Wij achten Van Cauwelaert belangrijker als novellist dan als romancier. Natuurlijk niet omdat hij bijna even veel vellen druks met korte verhalen als met romanwerk laten verschijnen heeft, hoewel dit feit toch niet heelemaal zonder beteekenis is, daar ook een kunstenaar over het algemeen het liefst dat werk verricht, waartoe hij zich het sterkst aangetrokken voelt en waaraan hij de meeste vreugde beleeft. Het komt ons echter voor, dat Van Cauwelaert zich makkelijker en vlotter, juister en vollediger, gaver en schooner in het korte verhaal dan in den roman heeft kunnen uitdrukken, omdat die kunstvorm de eigenschappen en mogelijkheden van zijn scheppende persoonlijkheid, de beste kans op een volkomen verwezenlijking aan de hand deed. Tusschen roman en novelle, novelle en kortverhaal is het verschil wel niet zoo groot als tusschen lyrische en epische poëzie, maar toch stelt iedere soort verhaal bijzondere eischen, die niet altijd door denzeltden schrijver vervuld kunnen worden. Zelfs zijn degenen, die door den bijzonderen aard van hun begaafdheid niet op één bepaald genre aangewezen zijn, en zoo wel meesterlijke schetsen als romans, romans als schetsen kunnen schrijven, tamelijk zeldzaam.
Sedert Van Cauwelaert zijn studie over ‘De Romancier en zijn Jeugd’ in het licht gegeven heeft, staat het buiten allen twijfel vast, dat de grondstof voor zijn verhalen hem uit de herinnering aan zijn kinderjaren werd bijgebracht. Voor wie lezen kon, was dat getuigenis ten andere overbodig. Uit ‘Vertellen in Toga’ en ‘En de Rechter vertelt opnieuw’ blijkt duidelijk genoeg dat de fijnste vezels van zijn gevoelsleven in den voedingsbodem van zijn prille jeugd geworteld bleven. De meeste gedachten, die hem als kunstenaar bezielden, welden op uit het heimwee, dat hem naar de menschen, de lucht en het landschap van zijn geboortestreek vervulde; slechts bij uitzondering liet hij zich bekoren door een gegeven, dat hem door zijn latere levenservaringen aan de hand gedaan werd. Liever dan over de studentenwereld, den vorigen laatsten oorlog dien hij als vrijwilliger medemaakte, het leven in de rechterlijke of in de kunstenaarskringen, waartoe hij door zijn ambt of zijn werk behoorde, heeft hij over de boeren en het arbeidende volk uit zijn land van herkomst geschreven, omdat hij zich bewust of onbewust, het innigst met hen verbonden voelde en wist dat het
hun zielen waren, die hij best begreep en waar hij ook het meest van hield. Zij hebben hem tot zijn schoonste verhalen geïnspireerd.
Een kunstenaar die bij voorkeur uit zijn herinneringen schrijft, heeft steeds moeite om het leven, dat hem werkelijk omringt, waarachtig uit te beelden. De gevergde inspanning vergroot, naarmate de herinneringen terugreiken naar een verder afgelegen tijd. In ons terugdenken wordt het verleden verzoet en verfraaid, naar den wensch van ons hart, dat zich op die manier schadeloos stelt voor de pijnlijke tegenslagen die het thans oploopt en de onvervulbare verlangens, waarvan het zich niet kan ontdoen. Beproeving en lijden zijn vergeten; de smart om de ondergane vernederingen is geheeld; last en verveling hebben hun beteekenis verloren en de schrijnendste van alle ontgoochelingen, die aan onszelf, schijnt spoorloos uitgewischt. Het leven lijkt niet langer op een lange keten van eentonigen druk, maar op een reeks vreugden en genietingen, hoogtepunten van zelfverwezenlijking, eilanden van vrede en geluk. In herinnering beschouwd, laat het leven den aanblik van een berglandschap, met door sneeuw bekroonde en door zonneschijn omstraalde kruinen.
Aan die idealisatie dankt Van Cauwelaert zijn talent als novellist. Het verleden is voor hem teruggebracht tot die enkele gebeurtenissen en toestanden, die door het gulden sprookjeslicht van zijn kindertijd beschenen zijn. De novellist heeft niet méér dan de splinters van een levensspiegel noodig, terwijl de romancier het buiten het grooter geheel niet stellen kan. Daarom bezit hij te weinig, als hij niets dan herinneringen heeft, is een scherpe opmerkingsgave tegenover de werkelijkheid binnen en buiten hem onmisbaar en dient hij voor de overblijvende voegen en leemten op zijn verbeelding te kunnen vertrouwen. De romanciers, die het met minder moeten stellen, schrijven werken, die van hoofdstuk tot hoofdstuk zeer ongelijk in waarde zijn en vele bladzijden onbezielde bindstof bevatten. Ofwel slagen zij er niet in hun verhalen zuiver episch te houden. Als vanzelf komen hier de romans van Jacobsen, den grooten meester in de soort, ons in den geest. Alain Fournier en Ernst Jünger hebben veel van hem geleerd, dat na hen door een talrijke schaar epigonen nageschreven werd.
Een tweede bewijs voor onze stelling wordt ons door Van Cauwelaert's psychologie verstrekt. Onbetwijfelbaar kende hij sommige menschentypen, maar van den mensch met een schier onbegrensde samengesteldheid van karakter hield hij niet. Sommige gestalten bezaten zijn voorkeur. Wij denken aan Robbetje uit de novelle met dien naam, aan Harry uit den gelijkluidenden roman of aan Zacharie uit ‘De Zonen van Baert’; in den grond zijn het allemaal zwerversfiguren, kleine broertjes van Hamsun's ‘August de Wereldreiziger’, die zich zonder innerlijk houvast steeds moeten ‘op weg’ begeven. Een novellist kan het met weinige karakters stellen; een romancier heeft aan een veel uitgebreider verscheidenheid nood en moet aan zijn ruimer belangstelling ook een rustiger objectiviteit kunnen paren. Doordat Van Cauwelaert steeds over zijn eigen leven terugstaarde en hoofdzakelijk die
karakters uitbeeldde, welke hij eens in werkelijkheid ontmoet had en hem nauw aan het hart waren blijven liggen, heeft hij meer in het korte verhaal dan in den roman bereikt. Zijn opmerkingsgave en zijn verbeelding stonden bij zijn opgang in de herinnering te ver ten achter.
Wij bezitten van hem twee bundels novellen: ‘Vertellen in Toga’ en ‘En de Rechter vertelt opnieuw’; benevens een afzonderlijk verschenen verhaal ‘Fantaisie, zei Meneerke’ en een ander ‘De Nachtwende’, dat tot zijn nagelaten geschriften behoort. Een gemeenschappelijk kenmerk van al deze werken is hun kleurige volkschheid, die zoo wel in de keuze als in de uitwerking van het gegeven en in het stijl- en taalgebruik tot uiting komt. Kan hier, zooals het vroeger wel eens gebeurde, van een beïnvloeding door Walschap's korte verhalen gesproken worden? In den zin die gewoonlijk aan het woord beïnvloeding gegeven wordt, achten wij een ontkennend antwoord geboden. Mogelijk dat Van Cauwelaert de bewustwording van deze bijzondere begaafdheid in hem eenigermate aan Walschap te danken heeft; waarschijnlijk heeft hij zelfs sommige woorden en een enkele teekenende uitdrukking van hem geleerd: de grond van zijn kunst echter is geen verworvenheid van buitenuit, doch eigen onvervreemdbaar bezit. Van Cauwelaert was volksch zooals Claes en de meesten onder onze vertellers het zijn, met een gemoedelijk glimlachende aandacht voor het alledaagsche leven van den kleinen man. Slechts bij uitzondering, zooals in ‘Meneer de Procureur is gek geworden’, heeft hij zijn held in een hooger milieu geplaatst en zelfs dan heeft hij geen poging gedaan, om zijn uitdrukking den intellectueelen inslag te geven, die bij het onderwerp zou hebben gepast. Overgeplant uit de landelijke atmosfeer van zijn jeugd naar een levenskring die bijna onvermijdelijk een vervreemding ten overstaan van den knaap, die hij eens was, moest medebrengen, bleef hij niettemin aan de aanschouwingswereld van zijn kindsheid trouw; geleerdheid, ervaring, letterkundige geschooldheid en smaak verwijderden hem niet van den volksaard en konden hem ten hoogste tot een uitzuivering van zijn taalgebruik brengen; in wezen was hij geen individualist en vandaar dat het niet anders mogelijk was, of zijn kunst moest met die van anderen die op zijn standpunt stonden, gemeenschappelijke kenmerken vertoonen. Deze gemeenschapstrek werd bij hem nog versterkt door zijn geloof, dat in zijn verhalen niet opzettelijk beklemtoond wordt en toch overal als een krachtige onderstroom aanwezig is. Een bezieling, los van de godsdienstige waarheden die hij aankleefde, kende hij niet; de mensch was voor hem een afhankelijk wezen en het leven geen alles overtreffende, soevereine waarde, doch een gave Gods.
Van Cauwelaert voelde zich niet aangetrokken tot de ingewikkelde zielstoestanden van menschen, die voor zichzelf, niet min dan voor anderen, raadsels blijven. Problemen om het probleem boeiden hem niet. Waarom een vraagstuk te stellen, waarop geen oplossing mogelijk was, of met oplossingen te komen aandragen voor niet gestelde vragen? Hij had den zuiveren blik van de overwonnen drift gekregen en de onverstoorbare rust gewonnen
van degenen voor wie de alledaagsche wederwaardigheden van het bestaan even belangwekkend zijn als de schokkende gebeurtenissen, waardoor een wending in de wereldgeschiedenis veroorzaakt wordt. Het huiselijke en beperkte, eenvoudig menschelijke trok hem aan en ontlokte aan zijn edel hart een milden glimlach vol goedheid, begrijpen en vergeven. Spotten of schimpen, cynisme of sarcasme lag in zijn karakter niet; het lijden dat hij, zooals iedereen, had doorgemaakt, was niet in staat geweest hem te verbitteren, of zelfs maar wrevelig of laatdunkend te stemmen. Als verworvenheid, uit het leven en het samenleven met de menschen gepuurd, had hij de schoonste wijsheid veroverd: den humor der barmhartigheid, met een vleugje weemoed omspeeld.
In zijn novellen ‘Robbetje’ en ‘De Zonen van Baert’ heeft hij de volle maat van zijn kunnen en tevens de verhevenste gaven van zijn ziel geschonken. Zooals veel meesters in de landelijke verhaalkunst, was hij sterk in het aanbrengen van locale kleur, in het scheppen van een gewenschte atmosfeer en het synthetiseeren van de handeling in een gewoon, schijnbaar onbedacht neergeschreven zinnetje. Wij denken bij voorbeeld aan sommige prachtige trekjes uit het reeds vermelde verhaal ‘De Zonen van Baert’, waarin het groote achter het kleine schuilgaat en Van Cauwelaert's verinnigde herinneringsdroefheid het gansche gebeuren doordrenkt. Wie zooveel over het leven weet is geen gewoon mensch en wie die kennis zoo vrij van alle aanmatiging, zoo doorleefd en bezield, onder alledaagsche en toch fraaie woorden brengen kan, wil en durft, is meer dan een schrijver - is een kunstenaar. Daar voegt hij zich bij de beste novellisten uit de Zuidnederlandsche literatuur: bij Buysse en Streuvels, bij Claes en Walschap, en nader dan hij het waarschijnlijk zelf wist, bij die te weinig beroemde, zelfs te weinig bekende Rosalie Loveling, wier eenvoudige, niet diepe, maar wonderlijk levensechte kunst, beter verdient dan de miskenning die haar te beurt valt.
Scheppers van herinneringskunst, zooals Van Cauwelaert ze opvatte, hebben dikwijls met tweeërlei gevaren af te rekenen. Eenerzijds laten zij er zich gemakkelijk toe verleiden te veel belang te hechten aan de omgeving, waarin ze hun helden laten optreden; ze vermeien zich in het naschetsen van zeden en gewoonten, in het schilderen van het landschap, in het ophalen van menig teekenend detail, maar ondertusschen verwaarloozen zij de hoofdzaak als zoodanig te behandelen. Het bijkomstige heeft het wezenlijke - den mensch - verdrongen. Hoeven wij in herinnering te brengen, dat dit euvel in onze letterkunde niet zeldzaam is? Begaafde schrijvers dwalen af van den breeden open heirweg, om te verpoozen bij het aanschouwen van een schilderachtig landschap, een kleurig kermisfeest of een tafereeltje van huiselijk leven, terwijl het groote eischt, dat zij zich nergens ophouden en alle mijlpalen van menschelijkheid voorbijtrekken, om eerst daar te rusten, waar met de schoone voleinding van den tocht, het samenvloeien van tijd en eeuwigheid begint.
Een tweede bedreiging komt uit het stijlgebruik voort. Wie zich aan een volkschgetinte herinneringskunst waagt, voelt er zich toe bekoord, zijn per-
soonlijke manier van zeggen ten offer te brengen, om volgens de naturalistische methode, de lieden uit het volk zelf te laten spreken. Om vele redenen kan deze opgave evenwel niet worden vervuld. Het volk vertelt niet alleen met woorden, maar speelt met hoofd- en handgebaar, wisselende uitdrukking van gelaat en oogen, de geschiedenissen, die het verhaalt; het is zoo omslachtig in zijn uiteenzetting, zoo gul met concrete toespelingen op personen en feiten uit de omgeving waarin het leeft, dat het voor een lezer op afstand vervelend en vaak onbegrijpelijk zal worden. Daarom moet zelfs de meest naturalistische kunstenaar sommige fragmenten wegknippen en andere verduidelijken; doch waar hij zulks doet kan hij doorgaans niet vermijden dat een breuk ontstaat in de eenheid van zijn werk, breuk die even hinderlijk is als de barst, die sommige heerlijke mozaïeken schendt.
Van Cauwelaert heeft beide gevaren niet altijd kunnen ontgaan. Toch moet er terstond bijgevoegd worden, dat hij er zich nooit hals over kop in verloren gestort heeft. Al zijn korte verhalen zijn aangenaam om lezen; de beste zijn ook belangrijk en schoon. Als hij zich vergist, komt het gewoonlijk doordat hij meer nadruk op de feiten dan op de menschelijke reacties legt. Maar hij herstelt zich steeds vrij spoedig en hecht weer het meeste belang aan wat in en niet buiten den mensch gebeurt.
Er bestaat geen aanmerkelijk verschil tusschen Van Cauwelaert als dichter, romancier en novellist. In heel zijn werk is hij even oprecht en onvervalscht zichzelf. Recht en trouw, mild en edel, verknocht aan de eenvoudige dingen des levens en aan de niet ingewikkelde menschenzielen uit de volksklasse, gericht op het eeuwige dat hij zonder twijfel of beperking aanvaardde, bescheiden en teeder, vervuld met zekerheden die hij echter niemand opdringen wilde, te verstorven aan eigen roem en te beu van alle drukte om aanvallend op te treden, maar overtuigd en beslist waar het er op aankwam de gedachten die hem dierbaar waren te verdedigen, rijst hij uit zijn werk op als het voorbeeld van den Rechtvaardige, in den echt christelijken zin. Met die trekken zal zijn aandenken verder leven.