i.s.m.
[p. 13]
Peter Verhelst
Gedichten
Boomhut
Kongo onder het bladerdek
overtrokken met een tijgervel
of malachiet:
boven hijg ik op een tak
in mezelf zingend met een lastig gezicht over mijn vrouw
(Vanilla) die mij treiterde door te verschijnen (handgroot,
slechts benaderbaar met lepels) in een wolkje.
Voorbijdrijvend.
Vertakt het groen van de jaloersheid zich hier?
Met transparante pootjes houvast zoekend?
Het hijst zich zeker aan mijn uitgestoken arm omhoog.
Het is niet goed alleen te zijn.
Het hurkt als een mond die al kauwt.
[p. 14]
Boomhut (2)
Vanzelfsprekend word je hierdoor geneuried, een windstoot
slist je naam (verkeerd): de zwelling aan je oog
vloeit uit in vergezicht. Hoe je zover gekomen bent.
De opgehaalde ladder als een lam been.
Al het graaiende beneden mag een ziekte zijn,
je wordt toch niet benaderd, hoewel het sap
als bloed pulseert en driftig lustberichten doorseint.
Je vraagt je af hoelang het duurt
voor je voeten wortel schieten in de stam.
[p. 15]
Boomhut (3)
Twee tomaten. Twee ogen.
Als een bijl lach je terug.
Komt een snavel los die naar de kersen snapt.
Ik besta maar
uit gemompel en gehurk en handen
die niet uit mijn polsen mogen.
Veel te veel heb ik verwacht te kunnen
zijn: een hart bestaande uit een glinsterende kamer;
wees op je hoede voor die paarse deur,
ze nodigt uit.
Het hek staat als een vork rechtop
ook al te wenken
naar mijn buik.