terug  begin  verderprepost
[p. 377]

Maurice Roelants
De romanschrijver A. van Cauwelaert

In 1927 publiceerde August Van Cauwelaert zijn eersten roman: ‘Het Licht achter den Heuvel’. Alvast kan worden opgemerkt, dat de voorbeelden zeldzaam zijn van dichters, die afwisselend den roman en de poëzie beoefenen en in beide gelijkwaardige uitdrukkingsmiddelen vinden. August Van Cauwelaert was een stil dichter der innerlijkheid, een vroom man, een elegiacus, die het lijden tot loutering en geluk verwerkte. Als lyricus bad hij in verzen. Als romanschrijver trad hij buiten zich zelf, werd hij objectief waarnemer, epicus. Hij is het ook gebleven in den tweeden roman van zijn hand, ‘Harry’, verschenen in 1934. Hij was het niet minder in zijn korte verhalen uit zijn practijk van goeden rechter, waarbij zijn gevoelig hart voortdurend als klankbord aanwezig was.

Sinds August Van Cauwelaert zijn essay publiceerde over De Romanschrijver en zijn Kinderjaren is bevestigd wat voor de hand lag: in zijn romans ligt veel verweven van wat in zijn kinderjaren zijn ziel en zijn gemoed duurzaam heeft verrijkt. Het stuk Brabant waaruit hij afkomstig is, staat in zijn oogen verfraaid met al den glans der herinnering en met al het heimwee der dingen, die met zijn jeugd zijn doordrenkt. Als beschouwer van den mensch en zijn avonturen is zijn bijdrage tot onze romanliteratuur zeker niet onbelangrijk. Zij is echter vooral typisch door die atmosferische ontroering, die schildering van zijn jeugdwereld, die kleur van het Brabantsche landschap, waarop hij, van in zijn stadshuis, terugblikt. Het is zelfs aan deze jeugd, dat zijn eerste roman ‘Het Licht achter den Heuvel’ zijn grootste waarde ontleent. Meer zelfs: er staan daarin eenige bladzijden, die met een ware verrukking zijn geschreven en als 't ware een Bijbelsche grootheid vertoonen. Er wordt vóór een stervenden boer, die nog eens al de dieren van zijn hoeve terugzien wil, een grootsche optocht van al het vee gehouden. Jean Giono zou aan dit défilé van dieren zijn hart ophalen. En, doordat dit psalmachtig afscheid van de boerenwereld tegen het slot van het boek voorkomt, eindigt het op een hoogtepunt, dat aan een groot compositorisch meesterschap zou doen denken. Dit is nochtans in dit eerste romanwerk van den vromen en zachtzinnigen lyricus niet het geval. In zijn zachte aarzeling heeft hij niet alleen zijn personages met iets te teedere goedmoedigheid geschilderd. Hun innerlijke conflicten zijn in meestal zoete, met realistische middelen meer

[p. 378]

gesuggereerd dan scherp geteekend. Het is duidelijk dat August Van Cauwelaert steeds in de verzoeking kwam om met liefde en smakelijkheid de genre-tafereelen te verzorgen, die hem in de boerenatmosfeer zoo bekoorden, zelfs ten koste van een grondig uitdiepen der innerlijke beroerdheid van zijn personages. Niets typischer daaromtrent dan de vluchtige manier waarop hij heenglijdt over de kwellingen der liefde, die een kasteelvrouw voor een gestudeerden boerenzoon koestert. In een paar bladzijden met ‘roze handjes’ en ‘zoet en helder kwetteren van vogels’, wordt gespeurd naar den zin en den ondergrond van de vriendschap tusschen man en vrouw. Het blijft vlak en pastelachtig. Maar onmiddellijk daarop volgen een vijftal bladzijden, echt leuk genre-werk, waarin gul wordt uitgeweid over het dorpsgebabbel betreffende het opmerkelijk amoureus geval. De schildering van den kasteelheerenstand, die stilaan achteruitgaat en het beleid der openbare zaak moet afstaan aan sterkere figuren uit het boerenbedrijf en een verjongde volksbeweging, kan bezwaarlijk krachtig of zonder eenige conventie worden genoemd. Zij toont niettemin kleurig het opzet van August Van Cauwelaert om naast de ontwikkeling van het persoonlijk drama van zijn verschillende personages, ook een sociale evolutie te schetsen. Het duurzaamst bezit van zijn roman ‘Het Licht achter den Heuvel’ zal evenwel blijven, naast den prachtigen stoet der dieren, waarop ik reeds zinspeelde, een teerheid des harten, een evenwicht, een ontferming, een aanvaarding, die als de afstraling zelf zijn van dien zuiveren mensch, die August Van Cauwelaert was. Zoo zeer is het waar, dat ook in een roman de beschouwde wereld ternauwernood belang heeft, maar alle schoonheid vloeit uit de structuur van hart en geest van den schrijver.

Met zijn tweeden roman, ‘Harry’, heeft August Van Cauwelaert op het gebied van het proza zijn besten worp gedaan, een schoonen worp. Al het aarzelende en zoetige heeft hij in dit boek terzijde gesteld. Het gevaarlijke traditioneele genre-werk heeft hij achterwege gelaten. Alle licht heeft hij geconcentreerd op het type van een jongen boerenzoon, die aan lager wal geraakt, zooals men dat pleegt te zeggen, een moord begaat, een lange straf uitboet en dan, na op den rand van den zelfmoord te zijn geweest, weer als verloren zoon in het vaderlijk huis wordt opgenomen.

Het merkwaardige van dit jammerlijk, dit smartelijk avontuur ligt voor mij, niet in de uitwerking van een drama dat ontzetting zou baren, maar in de natuurlijkheid ervan, het vanzelfsprekende. De verklaring hiervoor ligt in het zuiver psychologisch verloop, de vrijwel onafwendbare logica van het geval. En als ik logica zeg mag men niet meenen, dat er iets rechtlijnigs, iets kanaalachtigs zou zijn in de manier waarop de feiten zich ontwikkelen. Tot Van Cauwelaert's groote verdienste moet het worden gerekend dat leven van Harry te hebben uitgebeeld met die vreemde wielingen van het lot, met die ebbe-en-vloed, die den mensch meeneemt als een stuk drijvend kurk. Er steekt geen speciale boosaardigheid in dezen jongen, die straks de hand zal slaan aan de vrouw die hij liefheeft. Alleen werkt er in hem een zeer men-

[p. 379]

schelijke ongedurigheid, die hem drijft naar iets meer en iets anders dan de vaste dagtaak in den familiekring. In dien kring zelf zijn er trouwens invloeden werkzaam om hem uit de traditioneele baan te slingeren. Een broer trok de wijde wereld in. Zijn vader vindt voor zijn gestrengheid alleen knorzucht. Daar springt Harry een eerste maal uit den band. Hij belandt in de havenstad Antwerpen. Wat hem aan Brabant herinnert, bewaart krachtens de gehechtheid van den schrijver aan zijn geboortestreek, dienzelfden liefderijken glans der tafereelen van ‘Het Licht achter den Heuvel’. Maar in Van Cauwelaert's manier van romanceeren is er een grondige wijziging gekomen. De directe beschrijving van het landschap komt er vrijwel niet meer in voor, en vat landschap hier ook op in den zin van het decor, in casu het Antwerpsch stads- en havenbeeld. Met stad en land komt men in contact door de personages heen. Op dynamisch-verhalende manier wordt hun leven zoo direct mogelijk getoond en men ziet er hun wereld bij. Het is duidelijk, dat August Van Cauwelaert in dezen tweeden roman zijn voordeel heeft gedaan van de romantechniek van Gerard Walschap. Van de techniek. De geest van August Van Cauwelaert, zijn persoonlijkheid blijven immers dezelfde. Zijn ervaring van rechter bevestigt zijn kennis van het menschelijk hart. Maar sinds ‘Het Licht achter den Heuvel’ heeft hij een stouter en directer beschouwen verworven. Stoutheid en directheid, die daarom nergens brutaal of uitdagend worden. Het gevoel voor maat en evenwicht faalt nergens in dit boek, dat onder menige andere pen van wrange en naturalistische allure zou zijn geworden. Wel integendeel, meewarige teederheid, ontferming, hoop op genade, dat typische licht uit de ziel van August Van Cauwelaert, begeleidt dien jongen man in zijn donkerste dagen, en vergezelt hem tot het happy end, het gelukkig weerzien van zijn vader. Weerzien, dat trouwens met een groote melancholische soberheid ontroerend is gemaakt.

De publicatie van ‘Het Licht achter den Heuvel’ en ‘Harry’ valt samen met de vernieuwingsperiode van den Vlaamschen roman. Bezwaarlijk kan worden volgehouden, dat August Van Cauwelaert het romanpanorama een ander uitzicht gegeven heeft. Daarvoor lag er in zijn geheele persoonlijkheid te veel terughouding, te veel geduldige en degelijke bescheidenheid. Maar enkele verworvenheden hielp hij bestendigen. Is er nog iets broos in ‘Het Licht achter den Heuvel’, te voeten uit is Harry geschilderd. Lode Baekelmans' Tille heeft in hem een tegenhanger, een broer dien men niet vergeten zal. Want hij leefde en leed in het licht van dien gevoeligen en ontfermenden elegischen dichter, August Van Cauwelaert.

prepostterug  begin  verder