Notre phalange, hélas, lentement décimée, présente à chaque appel un groupe plus réduit.
Camille Melloy: Chant prémortuaire in ‘Requiem’.
Inderdaad, onze Leuvensche phalanx is aan de beurt! Nu werd August Van Cauwelaert opgeroepen: en hij antwoordde niet meer. Het laatste solemneel appel waarop wij allebei, Gust en ik zelf en zooveel anderen uit onze phalanx ‘present’ waren, was de heuglijke jubileum-zitting van ‘Met Tijd en Vlijt’, waaruit wij Professor Boon zaliger - een andere en een der allerbeste uit onze studentengeneratie - met het doodenmasker op zijn gelaat van den feestkatheder naar zijn sterfbed brachten.
Leuven in de eerste jaren dezer eeuw, in het gulden decennium van Jef Van den Eynde, dat in de geschiedenis der Vlaamsche studentenbeweging aan de Alma Mater zijn gelijke niet heeft! Wij hebben daar toen geleefd als goudvisschen in een oerklaar bronnewater met onder ons den Rodenbachschen abyssus van onze verlangens en boven onze hoofden het ongerepte uitspansel van den Vlaamschen Gezelle-hemel, zooals hij ons door Hugo Verriest was geopenbaard en door Stijn Streuvels in ongekende kleuren was geschilderd. Heeft er ooit een schooner studentengeneratie in een beteren tijd, in een heerlijker Leuven geleefd? Wij gelooven van niet. Of is deze meening wellicht een onmiskenbaar teeken van onontkoombare seniliteit zooals de verharding van onze aderen en de verhooging van onzen bloeddruk?
Wij worden inderdaad stilaan oud, ‘notre phalange, hélas lentement décimée...’ De tijd van schoone illusies is voorbij en met den dag wordt de grens der herinneringen verder verlegd naar het uitwijkend verleden. Doch wanneer ik nu weer eenmaal zooals vandaag de vergeelde groepsportretten uit dien tijd bezie, en al de namen oproep waarvan de meesten, door alle stoornissen en tribulaties heen, een zuiveren herkennelijken klank hebben bewaard in onze Vlaamsche Katholieke cultuur, wijl de weemoed mij bekruipt om al wat onherroepelijk is te loor gegaan, bedauwt mij tevens de zoete zaligheid bij 't herdenken van zooveel blijdschap, waaraan we ons mochten beroezen, aan zooveel goeds waarvan wij ten overvloede te genieten kregen, aan zooveel schoons waaraan we mochten meebouwen en waaraan wij te danken hebben wat wij nog zijn en waarom wij God loven.
Dat de naam van August Van Cauwelaert in de rij van dezen uit die generatie, welke in piëteit herdacht zullen worden, vooraan zal staan, is voorwaar geen sibyllische voorspelling.
***
Ik durf niet te zeggen dat Gust Van Cauwelaert een student was lijk de meesten onder ons. Ik had geen dagelijkschen omgang met hem. Ons beider ‘kot’ was in dezelfde buurt maar onze uren van komen en gaan, van den zonsopgang naar den ondergang en omgekeerd, stemden niet overeen. Onze respectievelijke faculteitsgebouwen stonden ver van elkander en bij het huiswaartskeeren hadden wij verschillende gewoonten.
Hij behoorde bij de Brabanders uit de Mechelsche straat, die wij slechts zelden bezochten en hij was er trouwens geen dagelijksche gast rond de stamtafel. Wij huisden en buisden in de bruingerookte taveernen van de Tiensche straat, die zij slechts bij gelegenheid bezochten.
Gelaberd heeft hij nooit gedaan en een banketbakkerij was hem behaaglijker dan een clublokaal. Koffie met suiker beviel hem best. Bij een bevolen salamander keken zijn donkere droomoogen met verschrikking naar den boordevollen beker, pinkten even, dwaalden ver weg over de joelende scharen en het zwart, bruine bier was hem te bitter.
Ik heb hem nooit rumoerig in overmoed een gelagzaal zien binnenstormen; het refrein van het Gildelied zong hij mede in sourdine. Hij was zacht en voornaam en eerder schuchter in zijn optreden en in zijn verschijnen lag er steeds een vage weemoed. Hij droeg een zeer hoogen boord en had een selekt gezelschap uit de grensgebieden van 't land der Azteken; de studentenpet was niet op zijn kop vergroeid zooals bij de klassiekers die er dag en nacht mee liepen, maar ze stond hem vreemd boven zijn zwaren zwarten haartooi welke hem in ‘Kerlinga’ den sagen-naam van ‘Harold Harfragi’ had doen toekennen.
Ach Kerlinga! weet gij het nog, kerels en schalken van die afscheidsmale der laatstejaars op dien zoelen zomeravond? Te klokslag middernacht klopte de saks van den ‘Alderman’ op de stamtafel en zij die gaan moesten ledigden den horen met schuimwijn, keerden hem om en zwoeren: ‘word ik U ontrouw zoo breke dees horen!’ Het was Gust zoo waar een zware ernst toen hij den afscheidsdronk deed; de horen is niet gebroken, want hij is niet ontrouw geworden, noch aan zijn vrienden noch aan de idealen van Kerlinga.
Op elke bijeenkomst waar ergens onder de leuze ‘Alles voor Vlaanderen, Vlaanderen voor Christus’ werd vergaderd, was hij aanwezig, ernstig en gemeend; in den Sprekersbond, op de Redactie van Ons Leven, die soms vergaderde als de lichten gedoofd waren, en vooral op de Vrijdagavonden van Met Tijd en Vlijt in de Minderbroedersstraat waar wij, onder het vakerige voorzitterschap van den stilaan doodgaanden Professor Vliebergh, letterkundige filosofen, germanisten en andere philologen, juristen, medici, zelfs
boerologen en zeldzame ingenieurs, mitsgaders, Geestjes, Scheutisten en allerlei andere bruine, zwarte en eksterachtige letterlievende levieten en weetgierige discipelen van Onzen Lieven Heer, samenkwamen om van elkanders eerste pennevruchten te proeven of het woord van een meester te hooren.
Toen in 't beruchte jaar 1908 't Verbond ontbonden werd om zijn al te luidruchtig uitgesproken eisch van hooger onderwijs in eigen taal, toen Ons Leven om zijn al te kranig woord verboden werd en de Redactieleden met de vice-rectorale banbliksems werden bestookt, heeft Gust Van Cauwelaert, die voor de rest op 't allerwitste blaadje stond, deemoedig al onze zonden op zich genomen en bewerkt dat het consilium abeundi tot een platonische bedreiging werd herleid.
En ‘Ons Leven’ verscheen verder. ‘Harold Harfragi’ was onkennelijk kaal geschoren geworden en alle andere deknamen gemetamorphoseerd.
***
Er zijn menschen welke men schier dagelijks ontmoet, doch aan wie men buiten deze gelegenheid nooit terugdenkt. Er zijn anderen die men vroeger heeft bezocht en die men later nog slechts zelden terugziet, doch naar wie vaak onze gedachten onwillekeurig gaan en van wie men spijt heeft dat men niet méér in hunne intimiteit heeft verkeerd.
Gust Van Cauwelaert behoort voor mij tot de tweede categorie.
Wij hebben, helaas, elkaar niet dikwijls meer ontmoet na onze Leuvensche jaren. De onverbiddelijke nood van het leven heeft ons elk zijn harde wetten opgelegd en ons van elkander verwijderd in ruimte en tijd, echter niet in den geest. Uit de onbesuisde romantiek van het studentenleven zijn ze met een paar desillusies, waarover wij in ‘De Lelie’ even hebben getreurd, op den harden drempel van het leven komen te staan. Doch op den bodem van ons hart bleef onder de asch van het verleden de sprankel van het heilig vuur doorsmeulen. Gust Van Cauwelaert heeft dit vuur langs zijn levensbaan tot gloed van poëzie aangeblazen en door zijn fantazij met kleuren van Bengalen getooid.
Nu en dan vernamen wij den weerklank van elkanders stem in ‘Vlaamsche Arbeid’. Toen is de dwaasheid van 14-18 over de wereld gekomen en onze wegen zijn steeds verder uit elkaar geloopen. Langs ‘De Stem uit België’, hebben wij weer kontakt gekregen en de echo die wij vernamen was ons beiden vertrouwd en behagelijk.
Op zekeren dag vernam ik dat Gust Van Cauwelaert zwaar gekwetst was, ternauwernood aan den dood ontsnapt en naar de Riviëra ter reconvalescentie gezonden. En op een zonnigen lentemorgen toen de oleanders en camelia's in bloei stonden en de mimosa over de wegen geurde, hebben we
elkander weergevonden onder de wuivende palmen in een villa-tuin op den heuvel van Cannes.
Ik herinner mij nog den angstklop in mijn hart toen ik hem zag naderen. Wat van zijn gelaat onder den donkeren baard nog zichtbaar was droeg de sporen van veel doorleefde smart; de milde zuiderzon had nog niet vermocht hem de kleur en de kracht, welke hem met 't gestolde bloed waren ontvloden, terug te schenken. Hij ging mager en moeizaam-gebogen op zijn stok leunend, in zijn te wijd geworden wapenrok; zijn oogen hadden den doffen schijn van hen, die den dood aan hun bedsponde hebben ontwaard, en langzaam tot het leven terugkeeren. Spreken was hem lastig en telkens weer moest hij rusten en hijgen en hoestte hij pijnlijk uit zijn stukgeschoten long.
Bij het afscheid trilden zijn blanke vingeren in mijn hand en het was niet zonder schroom voor de toekomst dat ik hem verliet.
En de jaren zijn voorbijgegaan. Wij zijn naar Vlaanderen teruggekeerd en hebben elk onzen werkkring weergevonden. De zeldzame keeren, dat wij briefwisselden, was het om letterkundige aangelegenheden. Toen ik hem ‘Epiloog’ ter opname in ‘Dietsche Warande’ stuurde, kreeg ik van hem een brief, waarvan reeds de uithoofding als een dankbare herinnering aan onze studentenjaren klonk en de eindgroet was deze, waarmee wij in Kerlinga elkander toespraken.
En weer kwam de gruwel van den oorlog over ons land, en van af de eerste maanden werd het duidelijk dat Vlaanderen opnieuw in de branding zou komen te staan door de schuld van enkelen. Wij hebben een paar brieven gewisseld, echter niet langs de post, waaruit we van elkander tusschen de regels konden lezen dat wij niet langs de zijde stonden waar, helaas, ook menigeen uit onze studentengeneratie was verloopen.
Toen hij na de bevrijding de Dietsche Warande, weer even sereen als voorheen, had opgeroepen uit het geestelijk puin dat de bezetter had opgestapeld, zijn wij onmiddellijk opnieuw in voeling gekomen.
De briefwisseling over mijn bijdrage over Van Helmont was nog aan den gang toen ik op zekeren dag vernam dat Gust zwaar ziek was en ik vroeg om meer nieuws aan Westerlinck. En het antwoord kwam: ‘zijn toestand is inderdaad zeer bedenkelijk geweest, men heeft het ergste gevreesd, maar Goddank nu is alle gevaar geweken...’
Dien Vrijdag had ik mij voorgenomen Gust een bezoek te brengen en ik belde zijn huisnummer op, om een afspraak te vragen. Een meisjesstem snikte het uit aan het andere eind van den draad: ‘vader is overleden’.
Mijn ambtelijke bezigheden hebben mij verhinderd bij zijn vorstelijke begrafenis aanwezig te zijn, maar ik heb gebeden dat Maria, de zoete melodie van zijn liederen gedenkend, zijn schoone ziel zou begeleiden op den weg naar den ‘heuvel’ van onvergankelijke schoonheid, waarover het ‘licht’ eeuwig schijnt.