terug  begin  verder
[p. 50]

Leo Pleysier
Een plaasterspook van Szukalski

De tweede en wellicht ook de laatste keer dat ik haar zag - in 1978 - was toen ze na de dood van vader mijn moeder kwam bezoeken. Tegen alle verwachtingen in was ze ineens dan toch aangekomen. Maar in het begin had ik het gevoel dat het iemand anders was die ze onder de naam van tante Roza naar België hadden gestuurd. Weg die vervaarlijke, monumentale kap. Wat ze nu droeg was van een veel kleiner en veel eenvoudiger formaat en was zo opgespeld dat een gedeelte van het hoofdhaar zichtbaar bleef. En zowaar ook zíj bleek in het bezit van een stel benen. Nylons droeg ze ook al. Ze was gekleed in blauw-en-grijs. Een scherpgesneden, ouderwetse schooljuffrouw. Een vergrijsde verpleegster. Maar evengoed een nuchtere, taaie, zakelijke, geïnteresseerde en relativerende dame die in geen enkel opzicht nog overeenkwam met het beeld dat ik me van haar op basis van al die brieven en van mijn herinnering gevormd had. Spraakzaam, vief en attent was ze. Er was veel raadselachtigheid die ze had kwijtgespeeld maar tevens was daar dan ook weer een nieuwsoortige raadselachtigheid voor in de plaats gekomen. Waren wij het of was zij het die zo veranderd was ondertussen? In alle geval, er klopte nauwelijks nog iets aan het beeld van de frenetieke zieltjesjaagster dat ik me door de jaren heen van haar gevormd had. Hoe fout ik daarmee zat, dat bleek nu maar al te duidelijk. Broodnuchter en beraden was ze. Ze wist evengoed dan gelijk wie wat er te koop was op de wereld. En voor wie wel en voor wie niet dat allemaal te koop was, wist ze nog véél beter. Haar ietwat plechtige, nog vooroorlogse Nederlands dat ik kende van haar brieven bleek ze evenwel te hebben bewaard.

‘Al die schone huizen en gebouwen die er bijgekomen zijn hier overal in 't land!’

‘Al die blinkende auto's op de brede straten en verharde wegen.’

‘De welstand onder de mensen.’

‘Alles zo ordelijk en proper geregeld!’

[p. 51]

‘En de kinderen van 't straat!’

Maar ook: hoe ze soms op een lichtjes smalende en defensieve toon over zichzelf praatte, viel mij op. Maar misschien was dat wel een gevolg van het feit dat mijn moeder haar niet alleen hartelijk welkom had geheten maar tevens ook de mantel had uitgeveegd omdat ze zo lang weggebleven was. En omdat ze het telkens weer had laten afweten bij de geboortes en trouwfeesten en sterfgevallen en begrafenissen van de voorbije jaren in de familie. Al die nieuwe gezichten die erbij gekomen waren en niemand die zij daarvan kende. En vooral: zovelen die weggevallen waren ondertussen. Haar eigen broer! Haar schoonbroer en schoonzuster! Al die doden! Waar zij zich dan telkens ‘vanaf’ had gemaakt met een kaartje of een brief met de belofte veel voor de zielerust van de dierbare overledene te zullen bidden. Schone kaartjes en brieven genoeg hoor! Daar niet van! Maar meende zij misschien dat dat opwoog tegen mekaar: het papier en het vlees? En of geen enkel van die sterfgevallen dan de moeite van het overkomen ooit waard was geweest nee? Andere nonnen of paters die kwamen toch geregeld aan! Tegenwoordig stonden die toch om de haverklap terug thuis! Waarom zij dan nooit eens? Maar nee, altijd en altijd maar die Indiërs en die Chinezen die de voorrang hadden gekregen bij haar!

De stem die het begeeft. Krop in de keel. ‘Het is toch waar ook zeker.’

Tranen in de zakdoek. In de bovenste la van de dressoirkast liggen er verse. Pas nog gewassen en gestreken. De neus die lekt.

‘Maar ik ben nu toch ook blij dat ik u eindelijk weer eens terugzie!’

Ze had er maar het zwijgen toe gedaan, tante non, tijdens die emotionele uitval.

‘En ik neem het uw moeder ook niet kwalijk hoor,’ zei ze achteraf tegen mij. ‘Die kan bij mij geen kwaad meer doen. Daarvoor heb ik te lang gecorrespondeerd met haar. Daarvoor heeft ze te plichtsgetrouw mij al die jaren van het reilen en zeilen van de familie op de hoogte gehouden. Daar ben ik haar nog altijd te dankbaar voor.’

Een oude non: zo noemde ze nu zichzelf. Alsof ze zich een beetje schaamde tegenover ons. Alsof ze nog iets goed te maken had. Alsof zij zich nu pas realiseerde dat zij de voorbije dertig jaar voor ons alleen maar een soort van geïnstitutionaliseerde afwezigheid geweest was. Een lege nis. Een contourlijn die van haar overgebleven was op de familiefoto nadat zij zichzelf daar vrijwillig uit weggeretoucheerd had. Een holte. Een plaasterspook van Szukalski.

‘Het beste van mijzelf heb ik in China en India achtergelaten.’

[p. 52]

(Dat zal wel.)

‘Zo moe dat ik mij voel nu ik terug in België ben!’

(Verwondert mij niks.)

‘Ik ga niet beweren dat ik de allerbeste keus gemaakt heb indertijd. Maar het was wel míjn keus!’

(Die indruk had ik altijd al.)

Zoals zij wegkeek toen. Handenwringend. Zoals zij vervolgens door het venster naar buiten tuurde. Langdurig en aandachtig. Alsof er spannende dingen aan de gang waren om en rond het dorpsplein waar mijn moeders venster op uitkeek. Ik wist zelf ook niet beter dan maar mee te kijken met haar. Naar de betonnen bloembakken tussen de geparkeerde auto's. Naar de uitgelaten schoolkinderen op de stoep, zwaaiend met hun boekentassen. Een vlucht duiven die met grote snelheid rond de kerktorenspits draait. En keert. Want dat is dan al honderd vijfenzeventig frank per duif dat een mens betaalt voor het inkorven. Plus wat daar nog bovenop komt aan administratiekosten voor de uitslag die ge een paar dagen later van het Belgisch Verbond in uw brievenbus krijgt nadat uw duiven zijn gearriveerd. Quévrain, Parijs. Of de lange fond op Barcelona. Want een mens rekent dan al op droogte en warmte en hoge snelheden maar de wind is plotseling gekeerd en er zal laag over de grond gevlogen worden. In een bocht rakelings langs het Centraal Massief. Met alle risico's vandien. Hoogspanningskabels, zendmasten en fabrieksschouwen, koeltorens. En uw prijsvlieger die met een gebroken vleugel of met verschroeide staartpennen neerstuikt hier of daar in een maïsveld in Bourgondië. Wachten. Bij de radio met het nieuws voor de duivenliefhebbers. Noyon, zeven uur zeventien. Mooi, goed zicht, windstil, vanaf zeven uur. Pont-Sainte-Maxence, zeven uur eenentwintig. Bewolkt, mooie opklaringen, zeer goed zicht, zwakke noordoostenwind, vanaf zeven uur. De Zuidnederlandse Bond afdeling Midden-Brabant wachten.

Twee wielertoeristen in lelijke, fluorescente trainingspakken op hun racefietsen. Panasonic en Lotto. Het smalle, leren zadel dat helemaal verzinkt onder hun achterste. Het zeemvel in hun kruis. Het blinken van de wielspaken. En de duiven die nu boven de daken scheren. Heel snel gaan ze en heel laag. Als je buiten bent is het klapwieken duidelijk te horen. Het is vergelijkbaar met het geluid van een peloton wielrenners dat voorbijwaaiert. Het ruisen van de wielen. Het zoeven van de tere bandjes over het asfalt. Het gesnuif en het geblaas door de neusgaten. Hoeveel minuten zitten we achter?

En het oog valt op een zwarte ‘student’ die huis voor huis aanbelt en dan exotische schilderijtjes te koop aanbiedt. Zonder veel succes, zo te zien. Aan zijn loop valt hoe langer hoe meer zijn moedeloosheid af te lezen. Wij kopen niet aan de deur. En zeker

[p. 53]

niet van iemand als gij. De Kredietbank. De Algemene Spaar- en Lijfrente Kas. Keurslagerij Schellekens. Het oog valt op de Bulgaarse vriestruck die zonet in het dorpscentrum heeft haltgehouden. De chauffeur probeert zich tevergeefs verstaanbaar te maken aan een voetganger als hij de weg vraagt. Het ziet ernaar uit dat ook die Bulgaar weer op de lokale fruitverwerkingsfabriek Mondi Foods moet zijn. En eenmaal ter plekke zullen ze hem daar een volgnummer geven want de poorten van de fabriek gaan al op tijd dicht vrijdags. Op zijn minst tot maandag zal hij moeten wachten vooraleer zijn veertigtonner met diepgevroren vruchtencompote door de dik ingeduffelde, op vorkliften rondrijdende arbeiders gelost wordt. Hem zijn daar trouwens nog andere wachtenden voor. Joegoslaven, Roemenen, Turken, Grieken. Frambozen en krieken en aardbeien die ze naar hier aanvoeren vanuit de Balkan. En met z'n allen stranden ze daar dan op het parkeerterrein van de fabriek. Maar de meesten vertrouwen elkaar voor geen haar en geen moment durven ze hun camion daar onbewaakt achterlaten. Een heel weekend lang staan ze zich te pletter te vervelen op de parking. Het huilen van de koelsystemen van hun camions is tot ver buiten het fabrieksterrein te horen. En door de omwonenden worden ze met argwaan, zoniet vijandig, bejegend. Er wordt over geklaagd in het dorp dat ze u zo aangapen, die wachtende truckers uit het zuiden, als ge daar voorbij komt gefietst of gewandeld. ‘Vooral als vrouw.’ Al hebt ge af en toe ook chauffeurs die het zich daar ondertussen zo gezellig mogelijk maken. Uren en uren zitten ze te kletsen rond vuurtjes die ze gemaakt hebben. Ze stoken hout van rondslingerende, kapotte paletten of ook lompen die ze gedrenkt hebben in diesel uit hun eigen tanks. En dan weerklinken er over de betonvlakte van het parkeerterrein deuntjes afkomstig uit Macedonië en uit de Montenegro of uit de gebergten van Transsylvanië en Moldavië en al neuriënd en zingend gieten ze zich vol met van thuis meegebrachte Wodka en Ouzo en Sliwowitsj. Tegen de avond beginnen ze in de open lucht uitgebreid te koken. Ze kunnen een mens toch zo begapen! Zo wordt er geklaagd in het dorp over die truckers. Al moet eraan toegevoegd worden, zeggen sommigen, dat het daar wel lekker ruikt soms van tussen hun vriescamions, naar geroosterd vlees en naar vreemde, geurige kruiden. Vooral 's avonds, wanneer ge dan zo al eens op uw gemak voorbij de parking van Mondi Foods komt gewandeld of gefietst.

Zoals zij daar tegenover mij op een stoel bij het venster zat, heb ik haar lang zitten te bekijken ja, tante non toen. Van dichtbij. Van heel dichtbij. Tot op het onbehaaglijke af dichtbij en blootgesteld aan daglicht dat ik zelden ongenadiger op iemand zien invallen heb dan als op haar gezicht toen. De rimpels in haar hals. De grote en de kleintjes. De diepe en de ondiepe. De lijntjes, de schil-

[p. 54]

fertjes, de haartjes. Alle oneffenheden. De kraaiepootjes. Het als geverniste vel. De inplanting van haar haren op haar voorhoofd. Het verloop en de kromming van haar wenkbrauwen. De aflijning van neus en mond en kin. De kleur van haar ogen. Het matte grijs van haar haren. Ik wou dat ik haar haar ook gezien had toen het nog glansde en donkerbruin was. Haar bleke huid. Haar tanige handen, haar knokige vingers, haar nagels. Het kopergroen hier en daar waar je haar aders door zag schemeren. De roestvlekken: eentje op de rug van haar linkerhand, de andere aan haar rechterslaap. Zo verbijsterend aanwezig en reëel dat zij nu ineens was. Zo vertederend menselijk en kwetsbaar dat ze eruitzag nu eindelijk ook.

 

Het is december 1946 en er loopt een Vlaamse reine maagd door de straten van Peking. Het vriest dat het kraakt en heel de stad ligt onder een dik pak sneeuw. Aan het station heeft ze haar bagage in een riksja geladen, zelf verkiest ze om er achteraan te lopen. Al was het maar om zichzelf op die manier wat te verwarmen. Ze is gearriveerd met de trein uit Tien-Tsin na een zeereis die bijna zeven weken in beslag heeft genomen. In Shanghai, waar haar schip twee weken geleden was aangemeerd, hadden ze het haar al flink lastig gemaakt. Net voor haar aankomst waren er weer rellen geweest en in de binnenstad was er opnieuw gemanifesteerd tegen de aanwezigheid van de buitenlanders in China. Een volle week had het geduurd eer de douane haar bagage wilde vrijgeven. Ook hadden ze er haar reiskoffer opengemaakt en al haar bezittingen in het slijk gegooid. Als het niet voor U was, Heer, had ze gedacht toen, dan maakte ik nu rechtsomkeer en ging ik nog met dezelfde boot terug naar huis!

Maar ze is een doorbijter. Nu stapt ze alweer met flinke tred achter de riksja aan door de straten van Peking. Ze is onderweg naar het adres dat ze bij haar vertrek uit België meegekregen heeft van het klooster in Leefdaal. Ze rept zich want het begint al te donkeren boven de stad en het is opnieuw aan het sneeuwen. Maar de koelie blijkt ineens zo zeker niet meer van de weg die ze tot nu toe gevolgd hebben. Het Plein van de Hemelse Vrede is een immense, verlaten ijsvlakte. En de straten en steegjes van Peking vormen een donker en koud labyrint. Heel afstandelijk en met veel plichtplegingen wordt ze laat in de avond ten slotte verwelkomd in een groot huis waar acht inlandse nonnen bijeenwonen. Het is jaren geleden dat deze kleine Chinese kloostergemeenschap nog contact heeft gehad met de moedercongregatie in Europa. En dat gaat zij meteen ook merken. Al is ze doodop van vermoeidheid, toch moet ze eerst biechten, zo wordt haar bevolen. Ook al omdat ze scheel ziet van de honger duurt het een poosje vooraleer ze in

[p. 55]

de gaten krijgt dat ze, in plaats van tegen een biechtvader, haar belijdenis zit te doen tegen een vreemde dame die met de purperen stool aan in de biechtstoel zit. Na een bad en een sobere maaltijd krijgt ze verse kleren. Een gewatteerd Chinees broekpakje. En een soort van stofdoek voor op haar hoofd. Haar reguliere nonnenhabijt mag ze niet meer dragen. Het is haar ook voortaan verboden om de eigen taal nog te spreken of te schrijven. Neenee, ook Engels is niet geoorloofd. En ze krijgt een nieuwe, Chinese naam: Yu Te Yung. Is dat duidelijk? Yu Te Yung. En jij bent ook nooit iemand anders geweest dan Yu Te Yung. Wanneer je de wetten overtreedt, word je geslagen met de stok. Met de staf van de meesteres. Alleen tijdens de eredienst in de kapel hoort ze bij het opzeggen van de gebeden nog wel eens een zinsnede die haar vertrouwd in de oren klinkt. En van de attributen op het altaar herkent ze er ook nog een paar als behorend bij het ritueel van de Latijnse mis. Dagelijks wordt zij nu verplicht hand- en spandiensten te verrichten in het huis van een rijke Pekinese weduwe die, in ruil voor haar financiële steun, de kleine kloostergemeenschap volledig naar haar pijpen doet dansen. Er moet hout worden kleingemaakt en water aangehaald en heetgestookt want iedere avond is er het uitgebreide ceremonieel waarmee de weduwe haar bad neemt. En er is een beurtrol opgesteld voor de assistentie die de nonnen daarbij moeten verlenen. Na het baden wil ze altijd ook langdurig gemasseerd worden. De voeten. De hals. De lendenen. Wierook en sandelolie. Goudlaken en mandarijn. Vervolgens is er het minutieuze protocol dat moet gevolgd worden als ze zich laat aankleden in een slaapvertrek dat door de andere nonnen genoemd wordt ‘de albasten kamer.’

 
De maan valt en de kraaien roepen.
 
Het dal vult zich met dauw.
 
De klank van de tempelklok van Han Shan
 
is hoorbaar tot aan
 
de kade waar de passagiersschepen liggen.

Op haar knieën zit ze bij de deur te wachten op de vaak bitsige maar uiterst nauwkeurige bevelen die de weduwe haar tussendoor geeft. En soms, wanneer de bevelen niet bitsig zijn, dan zijn ze wel schandelijk en honteus. Dan laat de weduwe zich de gewaden aanreiken die in een mahoniehouten kleerkoffer in de kapel bewaard worden. Het koorhemd. Het schouderdoek. De biechtstool. De kazuifel. Het velum. Het benedictiedoek. O wellust. O zondig, blasfemisch wijf. Maar zij gehoorzaamt en zwijgt als vermoord. Vader, moeder, als ik thuis ben zal ik gauw weer genezen zijn. Het oponthoud in Peking duurt drie maanden. Een paar honderd kilometers verderop in het binnenland van Noord-China, in een stad aan de rand van Binnen-Mongolië en in een huis dat daar nog was ge-

[p. 56]

bouwd door de Japanners, zitten drie andere nonnen zich ondertussen af te vragen waar de beloofde hulpkracht uit België in godsnaam toch blijft. Het was hun opdracht om in Kalgan met z'n vieren zo spoedig mogelijk een hospitaal uit de grond te stampen. Eindelijk komt ze eraan.

 

Maar ik geloof dat mijn nabijheid haar na een tijd begon te hinderen. En ik ben er zeker van dat het ook bedoeld was om een eind te maken aan mijn suspecte, volgehouden zwijgzaamheid toen ze mij op haar beurt een paar seconden lang recht in de ogen keek.

‘Zo stil dat ge zijt.’

‘Ik?’

‘Ja.’

‘Ik weet niet.’

‘En mij zo zitten aankijken dat gij doet.’

‘Gij mij ook.’

‘Is er iets?’

‘Niet dat ik weet.’

Jawel. Vanalles. En vanalles ineens. Maar voorbij aan de woorden was het wat er aan de hand was. De tekening die plotseling ontstaat doordat het omhulsel barsten vertoont. Het gekraak van het craquelé. Gekletter van scherven. Of het geluid als van een zak vloeistof die openbarst. Alles op de grond. En nu was er niet langer meer omheen te kunnen nee. Aan hetgeen waar zij in haar brieven nauwelijks woorden had besteed en waar zij nochtans haar leven lang een bij voorbaat verloren gevecht tegen had gevoerd. Voorbij aan de woorden ja. Het snot, de stront, het kwijl, de etter, de wonden, het braaksel, de vuiligheid, de honger, het geweld, de ondervoeding, het creperen. De stank die wij nooit écht geroken hadden. De grauwe armoe die wij tussen de regels door nauwelijks of nooit gelezen hadden.

‘Nochtans een schoon land hoor, India. Bij gelegenheid moet ge maar eens afkomen.’

Zoals ik haar moe en afgetobd erbij zag zitten nu ineens. Eindelijk te voorschijn gekomen vanachter het schroeiende fornuis van de verre, broeierige wereld waar zij het grootste deel van haar leven had doorgebracht. Voor even maar. Om mijn treurende, oude moeder een paar troostende woorden toe te komen spreken. En ook om ons, haar nichten en neven en wie er nog overbleven van haar eigen, zo onderhand gedecimeerde familie en passant nog eens een goedendag te komen zeggen. Tenminste, zo veronderstelde ik dan toch. Dat het daarvoor was. Maar naar ik achteraf hoorde, had ze tevens van de gelegenheid gebruik gemaakt om in Leefdaal eens flink uit te varen tegen haar oversten over zendingen uit België die vaak onvolledig of niet tijdig ter plaatse waren. En

[p. 57]

over beloofde extra financiën voor haar hospitaal in Indië die achterwege waren gebleven. Het had er gestoven toen, naar het schijnt, daar in Leefdaal.

Nog altijd geen gemakkelijke ook niet.

 

Zij: ‘Ge zijt veranderd.’

Ik: ‘Gij ook.’

Zij: ‘Dat zal wel.’

Ik: ‘Zo gaat dat.’

Zij: ‘Jazeker. Maar ik ben oud. En gij nog niet.’

 

En ze had nog gelijk ook natuurlijk.

 

Zij: ‘Gij zijt hier ook niet meer thuis precies.’

Ik: ‘Niet zo erg meer, nee.’

Zij: ‘Ik ken dat.’

Ik: ‘Dat zal wel.’

 

Dat ik haar een groot plezier zou doen met de geschriften van Ruusbroec, Theresa van Avila, Sint Jan van het Kruis en Catharina van Siena, zei ze kort voor ze opnieuw vertrok tegen mij.

‘In het Nederlands als het kan.’

En of het niet teveel gevraagd was bij gelegenheid haar een paar van die boeken in een pakje achterna te sturen, vroeg ze. Want dit was de laatste keer geweest dat ze in België was. Ochja, wat had ze hier in godsnaam nog te stellen eigenlijk. Nu bleef ze voorgoed ginder.

Dat ik voor haar wel eens zou rondkijken, zei ik.

‘Bedankt.’

‘Het is niks.’

En of ze de rekening achteraf dan moest voldoen met geld of met haar gebed, vroeg ze.

‘Och laat maar,’ zei ik.

‘Jamaar nee,’ protesteerde ze. ‘En daarbij,’ zei ze, ‘ik heb ook geen zin om schulden achter te laten in België.’

‘Hou het dan maar bij het laatste,’ zei ik. Want dat ik dat misschien ook wel kon gebruiken.

 

‘En schrijft ook nog maar eens, gij.’

‘Ik schrijf al zoveel.’

‘Maar niet naar mij.’

‘Naar u zo direct niet, nee.’

‘Bijna niemand die mij nog schrijft tegenwoordig.’

‘Ahzo.’

‘Nee.’

‘Bij gelegenheid zal ik wel eens schrijven.’

terug  begin  verder