Mijn eerste ontmoeting met August Van Cauwelaert dagteekent van 1906. Dat is nu negen en dertig jaar geleden. Ik liep mijn laatste-jaar-colleges aan de Universiteit te Leuven. Hij begon er zijn studies in de Rechten, na zijn humaniora aan het Klein-Seminarie van Hoogstraten. Had hij mij gehoord in het taal- en letterlievend studentengenootschap, ‘Met Tijd en Vlijt’ of kende hij mij door wat ik toen gepubliceerd had in ‘Jong Dietschland’ of in ‘Vlaamsche Arbeid’? Ik weet het niet en hij heeft het mij niet gezegd. Hij kwam eenvoudig kennis maken en daar zat hij nu in mijn anders zoo eenzame studentenkamer, in de Frederik Lintsstraat, nabij het groene bolwerk van de oude stad.
Ik zag een schoon, edel, jong mensch-gelaat, fijn-besneden en voornaambleek in de sombere omkransing van den zwarten baard en de donkere lokken. Twee diepe, weemoedsvolle oogen staarden mij aan, vol goedheid en broederlijkheid, met den aarzelenden schroom van een jeugdige bedeesdheid.
Hij liet mij zijn eerste verzen lezen in dat licht-dalende, gelijkmatige schrift op kleine blaadjes papier. Zij brachten in mijn kamer de lucht van zijn geboortedorp, Onze-Lieve-Vrouw-Lombeek. Ik zag de weilanden, de velden, de boomen en de heuvelkammen aan den verren horizont. Door de oogen van Guido Gezelle had hij de natuur in zich opgenomen en op het rhythme van den meester had hij zijn jeugdige ontroering in woorden gebracht. Soms ook meende ik iets van den gedachtengang van Prosper van Langendonck te ontdekken. Wij zetten onze eerste schreden op het literair gebied altijd aan de hand van ouderen en wijzeren dan wijzelf. Maar het was alles echt, zuiver als bronnewater. Het kwam uit een droomende, zingende ziel. Ik ontdekte een dichter, niet een neo-romanticus die zich verteederde over zichzelf en afzonderde in een ivoren toren, maar een mensch met een hart, die de beminnelijke illusie koesterde heel het ‘Leven’ te omvamen: van den boer op het veld, den arbeider in de fabriek en in de mijnen, tot de schepen op de zee, die den overvloed der aarde aanvoeren naar de wereldhavens, zooals men dat nu nog kan lezen in het initiaal stuk van zijn eerste bundeltje. En met dat ruim hart wandelde hij doorheen de wisselende schoonheid der jaargetijden met de bloeiende kastanjelaars, de avonden vol roerlooze stilte, zooals hij die beluisterd had in den lentetuin bij de boerderij van zijn vader,
den zomer en den zomergloed rond het heroïsch bedrijf op de akkers, den winter en de mystiek van Kerstnacht over steden en landen, die alle menschen met elkaar verzoent. Terwijl hij zijn examen blokte waren er ‘Regenliedjes’ aan het zingen gegaan in zijn hoofd op de maat van de druppels, die tokten op de ramen van zijn kamer. Van een wandeling naar de ‘zoete Waters’ van Heverlee had hij verbeeldingen en gevoelens meêgebracht die tot blijvende schoonheid werden verwerkt. Af en toe vernam ik de dralende uiting van zijn eerste-liefde-ontroeringen, die hij met zijn kinderlijke vroomheid vergeestelijkte in sonnetten aan Ste Agnes.
Hij vroeg mij om mijn oordeel en hij wist niet hoe hij mij toen, door zijn ongerepte en gave verschijning, een dieper en duurzamer les gaf dan door alles wat ik zoo pas gelezen had en heel zijn later werk, zooals het thans onveranderbaar voor ons ligt, nu de dood er een eind aan heeft gesteld. Want het viel zoo duidelijk aan te voelen: alles was bij hem in de knop, en dat hij tot bloei zou komen stond vast. De man die daar bij mij zat aan mijn schrijftafel, onder het beeld van Dante op mijn schouw en de Schepping van Adam uit de Sixtina aan den wand, was niet alleen de dichter, dien ik had leeren kennen bij het doorlezen van de velletjes die hij mij bracht, maar ook de romancier van ‘Het Licht achter den Heuvel’ en ‘Harry’, de ‘vertellende rechter’ die hij nog moest worden, ja zelfs de held die de drie wonden in zijn borst zou ontvangen, voor de bevrijding van den vadergrond. Heel zijn werk verschijnt mij thans als het levensjournaal van den mensch dien ik toen ontmoet heb en die al die mogelijkheden in kiem in zich droeg.
Het autobiographische van zijn literairen arbeid komt reeds aan het licht in het vroegste bundeltje, waar hij den doodsstrijd van zijn vader beschrijft en de weemoedsvolle herinnering aan zijn moeder, die hij zoo vroeg verloor, tot uiting liet komen in schrijnende elegieën, die later, van boek tot boek, zullen blijven voort neuren. Het waren de eerste dramatische gebeurtenissen, waarop zijn gemoed werd afgestemd voor heel zijn verder leven zóó, dat de toonaard van zijn poëzie eens en voor altijd werd bepaald.
In ‘Verzen, Tweede Reeks’ staan wellicht de mooiste gedichten die hij schreef en het is de geschiedenis van zijn eerste mannelijke liefde en ontgoocheling. Het persoonlijke van het geval werd op een algemeen-menschelijk plan gevoerd en verpuurd in woorden die zijn als bloemen en zich laten rijgen tot een zang vol bijbelsche schoonheid, de verre echo van het Hooglied. Zoo bleef het avontuur bewaard van twee koningskinderen, die elkaar niet konden vinden.
De ‘Liederen van Droom en Daad’ beginnen met de heerlijke bekentenis van zijn geluk toen hij de vrouw gevonden had die voortaan zijn levensgezellin zou worden en de moeder van zijn lieve kinderen. Hij is uit vreemden toover getreden en ‘ter haven geland van eenzaam-verren tocht’. Hij keert nu naar alle horizonnen de hooge rust van zijn gelaat en weet nu dat ongekende krachten de kracht van zijn bewusten wil voor altijd zullen sterken.
Dan begint de epiek van zijn soldatenleven, tijdens den eersten wereldoorlog: de dagen en nachten in en bij de loopgraven aan den IJzer doorgebracht, de wonden die hij opliep en als bloemen offerde aan Maria in de Meimaand van toen:
Ik leefde toen in Parijs en had hem sedert onze maandelijksche redactievergaderingen voor ‘Vlaamsche Arbeid’ niet meer gezien. Het eerste levensteeken dat mij opnieuw van hem toekwam was een brief uit Cannes, aan de Riviera, waar hij stilaan tot beterschap kwam. Wij zouden elkaar terug vinden in de bezorgdheid voor dit tijdschrift dat hij, tot het bittere einde bleef besturen.
Het auto-biographische van zijn dichtkunst zal wel niemand ontgaan, maar wat er aan jeugdherinneringen in zijn romans besloten ligt heeft hij zelf eens uitgelegd in een merkwaardige lezing die ik hem hoorde houden in de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde. Het is maar al te duidelijk dat zijn ‘vertellingen van den rechter’ uit eigen beleven geboren werden. Wat een menschen-kennis, wat een goedheid, wat een vergoelijken van de menschelijke vergissingen komen daar niet naar boven! Hij was waarlijk vrederechter, vredestichter en dat zou hij in die hooge mate niet geweest zijn zonder zijn dichterlijke gevoeligheid. De zuivere eenheid van zijn leven heeft altijd bij hem de conformiteit van droom en daad bepaald.
De laatste maal dat ik hem zag was naar aanleiding van het wederverschijnen van dit tijdschrift. Hij stond toen reeds voor de poort der dood. Maar het was hem niet aan te zien. Hij verbeet zijn lichamelijke miseries. Bleek en recht, als een rilde berkenstam stond hij voor mij toen wij afscheid namen... voor altijd.
Ik kreeg nadien nog zijn laatste novelle ‘De Nachtwende’ te lezen: de nachtelijke mijmering van een boerenmeid die morgen gaat trouwen met een weduwnaar en de weemoedsvolle herinnering van haar eerste liefdeontroeringen voelt naar boven komen: het had toch alles anders kunnen wezen. Heel een schoon verleden is nu voorbij en er blijft de treurnis en de zorg voor morgen. Wat zal dat huwelijk gesloten uit berekening worden? En rond dat late gepeins voelt men de atmosfeer van de kamer in het landelijk huis en daar omheen de ruimte van hof en boomgaard, veld en beemd met de verre geluiden door de van maanlicht trillende stilte, waarin het voorgevoelde drama gaat gebeuren...
Ik was weer eens van buitenlucht omgeven, de lucht van Onze-Lieve-Vrouw-Lombeek, schrijvers geboortedorp. Hij schoot zijn wortels in de Brabantsche aarde. Uit dien voedenden bodem heeft hij zijn kracht geput, hij zoon van den ouden stam, die in zijn geslacht de schoonheid bracht van de gedachte en den droom.