terug  begin  verderprepost
[p. 371]

August van Cauwelaert
Nagelaten Gedichten

Heimvaart van Londen
 
Weer slaat de' onrust'gen slaap dat hoog en haatlijk morren,
 
als 't malen van de maan weer naert,
 
het nachtelijk dreigement der scherpe, stalen torren,
 
die keeren van verzade vaart.
 
 
 
Hoe vrij werd plots de vlucht van hun gestrekte vlerken,
 
hoe snel, toen hun ontstelde vracht,
 
los uit den greep der vangen, over huize' en kerken,
 
neersloeg in d'afgrond van den nacht..
 
 
 
De motor danste en dook boven de wolkendammen,
 
het was een blind en huivrend lied;
 
den dreun van 't stortend puin, en 't vreten van de vlammen
 
doorbreekt het dwaaste kermen niet.
 
 
 
Zij varen heim. Maar achter 't schild der woelge waatren
 
zijn horizon en hemel rood;
 
en door hun holle hoofd slaat als het vreemde klaatren
 
het pijpen van hun eigen dood.
 
 
 
Hun hart klopt hard en koud, door hun geklemde tanden;
 
hun keel verschroeit een reeuwsche dorst;
 
maar plots het ronken draalt ...ze zien de seinen branden,
 
en duiken dronken naar hun horst.

September 1940.

[p. 372]
Dit zijn geen nachten meer...(1)
 
Dit zijn geen nachten meer van sterven en van baren,
 
waar, bij geboorte en dood, de schoon-gestrekte rust,
 
de voedzaam-vaste slaap, geleek een veilig varen,
 
een vreedzaam overglijden naar de morgenkust.
 
 
 
Geboorte en dood... 't was beide een oud, vertrouwd gebeuren;
 
de een zei: daar is een mensch ontslapen in den dood,
 
en de andre als uchtendgroet, die draalt van deur tot deure:
 
daar ging een kindje rijpen aan den moederschoot.
 
 
 
De nacht was wederkeer, verzamen en verzaden,
 
de nacht was haard en haven en vergetelheid;
 
de nacht was in de rust van lust en spel en spade
 
het eeuwig zaad dat slapende tot rust gedijt.
 
 
 
Gods adem waakte en wijlde over het licht der oogen;
 
de nacht was om de dagen als een blij verbond,
 
was om de dagen als, - van boord tot boord gebogen -
 
een brug die deemstering en dageraad verbond.
 
 
 
Maar dit zijn nachten van torment en van verderven;
 
de harde en ongeduur'ge dood kent geen respijt,
 
kent geen erbarmen, noch de deemoed van te sterven
 
berustend en 't verzaken in der eeuwigheid.
 
 
 
Zij rukt de poorten op, zij ramt de felle deuren,
 
de daverende sterren duizlen van den slag;
 
de diepten splijten van het vuur, de graven scheuren...
 
kondt de eindlijke bazuin den jongsten oordeelsdag?
 
..................
 
Weer dook de schuwe dag, weer ging het licht verscheiden
 
weer vangt het loeien aan en 't raadloos dreigement.
 
Weer gaat de dronken dood een nieuwen nacht berijden...
 
en geen die weet waarheen de drift dees ruiter ment.

Juni 1945.

(1)Voorlaatste gedicht van Aug. Van Cauwelaert, geschreven enkele weken voor zijn dood, als herinnering aan de afschuwelijke nachten te Antwerpen onder de V-bommen (onvoltooid).
prepostterug  begin  verder