Wat hen verbond was een meewarige vorm van minachting jegens de anderen, elkaar en zichzelf. Ze hielden van elkaar bij gebrek aan beter. Hun liefde was absoluut en exclusief.
Hun huis werd in de loop der jaren een steeds verder van de stad afdrijvend eiland, een onneembare vesting, een voor anderen onbewoonbare hel, een cel waarvan beide gevangenen het te druk hadden met elkaar in de gaten houden, vitten en ruziën, te druk om plaats en tijd te maken voor kennissen, familie en vrienden.
Overdag steeg de spanning zo hoog dat ze zich 's avonds moest ontladen in heftig zoenen, strelen en vrijen. 's Ochtends herbegon het muggeziften, het gekibbel, een dagelijks ritueel als voorspel van de avond en de nacht. Overdag wreven de woorden van de een zich heet aan die van de ander, totdat elke letter tot op de draad was versleten en enkel het schuren van vlees over vlees uitkomst bood.
Het gebeurde dat hun ruzie al 's middags zo hoog was opgelopen dat ze naar bed moesten om niet verteerd te worden door de brand die hun woorden hadden gestookt. Nadien, tussen vijf en zeven, het gat van de dag, zetten hun scheldpartijen de lucht opnieuw in vuur en vlam. Het volstond dat zij z'n sherryglas te vol schonk, dat hij haar portie kalfslever te hard had gebakken, en de vonken vlogen in het rond.
Ze verdroegen niet dat ze van elkaar verschilden. Ze verdroegen niet dat ze van elkaar hielden.
Zo verliep hun liefde, ver van de wereld, ver van het avondjournaal en de vijfdaagse werkweek. Maar het was wereld. Eenzame wereld. Maar wereld. Ze hadden genoeg en te veel aan elkaar.
Enkele weken geleden zat ik samen met een dronken schilder in een kroeg te luisteren naar een gymnopédie van Erik Satie. De man lag half in slaap met zijn hoofd op de bar, richtte zich plotseling op en riep: ‘Satie? Weet je wat Satie is? +Satie, dat is een handvol goudvissen in een kristallen kom!’
Je mist de moed om misdadig te leven. Als je zonder geld zit denk je constant aan stelen. Maar je bent te laf: schrik voor de gevangenis; schrik om door de samenleving gescheiden te worden van haar, van de jongens. Je steelt niet, uit angst voor de eenzaamheid. Je steelt niet, omdat je innerlijk niet vrij en niet wijs genoeg bent. Je bent te labiel om te stelen.
Als honden of kinderen janken draait je maag. Je weet niet precies wat het is. Angsten van vroeger die weer bovenkomen. Misschien een soort geboortepijn. Jongensverdriet. Oor geworden klacht waartegen je je dagelijks verzet. Ze breekt je weerbaarheid. Je moet huilen of braken en kunt niet. Mag niet.
Zou het kunnen dat de verstrooide mens, het kind, de dagdromer, al wie slaapwandelend door het leven gaat, dichter staat bij het beginsel zelf van het leven? Dat beginsel heeft iets dommeligs, iets sluimerends, iets onnozels. En in die half slapende, half wakende toestand maken wij soms onze mooiste dingen. Dat is aan die dingen af te lezen, want wanneer we ze bekijken en beluisteren geraken we in een toestand van ingekeerde vervoering.
Misschien is de prijs die je betaalt voor je vrijheid: onvrijheid. Soms moet je zulke grote inspanningen doen om je innerlijke vrijheid te bewaren en om de omstandigheden die je vrijheid garanderen gunstig te sturen, dat je de gevangene wordt van je voluntarisme. Je vrijheid is nooit een evident gegeven en moet bijna dagelijks veroverd worden op je verlangen naar afhankelijkheid en geborgenheid. De vrije vogel heeft een harder leven dan de gekooide. De laatste zit rustig voor zich uit te zingen, warm, doorvoed, verzorgd bij de eerste symptomen van ziekte of ouderdom. De vrije vogel vliegt trots door de winterse lucht, hoog boven de kooi van zijn broer, maar steeds op zijn hoede voor sterkere soortgenoten, dreigend voedseltekort, het fatale schot. De manier waarop hij zijn vrijheid verovert, dat op-zijn-hoede-zijn, is zijn onvrijheid.
Je schrok toen je gisteravond op het televisiescherm René Char zag verschijnen in levenden lijve, groot, robuust, zelfs met een zeker embonpoint. Voor jou, als anonieme lezer, behoort deze dichter al zo lang tot het rijk van het woord, de geest, ja, zelfs van de legende, de mythe, dat het leek alsof iemand, een ander, een acteur, op datzelfde scherm van Dallas en de nieuwsberichten, de rol vertolkte van René Char.
Na veertien jaar nog steeds het verlangen om in een aantal definitieve gedichten te zeggen wat je betekent voor mij, wat ik voor je voel. Het grootste probleem is dat ik daarbij in moet gaan tegen mijn natuurlijke drang tot verheerlijken, tot sublimeren. Ik mag niet eerlijk zeggen wat ik wil, om te voorkomen dat de tekst verliest aan waarheid, aan geloofwaardigheid. Zelfs jij, jijzelf, zou niet geloven wat ik schrijf als ik zou zeggen wat het werkelijk voor mij betekent, met jou door het leven te gaan. +Het bedrog van de woorden is zo algemeen, zo gangbaar geworden, dat het binnensluipt in de lakens waaronder de geliefden samenliggen.
Ook praten over liefde is een vorm van liefde. Je vertrouwt dit onderwerp niet toe aan iemand van wie je niet houdt. Met een vriend praten over je liefde voor een vrouw is een vorm van liefdevolle communicatie. En zelfs wanneer je tijdens de conversatie de meest kiese woorden en subtiele beelden gebruikt, geef je je bloot, kleed je je uit en leg je je amoureuze fantasma's op tafel. De vrouw wordt, zoals zo vaak, een sleutel om je eigen deuren te openen en de ander zachtjes te verplichten hetzelfde te doen.
De meeste vrouwen kunnen makkelijker met zichzelf alleen leven dan mannen. Dat is geen verdienste, maar een natuurlijk feit: zij zijn niet enkel het leven, ze geven het ook vorm, ze geven die vormen door en vormen op die manier een ondoorbreekbare cirkel in zichzelf.
De man is de eeuwige balling, op zoek naar een thuis in zijn werk, in een vrouw, in zijn gezin. Hij is het noodzakelijke kwaad van de menselijke natuur. Hij is heel even onmisbaar voor de instandhouding van de soort en wordt nadien verstoten door een kringloop die hem niet meer nodig heeft, tenzij voor het on-natuurlijke, tegen-natuurlijke van de ‘vooruitgang’, het ‘heil’ van de gemeenschap, enzovoort.
Creëer in alle landen een centrale spermabank, maak alle jongens van kant zodra ze de manbare leeftijd hebben bereikt en hun portie sperma hebben ingeleverd, en de wereldkloot draait voort, anders dan voordien, beter, slechter, maar draait.
De vrouw kan het stellen zonder de man, de man nooit zonder de vrouw. De man is in wezen een bescheiden bestuiver; zijn kunst, zijn wetenschap, alles wat hem onderscheiden heeft, kan worden gemist. De geschiedenis? Een eeuwig matriarchaat.
Vandaag zeg ik: laat het allemaal gebeuren, alles hoort erbij, alles heeft op zijn manier een zin voor wie die ziet of geeft. Een aanslepende depressie, geldgebrek, de dood van een geliefde, slecht vakantieweer, de Sovjetunie en de Verenigde Staten vechtend om Europa, aangebrande aardappels, honger ginder en werkloosheid hier: neem alles op je schouders, zet je gewicht en je spierkracht daaronder, gooi alles met je verstand in de lucht en laat het daar maar door elkaar heen raaskallen en zingen in het vanitas vanitatum van deze wereld.
Maar dat daar. Toen. Die foto in de krant. Dat beeld van een door napalm verkoold kind. Nee. Nee.
Waarom haat je dat zo, dat ras van de ontgoochelden, van de niks-kunners die zelf dagelijks de mond vol hebben over de onkunde, de zinloosheid, de slechte smaak van wie wél iets maken en dus altijd - hoe provocerend dat ook moge klinken - het gelijk aan hun kant hebben...
Gisteravond aan tafel een gezelschap van elf mannen en vrouwen die het bijna allemaal roerend eens waren over de futiliteit van hét leven, terwijl ze natuurlijk bedoelen: hún leven. En op zulke momenten mijn onvermogen om het uit te schreeuwen: ‘Klootzak! Als je beweert dat liefde een illusie is, waarom blijf je dan bij de persoon met wie je samenleeft? En als je baan je niet bevalt, zoek dan toch ander werk in plaats van dagelijks de ruimte vol te kankeren met je ongenoegens! Maar dat zich zuipend en vretend laten gaan in gemeenplaatsen over hoe futiel alles is! Stop dan met zuipen en vreten, vermager, droog uit, tot je in de spiegel plots bemerkt wat je werkelijk bent: de wandelende dood. En begin dan te leven.’
niet, maar ik wel! Je zou zo doodgraag in dit leven je gang gaan zonder al wat je denkt en doet te stoten tegen wat je omringt. En je vraagt je af of ook de anderen zich constant meten met hun medemens. Ook wie trots beweert zich niets van anderen aan te trekken, bewijst dat hij zich tegen die anderen moet afzetten om zichzelf te kunnen zijn.
Dus aan die confrontatie, aan de meestal pijnlijke, soms gezond makende vergelijking met je buren ontsnap je niet. Maar je wou het allemaal wat serener, minder roofdierachtig, minder verkrampt. Soms leef je zo blind in de waan van je eigen gelijk-tégen-de-anderen, dat je van top tot teen als een vuist de wereld tegemoet treedt.
De verveelde nieuwsgierigheid van toeristen. De leegte van hun alles aftastende blikken. De onhandigheid waarmee ze als tijdelijk werklozen zichzelf door vreemde landschappen en steden slepen, het gespeelde enthousiasme waarmee ze hun kinderen initiëren in beschavingen die je hoe dan ook niét leert begrijpen door het bestuderen van vermolmde balken en half vergane fresco's, maar misschien door te luisteren naar een specifiek soort stilte, een tongval, een bel van krekels die door de heuvels gaat. De meesten beschikken niet over voldoende geduld, rust en inlevingsvermogen om drie weken door te brengen in een geïsoleerd Italiaans bergdorp en naar huis terug te keren met in hun hoofd de muziek van een duizend jaar oud dialect of de vermoeide oogopslag van een dagelijks in dezelfde straat ontmoete oude vrouw; met in hun neus de op het middaguur heel het dorp doordringende geur van een zoete en tegelijk zerpe saus; met in hun handpalm nog het aanvoelen van de laurier tegen een beschaduwde kerkhofmuur; met in hun mond de smaak van zoutloos brood, gedompeld in de koud geperste olijfolie van de boer wat verderop.
Ik kan mijn verlangen naar jou niet aan. Het is groter dan ik het wil. Ook jij kunt mijn verlangen naar jou niet aan. Het laat je niet heel. Het vreet aan je. Het voegt iets aan je toe. Altijd verandert het jou in wat je op dat moment niet wilt of kunt zijn.
Ik kan mijn verlangen naar jou niet aan. Je warme en tegelijk afstandelijke natuur, je nuchtere verliefdheid, je engelachtige hartstochtelijkheid, je gepassioneerde strengheid: ze maken me gek van woede en verdriet nu ik niet dichter bij je kan komen en alleen blijf met een verlangen waar jij geen weet van hebt. Ik onderdruk
het, ik toon het niet, omdat het je lastig valt; omdat het mij afhankelijk maakt van jou.
Ik hou van je, en ik weet niet of ik in die liefde geobsedeerd ben door jouw persoon of door mijn verlangen naar het samenvallen met een projectie van mezelf. Beide, natuurlijk. Ik weet toch, wij weten toch hoe groot het aandeel is van het narcisme in onze verhouding; hoe weinig zulke begrippen als bezorgdheid, opoffering, plichtsbesef, caritas, tellen in onze relatie. Wij zijn verslaafd aan elkaar, en ik net iets meer dan jij. Soms denk ik dat weinigen elkaar ooit op zo'n bedroevend gelukkige manier hebben gebruikt. +Maar ik kan mijn verlangen naar jou niet aan.
Het feit dat ik mij hier van een groot gezelschap afzonder om te lezen en te schrijven maakt mij onvrij; het feit dat de anderen weten dat ik hier in mezelf zit te praten maakt op een vervelende manier deel uit van mijn denken en schrijven: alweer die vage schuldgevoelens, alsof ik niet het recht heb mij te onttrekken aan hun aanwezigheid.
In zulke situaties ervaart de kunstenaar op onmiddellijke en paroxistische wijze zijn toestand binnen de samenleving. Zelfs al wordt zijn uitzonderingspositie, zijn marginaliteit hem gegund, toch achtervolgt hem de opeisende, tot gehoorzaamheid dwingende blik van de anderen, de norm, het gezond verstand. Okee, ga maar, kruip maar in je hol, negeer ons een tijd, maar kom terug met iets dat wij de moeite waard vinden, iets moois, iets waarmee we onszelf en de anderen kunnen bedriegen, niét iets dat ons ongelukkig maakt, ons confronteert met onszelf, onze leegte, ons tekort.
Het was de eerste keer dat hij haar vlak na een korte ruzie hevig vastpakte, haar borsten en vulva streelde, haar wild zoende. Hij overweldigde haar met zijn passie, zoals hij dat vaak had gezien in films en romans. Hij dwong zich haar te overweldigen, want van nature was hij eerder schuw, zacht, voorzichtig, bang haar te kwetsen. Hij verplichtte zichzelf de vent uit te hangen en schrok toen hij zag dat het werkte: zij smolt in zijn armen en lag vijf minuten later naast hem tussen de lakens.
Nooit had hij zich kunnen voorstellen dat zij zou ingaan op zijn avances als hij niét zichzelf was. Hij volgde niet zijn aard, hij loog, hij bedroog zichzelf door een hem vreemde vorm te geven aan zijn verlangen naar haar, en toch voelde zij, die hem zo goed
kent, hem aan als oprecht. Ja, de inhoud was oprecht (begeerte), maar de vorm was gespeeld (de stoere minnaar).
Mensen die werden opgevoed in een vrijzinnig milieu zijn misschien gelukkiger dan godsdienstig opgevoede mensen. Wie in een religieuze omgeving is opgegroeid wordt zijn leven lang geplaagd door zeer concrete voorstellingen en beelden van het goddelijke, het volmaakte. Dagelijks wordt hij geconfronteerd met zijn eigen ontoereikendheid. Anderzijds is de daardoor veroorzaakte pijn wellicht een belangrijke voorwaarde om de utopie te verwezenlijken.
+Wie niet is besmet met die meegekregen, bijna viscerale hang tot transcendentie, neemt makkelijker genoegen met de evidenties van het dagelijks bestaan.
Is die onwil om je eruditie te gebruiken in je teksten een vorm van anti-intellectualisme? Het onnozelste gedicht bevat op zichzelf al voldoende verwijzingen om het niet ook nog eens vol te proppen met literaire referenties.
Ezra Pound is een groot letterkundige, maar geen groot dichter omdat hij zijn materiaal niet op een organische manier kon verwerken. Victor Segalen, die eveneens vertrok van vele culturen en taalgebieden, heeft teksten gemaakt waarin enkel nog het vermoeden van die intellectuele nieuwsgierigheid achterbleef, en niet zijn spectaculair uitpakkende kennis.
Jij hebt nog steeds de ambitie een wereld te scheppen met de weinige middelen waarover iedereen beschikt. Laat al dat etaleren van geleerdheid maar over aan kunstzinnige parvenu's.
De lucht smaakt naar zichzelf, de zee roept niets op. Leen slaapt terwijl ik mij in het hotel Gauquié voor één keer niét zit te ergeren aan de idiote stilte van de kaarters, de vervaarlijke luidruchtigheid van dronken Duitsers, de nutteloze bruinzucht van grauwe dames met walgelijke decolletés.
Zelden me zo gezond gevoeld. Maar mijn ogen en oren zijn ziek. Ze zien en horen alleen hoe alles en iedereen is wat het is. Niets smaakt naar verlangen. Naar verbod. Naar benieuwende ondoorgrondelijkheid. Dat de wereld samenvalt met zichzelf maakt mij nerveus en tegelijk slaperig. De zee maakt mij oeverloos dom.
Er is in liefde zoveel opgekropte woede, krijgslust, geldingsdrang, dat het je niet moeilijk valt te begrijpen waarom een man een vrouw, een vrouw een man vermoordt. Toen je vanmiddag het huis uit rende, liep je niet weg van haar, maar van de man die je had kunnen worden als je in die staat van oorlog was gebleven. Je stapt de agressie uit je lijf en verplicht je beschaafde natuur tot nadenken, tot redelijkheid.
Tijdens zo'n huiselijke ruzie kom je meer over jezelf te weten dan op ogenblikken van gelukzalige verstandhouding: vechten wil je, verscheuren, het beest uit zijn vel laten springen, elk taboe vernietigen dat vastligt in de wrede wetten van de samenleving. Wij zijn bang voor de hel die nadien begint, voor het verstoten worden, de marginaliteit van de crimineel. Wij zijn bang datgene te vernietigen wat ons het dierbaarst is en ons gevangen houdt als een beest. Van dat beest, dat roofdier heeft de moordenaar zich bevrijd. Hij blijft achter met de heilige onthechting van wie niets meer te geloven of te hopen heeft in deze wereld.
Gerrit Achterberg: criminaliteit en metafysica. Hij deed wat elke schrijver of kunstenaar in gedachten doet: de schepping vernietigen om nadien de handen vrij te hebben en met de brokstukken aan het werk te kunnen gaan, zijn eigen wereld te creëren, misschien de enige waarin hij gelooft.
De wetten van de klassieke prosodie zijn morele wetten. Zij drukken het verlangen uit naar orde, overzichtelijkheid, klinkende zin. Het klassieke gedicht is de voorafspiegeling van een harmonische samenleving. De woorden en zinnen spelen denkend en zingend volmaakt op elkaar in, zoals de leden van een samenleving dat zouden kunnen. Nogmaals: poëzie is absolute moraal; de vrijheid van het gedicht bestaat erin, de noodzaak van een aantal wetten in te zien en die toe te passen. Ooit schreef ik in een gedicht voor Marcel van Maele: ‘Geloof dat alles mag, dat alles kan.’ Nee, dat geloof ik niet meer. In het leven kan alles, in het gedicht niet.