mannen was zij de Amazone, en dus een vrouw. Een vrouw met een ontvankelijk plastisch gemoed, smachtend, hartstochtelijk, telkens weer overgegeven aan een nieuwen droom en telkens weer aanleunend tegen de borst van een grenzeloos bewonderden geestelijken heros: Dante, Marx en Tolstoj; een vrouw met altijd weer de liefde als eerste en laatste argument, zoo smartelijk verdeeld soms in zichzelf als een moeder tusschen haar kinders, zoo vaak tot op den bodem van haar ziel gespleten, zoo gansch anders kortom dan de jarenlange vriend en wapenbroeder Herman Gorter, den steilen kantigen man zonder één barst in den steen. Is het om den durf en de dapperheid, dat men spreekt van iets mannelijks in haar? Neen, het is niet noodig bij den moed aan mannen alleen te denken. De ‘tegen mannen opwegende’ Amazonen, zoo noemde Homeros hen reeds En zóó eene is Henriette Roland Holst geweest, maar onder het harnas der Amazone met het hunkerend hart van een vrouw.
***
Er bestaan een aantal oorlogsromans, die indertijd een opzienbarend debuut vol beloften hebben gevormd, en waarvan de ineens beroemd geworden auteurs naderhand ofwel wijselijk hebben gezwegen of ons niets anders meer dan ontgoocheling hebben gebracht.
Zij waren geen geboren schrijvers, geen schrijvers der verbeelding; zij werden niet door een daimon, van binnen uit, tot schrijven gedwongen. Zij kwamen slechts tot literairen arbeid na en ten gevolge van den druk van uiterlijke omstandigheden, waardoor zij zóó werden aangegrepen en vervuld, dat zij in een ongewonen staat van spanning en geladenheid verkeerden. Deze toevallige hoogspanning, deze toevallige geladenheid neemt dan momenteel de rol van de musische bezetenheid over en stelt alzoo den mensch in staat, om zijn hevig doorleefde realiteit tot een bovenpersoonlijk plan en een algemeen beeld te verheffen. Zoo moeten vele middeleeuwsche liefdeliedjes zijn ontstaan, en onze Geuzenliederen, en de Marseillaise; zoo zijn enkele van de beste oorlogsromans geschreven door menschen, die tijdelijk boven zichzelven uit, boven de grenzen van hun wezen uit leefden, soms maar voor den duur van een enkel werk, een enkel vers, waarin zij zich letterlijk ledig schreven.
Maar de musische bezetenheid is een inwendige kwaal, ongeneeslijk meestal, voor het leven lang.
***
Het scheppingsproces is een wonderlijke mengeling, bewust en geduldig als het slijpen van den diamant, èn onbewust en wispelturig als het ademen van de ziel. De dichter hanteert de taal als een meester-ambachtsman, èn als een magiër meteen; onvermoede bekoringen, geheime werkingen roept hij er uit op, en met de armzalige woorden van iederen dag suggereert hij soms het onuitsprekelijke. In het onpersoonlijk gebruik van den dagelijkschen omgang zijn de oorspronkelijke krachten der taal verdoft en verstard, maar op den bodem der taal liggen ze latent te sluimeren, te wachten op den toovenaar, die ze wekken zal. Die toovenaar is de dichter, de vinder van symbolen, de ziener en hoorder van symbolen. Hij herstelt weer het geheimzinnig contact tusschen de innerlijke beleving en de openbaring in het woord. De muziek die hij hoort van binnenin, stroomt als een fluïde over in de instrumenten van zijn taal. In zijn mond wordt het woord weer symbool, bezield symbool - of, liever misschien nog: onmiddellijke uit-drukking van leven. Oerdiepe krachten en de hoogste cultuurdrang raken elkaar en vinden elkaar in de spraak van den dichter.
Maar hoe vaak wordt de dichter tot vertwijfeling toe gekweld, wanneer de taal hem in den steek laat! Middenin al den overvloed der duizenden duizenden woorden, zit hij armer dan een bedelaar, want niemand kan hem geven. Er is een spel van medeklinkers waarvan hij droomt, en dat de weerbarstige taal niet wil dansen; een diep begeerde klankassociatie, die hij niet
kan aanslaan in een stemmingsakkoord: o muzikale martelingen; een woord dat hem voorzweeft als een gazelle en dat hij eindeloos vruchteloos najaagt: o wanhoop en lijden der scheppingsvreugd. Uit den roes der bezieling keert hij terug met de bitterheid: een knoeier te zijn - het klonk zoo anders daarginds. Ook de schoonste taalsymphonieën zijn soms maar een weergalm van de muziek, die de dichter daarginder hoorde ruischen, verrukt en radeloos.
***
Hoe moet de kunstenaar het leven, den mensch en de wereld beelden?
Als een vloeiende raadselachtigheid, - en toch forsch en monumentaal gehouwen, - en toch vloeiend van geheim gebleven.
Ik houd van mystiek realisme.