Als het een kalme tijd was en een vreedzaam dorpje (waar zich het drama dat ons bezighoudt afspeelt), of zo men wil stadje, uiteraard een vreedzaam stadje, een stadje van niks dus, moeten de mensen in die streek vanzelfsprekend ook wel iets vreedzaams hebben gehad; vergeten is immers een voorwaarde om door te leven, zeker als dat een leven was dat van generatie op generatie werd doorgegeven. Vergeten? Heb ik vergeten gezegd? Zoeken, zal ik bedoeld hebben, zoekmaken, wegdenken, een streep onder het verleden zetten. En heb ik gezegd dat ik ging? Dat kan niet waar zijn. Ik zeg het bij dezen. Ik ging, in een andere zin wel te verstaan, ik verplaatste mij zoals een ander buiten zichzelf raakt. In het dichtstbijzijnde hotel trok ik in, als het stadje een hotel had gehad, en ik verborg mijn morose lichaam in een paarse bijna vleeskleurige crapaud en wachtte, zoals een buitenstaander betaamt, op dingen die komen gingen en nog steeds gaan. Ik ging en ik wachtte. Tot zover de eigen woorden van iemand wiens naam mij ontschiet maar die verdacht veel op Mor of Tor leek. O, ik vergat nog iets dat hij zeker ook gezegd moet hebben: het regent nog steeds, beste mensen, het regent van boven naar beneden, slapen jullie allemaal rustig verder. Dat was in de tijd dat men nog dacht dat radioactieve neerslag een soort motregen was. Maar vooruit, ik moet weg. Zijn verhaal naderde een hoogtepunt, de trein kon elk ogenblik het stationnetje binnenstormen - en als we niet opletten voorbijrazen; weg kans. Ik heb hem nooit meer teruggezien, al zegt dat op zich niet veel. En is wat hij verteld heeft daarom soms minder waar?
We hadden het over een rustige tijd en een vreedzaam dorpje, laten we het Blesdijke noemen, en nu, zo heb ik mij voorgenomen, uit wraak zeg ik er eerlijk bij, nu moesten de inwoners eraan geloven. Echte paardenliefhebbers, zoals ik al zei, toen al, nu nog trouwens, nog hedentendage doen ze er alles met paarden, te
vergelijken met het dorpje Pancras waar ze alles met varkens deden. Blesdijke draaide op paardekracht, van elektriciteit wilde men niet horen. Het gezegde wil daar: water en stroom, dat klinkt als water en hoofd of stro en man of vogel en verschrikker, onschuldig dus, maar steek eens je vingers in het stopcontact, dan piep je wel anders. Heel kernachtig, heel karakteristiek zoals ook hun hele bouw het paard verraadt.
Nu de feiten. O ja, de feiten en de mens achter het dorp in galop langs de drooggelegde Zuiderzee. Schuchter is het woord, schuw kan ook, kopschuw, maar eenmaal in galop kende je ze niet terug, zo edel, zo rossig, zo ronduit achterbaks. Nee, paardevlees aten ze niet, paardevlees was beurs van de zweep en de roskam meesmuilden ze, doorgezeten smaakte het en waar je met je kont op zit dat vreet je toch niet! Daarentegen heetten de ogen voor hen een ware lekkernij te zijn. +Ze staken puntige rietjes in de larmoyante paardeogen en zogen die leeg. Wat van een paard overbleef was voor de vliegen, voor de vliegen was Blesdijke een waar paradijs. Ook het klimaat speelde een rol, drassig, en het plaatselijk dialect niet minder zompig, wat elders met consumptie heet was daar een gemiezer van woorden. Maar dat moet een gerucht zijn, zoals ik mij heb laten vertellen, achterklap, want uit eigen waarneming kan ik meedelen dat het praatje over smakelijke paardeogen niet waar is, integendeel, de paarden dragen er zonder uitzondering oogkleppen. De kermispaarden leveren het bewijs, ze leven nog en zijn gelukkig, en dat bewijst weer de muziek waar ze van houden.
Ja, het tegendeel is zelfs eerder waar, ze hielden van hun paarden als van zichzelf, ze lagen er krom voor. Nee, ook hinniken was er niet verboden, alleen het hinniken van hengsten, althans van gelubde hengsten, en dat slechts op zondag, want op zondag, dat getuigt eens te meer van hun liefde voor de dieren, kon je de bewoners door het dorp en de omliggende velden zien rijden, fier heb ik gezegd, het evenbeeld van hun viervoeters, trots als centauren maar dan ontkoppeld, vrijer dus, menselijker ook, negen of tien dorpelingen op één paard, nooit minder dan acht want dan raakte de knol te ver van huis, misschien wel tot in De Blesse of zeker tot het huis van dokter Vos of in Kalenberg of zelfs Pancras. Zulke hoogvliegers waren de dorpelingen niet. Maar nee, ook dat schijnt een infame leugen te zijn, altijd was het een vrolijk hinniken - zo vrolijk en levenslustig dat er een nieuw woord voor gezocht moet worden dat eensgezindheid, kuddegeest en volksvreugde uitdrukt en tegelijk de wanklanken, ondertonen en geladen intervallen laat meeklinken: een woord dat het midden houdt tussen blaken en blaten en schateren en schutteren, maar dat terzijde - en de paarden, dat dient er terwille van de waarheid bijgezegd, aten
alleen kleinere dieren zoals dat in de natuur altijd al goed geregeld schijnt te zijn.
De inwoners waren in die tijd vreedzame burgers als alle anderen, de angst zat er ook bij hen nog goed in - we schrijven 1974 - zodat ze met weinig tevreden waren en ook weinig deden. Alle mensen in die streek aten geweldige hoeveelheden paardevlees, hoe kan het ook anders, dag en nacht waren ze bezig immense hompen paardevlees naar binnen te werken; en als ze toevallig met iets anders bezig waren, hadden ze het over niets anders dan over de grote porties paardevlees die ze straks gingen verorberen, paardevlees dat in kinderboeken naast eieren en melk als hèt middel gold om door tuberculose vermagerde moeders aan te sterken. Een enkeling sprak bij voorkeur over de bijwerkingen van het eten van de edele delen van het edele dier, de meesten waren minder kieskeurig. En op elk uur van de dag werd er gedraafd en kon je hoefgetrappel horen. Varkens waren taboe, evenals een huwelijk met iemand van buiten het dorp, meisjes waren geslachtsrijp zodra ze konden rijden of zelf bereden werden, en op zomaar bijten in een niet gebakken, gebraden of gekookte paardebil stond zware lijfstraf, door het paard in kwestie toegediend - menig brooddronken dorpspuber had de afdruk van een hoefijzer in zijn gezicht en moest van tijd tot tijd beslagen worden. Tot zover in het kort iets over de lokale zeden en inwijdingsriten.
Maar ik krijg het koud; de mensen wonen hier in stallen, dat ben ik niet gewend. Ik zal vertellen wat mij verteld werd. Iemand neemt een paard, snijdt een gat in zijn borst en haalt door deze opening alles eruit wat het inwendige van het paard herbergt, dus niet alleen zijn snelheid, zijn vurigheid, zijn alomgeprezen betrouwbaarheid en veelgeroemde dienstbaarheid benevens zijn edele aard, maar ook de ingewanden, het vlees en de botten, zodat er tenslotte niets overblijft dan een leeg vel, louter omhulsel maar in strijd met elke logica nog altijd de verpakking van een ‘paard’. Dat verklaart wellicht het andere verhaal over de dierenbeulen die met trossen van tien op één paard schijnen rond te jakkeren. Waarschijnlijker is dat bij deze of gene de verbeelding op hol is geslagen, dat komt voor. +Het moet om deze leeggeschraapte paardehuiden gaan die gevuld worden. Een tijdlang deed het gerucht de ronde dat er paardeknechten in de paardehuiden werden gestopt waarop de boeren zoals dat heette vorstelijk rondreden, als waren het hereboeren en hun paarden verklede landarbeiders, het had gekund, toch is dat niet waar gebleken. Nogmaals, het was een tijd waarin vrede nog een woord met inhoud leek, al begon die wat te zweten
en te gisten, toen worst nog echte worst was en geen met reuzel en zaagmeel gebonden braaksel in een paardecondoom. Nee, het zit zo, daarna moet ik hoognodig weg. Het leeggeschraapte paardevel werd gevuld met een ander paard, meestal een wat jonger paard of een paard van een kleiner ras, en alleen als er geen paard bij de hand was moest het door iets anders, als iets een dier is, en het hem als het een hengst was, haar als het een merrie was en het als het een muilezel was, vervangen worden. +Het was trouwens een tijd dat zowel de wielrennerij als de drafsport nog schoon waren, had hij veelzeggend gezegd, als je begrijpt wat ik bedoel, kijk maar eens naar mijn ogen en hij draaide zich dat wil zeggen zijn prachtig gespierde lijf met gevlochten staart en gefriseerde manen en glimmende kont (voorgoed) om.
Voor wat je hebt gezien, hoef je niet meer te kijken. Voor die waarheid als een koe tekent Mor. Stel je voor, zegt hij zoals hij praktisch voor elke zin stel zegt, als opmaat, stel dat je op een netvlies beelden terug zou kunnen vinden, tussen de miljarden beelden die er ooit op geprojecteerd zijn, alsof je miljarden vliesdunne afbeeldingen op elkaar gestapeld doorbladert en toevallig - over dat toeval spreek ik je nog wel eens - dat ene beeldverhaal aantreft: zoekplaatje of rebus.
Omdat je dàt niet zocht, vond je het.
Mor sprak over het toeval, de toevalstreffer om precies te zijn: het ene beeld dat opduikt en vele andere bedekt - wat in zijn basterdtaal dekt wordt - andere dus, als was het er een synopsis van.
Uit je adem, zegt hij en geeft mij niet de kans zelfs maar de regieaanwijzing voor zijn en mijn optreden te registreren, laat staan een gelijkende beschrijving van zijn verschijning te geven, van zijn lichaamsbouw, fysionomie en ter zake doende karaktertrekken - boosaardig, altijd razend, maar uiterlijk de kalmte zelve, afgezien van het sarcasme dat schuimend uit zijn mondhoeken druipt - ik wil maar zeggen: elke keer als ik Mor, die oude bekende, sprekend opvoer, begint hij zijn optreden met mij te verwijderen en als dat niet lukt, omdat ik mij niet uit de weg laat ruimen, dat weet hij, omdat hij dat niet heelhuids zou overleven - en wat, vraag ik je terzijde, wat als hij het overleeft en met achterlating van zijn huid, kwetsbaar als een windei, elders aan het raaskallen slaat, ik vraag je - snoert hij mij de mond, omdat hij terzijdes al helemaal niet kan uitstaan, of, nog erger, hij spreekt namens mij, legt mij zijn woorden in de mond, en gaat onverstoorbaar naar het devies te werk: Opgestaan is plaats vergaan....
Als ik het zie zoals we het vier eeuwen geleden - dank zij Carpaccio - te zien hebben gekregen, paard en kuras als met kachelpoets opgewreven.
Van rechts rijdt een gepermanente ridder op de draak in, die met gespreide vlerken en van woede gekrulde staart, met geen andere dan natuurlijke wapens, het loodje zal leggen. Van de ene kant man en paard op de achterste benen en van de andere kant het monster op twee achterpoten van een leeuw, vormen ze een boog door de lans die in de muil steekt - en breekt.
Onder die brug van geweld liggen de doden verstrooid: hij die in zijn vlees leed, Carpathius, het rechterbeen bij de lies afgerukt net als zijn geslacht; en zij, al even vredig sluimerend, tenminste wat er van haar over is, het bovenlichaam intact tot waar het onderlijf finaal is afgerukt. Een buikmuil met een gebit als een vosseklem heeft het mannelijke en het vrouwelijke weggescheurd. Hun resten liggen tussen zwarte slangen, schorpioenen, gesloten schaaldieren en schedels.
De dichter, want natuurlijk ontpopt elke ridder zich te zijner tijd als jonge dichter en vice versa, hij zou zijn relaas aldus beginnen: Wie at de wratten van de pad? Wie likte het lid van de syfilislijder? Wie stopte zijn snuit in de buikmuil van de drachtige slet? Wie kreeg zweren op zijn lippen, een krentebaard om zijn mond en schimmel op zijn tong van ontaal en besmet geronk?
Hoor, we bevinden ons in de marge van de vierde zang!
Begin liever, kap ik af, met het beeld te vierendelen, dan vormen de twee onderste delen de partijen in de tweestrijd, te midden van ongedierte en afval, en het vlak linksboven bestaat uit de geometrisch geordende stad en het vlak rechtsboven wordt gevuld door het ruime sop, waarop twee zeilschepen zullen verdwijnen, ongezien door de Stella Maris, de geharnaste maagd.
Wat let de ziener te zeggen dat in dit embleem onze hele cultuur besloten ligt, haar voorgeschiedenis inbegrepen? Dan is het niet langer een beeld, maar een trompe l'oeil, een verraderlijk snel aan ons oog voorbijflitsende aaneenschakeling van oplossingen, zó snel dat het voor het blote oog stilstaat. Zie daar het raadsel van het beeld. Aan bedrog denk ik, het kan niet anders. En wat daar anders tegen te doen dan wegdenken? Doen alsof aanvaller (verdediger van alles wat daar als denkbeeldig bestaat: de hele cultuur, te beginnen met de maagdelijkheid van het levende en dode vlees) en prooi (de belager van de orde, het vlees dat zichzelf verslindt) verdwaalde silhouetten zijn, schimmen uit een ander theater, dat van het geheugen bij voorbeeld.
Vergroot de details.
Ja, de levenden hebben altijd gelijk.
Ik hoor Mor, de zachte heelmeester die uit zijn bek stinkt, watertandend over het mensenmaal napraten. Het moet in een voortijd hebben plaatsgevonden. Er resteren slechts stille getuigen. Het geslacht is verdwenen, god weet hoe lang, en wie weet is het mannelijke in een hagedis of pad veranderd en heeft het vrouwelijke de gedaante van een schaaldier aangenomen, zwijgend in alle talen. En de voet niet te vergeten, losjes steunend tegen het als een paddestoel uit de grond rijzende hoofd - levend doodshoofd dat zijn neus ophaalt en de ogen liever gesloten houdt - schedel van de wijsheid - ‘ik ken de voet’, ik ken de raadsels waarin het om voeten gaat. Loop heen voordat de avond valt en het avondland bloedrood kleurt van schaamte wanneer dit aloude schouwspel zich weer, telkens tegen een andere achtergrond, afspeelt.
We kijken en wat we achteraf gezien hebben is een metamorfose: de tijd in ruimte opgeblazen.
De draak heeft zijn plaats in de stamboom van goden en mensen, als de vrucht van geweld (Ares) en eros (Afrodite).
Acht jaar moest Kadmos Ares tot slaaf dienen, toen gaf Zeus hem Harmonie tot vrouw. En wiens dochter was Harmonie? Juist, van Ares en Afrodite, uit wier vereniging de ideale vrouw èn het geduchte gedrocht geboren werd.
Er tekent zich in de stichtingsmythen een patroon af: er is een bron die door een draak of een slang wordt bewaakt; het monster wordt door de held overwonnen, die daar een stad of een gemeenschap sticht op diezelfde plaats of in plaats daarvan (opgestaan, plaats vergaan).
Wanneer draken bronnen bewaken of in hun macht hebben, zoals de draak die Kadmos versloeg voordat hij de stad Thebe stichtte, of poelen bewonen, zoals Siegfrieds eerste draak, een vrouw in hun macht hebben of bewaken, zoals de door Perseus bevrijde Andromeda, of haar dreigen te verslinden, zoals het door Sint-Joris bevrijde meisje, of anders zoals in vele sprookjes en mythen een schat bewaken, zoals een draak het Gulden Vlies of Fafner de schat der Nibelungen - altijd staat de strijd van de held met de draak voor dezelfde verhouding tot de natuur.
De onderwerping van de natuur - in de taal van de mythe altijd als strijd met een monster voorgesteld - is een handeling die aan de samenleving ten grondslag ligt maar ook steeds herhaald moet worden, en mislukking daarvan leidt tot ziekte, verval en tenslotte de dood van de samenleving.
Het gedeeltelijke slagen of mislukken van de held is uitdrukking van een uiteindelijk voor de maatschappij zelfvernietigende natuurtoestand, een vuurproef, waartegen zij op den duur niet op-
gewassen is. Zolang de dienstbaar gemaakte, onderdrukte natuur ook verder onderdrukt blijft, wordt de maatschappij bedreigd door de opstand van de dienstbaar gemaakte geesten die zij bezworen heeft en uitbuitte.
Als ik de hogere machten niet kan doen buigen, zal ik de duistere onderaardse krachten in beweging zetten.
Mor weet beter: Kadmos heeft de slang vol jong willen stoppen. +Van pure begeerte brak zijn lans.
Alles gehaald, meesmuilde de wonderlijke paardendokter, uit de willige schoot van geweld.
+O kom in mijn mond, gruwelijke geliefde, open mij en ik zal mij openen, mijn lippen lekkende vlammen, mijn tanden ontbloot en in het gelid als rijen blikkerende wapens; ik open mij groter dan ik ooit ben geweest (grotere woorden hebben mij nooit verlaten) en jij - stoot je lans dieper dan je dacht, tot in mijn diepste geheimen, waar zoals je niet wist een andere persoon van mij genesteld is, duister als geen ander, een addernest van nooit slapende gedachten die broedden in mijn buik; en of je mij nu door de open poort van mijn mond of de open poort van mijn brandende schoot binnendringt, ik neem je terwijl jij mij neemt en ik laat mij door de weerhaken van je wapen verscheuren.
Daarvan heb je gedroomd - met open ogen, daarom kon ik het zien: hoe mijn vernietiging je zelf je leven zou kosten, omdat je, eenmaal in het labyrint van mijn innerlijk verdwaald, elk begrip verliest, om te beginnen dat van tijd, dat van voor en na.
De toeschouwers hebben het gedaan, niet voor het laatst.
Voor het sierlijke paleis verrijst een oriëntaals slot, waar ze op de torens, transen, gaanderijen en muren staan toe te kijken. Zij zullen het overleven, de rechtvaardigen, zij houden het overzicht opdat orde en rust gehandhaafd blijft. De stad van Kadmos is de stad van de Wet geworden. Op veilige afstand genieten de inwoners van hun uitzicht.
De draak is allang aangeschoten wild, vol verlangen beloerd vanachter en op de muren, vanuit de beschutting van de hooggebouwde stad. Ze hebben het ondier in al zijn bewegingen gevolgd als een verdachte figuur en argwaan vindt, vroeg of laat, altijd zijn bevestiging. Waar wachtte men op? De vraag was alleen wie begon. Het liefst zagen ze dat de vreemdeling zelf aanleiding gaf
door zich aan een onschuldige te vergrijpen. Dat zou de vrijbrief zijn om ongenadig toe te slaan. Je kon het ook uitlokken.
En had het paar het er niet zelf naar gemaakt? Het tweetal werd al driester en driester; op hun liefde mocht geen zegen rusten, overtreding van de wet mocht niet ongestraft blijven. Ogenschijnlijk merkte niemand er iets van toen die twee stiekem de stadspoort uitslopen om ver van alle verwijtende en controlerende blikken zich in het restje paradijs aan elkaar te geven, zich met elkaar af te geven, aldus de chroniqueur.
De jonge dichter - toen is het cliché ook gemunt: de romantische wereldbestormer alias de vrouwenheid alias de dichter alias het zwarte schaap - had tegen zijn geliefde gezegd: Het paradijs is vergrendeld en een oorlogszuchtige engel houdt de wacht; laten we een reis om de wereld maken en zien of het paradijs aan de achterkant een ingang heeft. Ook een korte reis kan een wereldreis zijn en rooskleurig als hun blik was zagen ze in het verfomfaaide boompje een afstammeling van de boom der kennis.
Elke stap, elk gebaar van hen was vanaf de uitkijktoren moeiteloos te volgen, te meer daar zij zozeer in elkaar opgingen dat ze geen gevaar meer zagen. Onder de kale stammen van de palmbomen groeide geen struikgewas, zodat ze overal zichtbaar waren. Bovendien had men om het uitzicht ongehinderd te maken zelfs de enige boom geveld - op ooghoogte.
En daar gebeurde het verhoopte - alsof er een scenario bestond, het verliep precies volgens het boekje - hun werd door het Beest het onderlijf afgerukt. Hierop had men gewacht. De straf werd meteen een voorbeeld - van de vraatzucht van de wildernis, de vernietigingsdrang van het beest, belust op lichamen, bij voorkeur het lichaam van een maagd. Aan bandeloze lust diende een eind te worden gemaakt, weg met de bron van onlust. Van het beest zou alleen een schim mogen overblijven, een heraldische figuur ter herinnering en bezwering van het gevaar.
Met wellust keek men toe hoe de lust in de laagte werd uitgeroeid. Het schouwspel greep hen zozeer aan dat de over de schouders van hun dames meekijkende mannen staande de vrouwen van achteren namen, vertelde Mor, hij kon erover meepraten. Ook had hij het over de terugkeer van wat verdrongen wordt, en eenmaal op drift had hij het verder over parende en elkaar dekkende woorden, en tenslotte over een ongelijke strijd tussen twee zinnen.
Maar, op het moment suprême brak de lans, nadat hij muil en schedel doorkliefd had en aan de achterkant van de kop weer naar buiten drong.
Bestrijder en plaag vormen al die eeuwen een boog, ja en nee houden elkaar in evenwicht: zonder draak zou Sint-Joris geen held zijn, zonder de ridder de draak geen ten dode opgeschreven bedreiging. Joris Goedbloed stichtte de firma Rent-u-Kill - dixit Mor, kwakzalver onder het kruipend en vliegend ongedierte.
Laten we het liever even over de andere zon hebben, de tijdelijk afwezige, de onzichtbare. Zolang je haar niet ziet kun je denken dat ze miniem is en onooglijk, iets als een blinde vlek, maar in werkelijkheid, pas op, is zij virtueel een stelsel zo uitgebreid dat we er volledig in kunnen opgaan. Aan het woord is Mor, zijn tweede stem, de eerste persoon meervoud verraadt hem. Als we haar uit dat darmstelsel te voorschijn zouden kunnen lokken, als een slak uit zijn huis, zouden we haar kunnen aanspreken, fluweelzachte Pupilla, verweekt paardeoog, laat je zien, we doen je geen kwaad, voor ons stink je niet, heus niet, kom, verlos mij, fantastische moeder die ik Nora heb genoemd. Zij kent geen geledingen en onderscheiden, zij snijdt en bijt niet. Ook laat zij zich niet, door welke aandrang ook, lostornen uit het inwendige van deze capella die haar tot vesting dient, een imitatie, natuurlijk zoals alles hier nabootsing is, zelfs deze dag een nabootsing van de dag van gisteren die onder bescherming van de duisternis niet van de andere te onderscheiden is. Zij houdt zich doof en blind, haar gevoelens verraadt zij niet. Zij is de uitvinder van panorama's, landschappen, stadsgezichten, vergezichten en van het vlees. Zij houdt van geruchten, kwaadspreken en breedsprakigheid, van onbestemde geluiden, wazige denkbeelden, verwarde gesprekken, omslachtige gebaren, overbodige handelingen, van schijnbewegingen waarin zij zich volledig kan geven. Modder is haar element, en omdat zij niet meer dan een in en inzwarte plas is, een inktzwarte spiegel, een absorberend oppervlak waarin de regen volledig opgaat, heeft zij net als de regen een afkeer van discriminerende onderscheidingen. De aan het firmament gedachte zon ontbindt en ontleedt, zij versteent letterlijk alles wat beweegt of schijnt te bewegen. De zachte zon, de absente, geleidt. +Niet voor niets vindt paren in het donker plaats - twee woorden bestijgen elkaar en rijden zich aaneen - de vereniging is zwart. Ook voorwerpen paren. Wat ik ben is één ding, hoe ik mij voel een ander ding, wat ik van mijzelf denk en hoe ik mij zie weer een ander ding, wij paren in het donker, in alle stilte, wij reinigen ons in de modder en onze gedachten spatten aan het oppervlak als gasbellen uiteen.
Maar de vaders zeiden: jongen toch, laat je moeder in de steek en bemin ons, wij hebben immers ook een deel dat sprekend
op een vagina lijkt. En in dat verband vertelde Carnac een etnografisch voorbeeld. Bij de Poro, zegt hij, wordt de jongeman door een krokodil opgegeten en woont een tijd in diens buik. (Krokodil, kaaiman, draak, slang, varken, vermommingen zijn het allemaal!) Wij brengen de novieten tijdelijk ergens onder, lekker donker. Ze komen er volstrekt gedesoriënteerd uit, vaak willen ze niet eens uit zichzelf naar buiten komen. Als ze naar huis gaan, zijn ze vergeten hoe ze moeten lopen, ze wankelen en gaan het ouderlijk huis aan de achterzijde binnen, lach niet, en als ze dan voor het eerst weer te eten krijgen, houden ze hun bord ondersteboven. Alles moeten ze weer leren, zelfs praten, het enige dat hen soms aan de praat krijgt is rook blazen in hun aarsgat, even stevig doorroken wil wel eens helpen.
Maar laat je niet afleiden, zeg ik, over paren hadden we het, misschien bedoelde ik een paring, een ander woord vind ik hier niet op zijn plaats, die zich in een donkere hoek van het vertrek onzichtbaar voor mij voortplantte, ook hiervoor weet ik geen beter woord, laat ik zeggen: Echo's ego, want het is goed mogelijk dat de een, de rechtmatige eigenaar van mijn stem of zijn vertegenwoordiger, Mor of een dierlijke plaatsbekleder op aarde, dat de een zich met onzuivere bedoelingen over de ander, mij als meewerkend voorwerp, gebogen had en dat de ander zich eveneens met onzuivere zij het andere bedoelingen met de een afgaf of de ander zelfs bevruchtte, mij als accusatief, uitermate ingewikkeld allemaal, je hebt of bent een complex, aldus de wonderdokter. Ik kon, zelfs als ik zou willen, de rest van de scène niet meer volgen.
Ik zeg: ik zie het. Hij hoefde het mij niet aan te wijzen, laat staan voor te doen. Ik zie in het raam een wielvormig netwerk van concentrisch uitgesponnen stralen en cirkels. Een grote vrouwtjes-spin met op het borstelige achterlijf een provocerend kruis zit in het midden van haar raadselachtige bedoening, zij bidt. Ik hoor mijn moeder op de vraag van Lips, hoe vang jij je prooi, antwoorden: ik vergroot mijn jachtpotentie, ik versterk mijn waakzaamheid, ik verruim de mogelijkheden en het bereik van mijn ogen en poten, ik spin een stelsel van draden en gevoelige detectors, vanuit een centrale positie sta ik direct in contact met de uithoeken van mijn areaal. Dat was haar levensles, ze gebruikte haar passieve vermogens als agressieve possessieve middelen. Het wijfje of ook wel mijn moeder in overdrachtelijke zin zit roerloos te wachten, acht poten bereidwillig uitgespreid tot het kleinere, waarschijnlijk mannelijke dier, gladder van vel, recht op zijn of moet ik zeggen haar doel afgaat en haar innig omarmt. De vereniging of moeten we zeggen hereniging is in een wip achter de rug, het mannetjeslijf maakt zich uitgeput van het vrouwtjeslijf los dat, nu de verwekker met overslaand rikketikkend hart uitgeteld naast haar blijft hangen,
nog groter lijkt. Het wijfje lijkt zich te hernemen, de poten krommen zich en de liefdeskramp verdwijnt, een behaarde tong komt te voorschijn, de extremiteiten op de kop bewegen heen en weer. En van het onbewaakte ogenblik dat mijn vader van zijn gerief aan het bijkomen is maakt zij gebruik om bliksemsnel (in werkelijkheid een kwestie van tientallen jaren) met haar tang in het zakvormige onderlijf van het arme mannetje te haken dat na enkele spartelende bewegingen en een belachelijke poging om aan haar ijzeren greep te ontsnappen verstijft en in mijn ogen tergend langzaam in de bedachtzaam malende bek van de spinnekop verdwijnt. Arme moeder, zei hij, ga toch voor dat raam weg.
Kijk ja, en Joris trok uit om het monster te bestrijden en de geometrische orde te bevrijden van het altijd nog om elke hoek op de loer liggende gevaar van verwarring der lijnen, dwarslaesie van perspectief en ordenende overzichtsblik van afstand - van een terugval in chaos zonder omtrekken en grenzen. Maar zo kalm als hij het plan had opgevat en voor zijn geestesoog koel en hygiënisch had afgewerkt - als het moest dan snel en geruisloos, met vermijding van onnodig bloedvergieten - zo heftig kwamen zijn ingewanden in opstand; een duister voorgevoel baande zich een weg naar zijn verstand, een in zijn zonnevlecht sluimerend weten dat hij tegen iets in het krijt trad dat hij goed, maar al te goed, van al te nabij zelfs, kende.
Hij ging het ondier te lijf alsof zich daar buiten iets manifesteerde dat in hem thuishoorde, nee niet thuishoorde maar zich als een veeleisende parasiet vorstelijk in zijn darmkronkels had genesteld.
Die kier tussen voornemen en voorgevoel of tussen weten en beter weten werd een hapering, een aarzeling die hem op had kunnen breken en in feite ook opbrak, al was dat niet onmiddellijk merkbaar en bleven de gevolgen voorlopig uit - uitstel van executie noemt de souffleur dat.
Als ik over die geschiedenis moest schrijven, zegt Mor, de sardonische spelbreker, dan zou ik in geuren en kleuren de mogelijkheid van een rolverwisseling uitmeten. Denk je ook niet dat het mannelijke slachtoffer de broer van de ridder is, met alle verwikkelingen vandien gezien de gehalveerde heilige in het zand en de satanische maagd in de zijbeuk, de betere helft en de beste actrice. Maar ach, ze zijn te groot.
Waarom de aanvaller niet zien als centaur, orakelde Mor verder, wat er van deze zelfverheerlijkende mens geworden is door
telkens zichzelf te berijden?! Van de heilige stad van vrouwen van eeuwen her komen we plompverloren in Blesdijke anno nu terecht, trefwoord modder. En ontzie je niet, draaft hij door, de draak een Gorgoonse vrouwelijkheid toe te dichten. Immers, fluitspeler en schrikmasker zijn aan elkaar gewaagd.
+Tong tegen speer is het over en weer sprakeloosheid die brult en vlamt - ja wordt half nee, woorden worden weer modder in de bek, waar de taal braak komt te liggen als aarde voorheen en nadien, de tong als een amfibie in de natte klei weggekropen. Maar dat zijn beelden uit een tussentijd, vergeet ze.
De centaur stormt voorwaarts - voor ons zijwaarts - met zijn vernielzuchtige geslacht gestrekt, gedreven door de razernij van de uitdrukking.
Mor verviel van kwaad tot erger, van tongetaal tot linguïstische nominaties. Omdat de ware natuur verloren is gegaan, citeerde hij Pascal of Lezama Lima, kan alles natuur worden; maar, sprak hij profetisch - de ziener van stripschap of videotheek - het horribele interval kan alleen met het beeld worden opgevuld, en zo vulde hij zelf onophoudelijk met praatjes en plaatjes aan wat hij vaag gezien en gehoord had.
We hebben het met eigen ogen gezien, maar wat het voorstelde weten we alleen van horen zeggen (probeer Echo maar eens een tongzoen te geven).
Stel de geharnaste op zijn paard liever voor als insekt, de ridder veranderd in een zwarte scarabee in gevecht verwikkeld met een schorpioen. Daarna zijn de verhoudingen misschien weer wat hersteld. Niet goedschiks dan kwaadschiks, zoals in elke assimilatie.
De speer prikkelde de lust, de schoot bleek keer op keer vruchtbaar als een vulkaan.
Heilige mestkever en schorpioen van de zelfvernietiging, op juiste schaal getekend of gezien, zijn te zamen niet meer dan een detail onder details - maar, geen zin zonder details - een stuiptrekking te midden van een zichzelf genererende oorlog tussen cultuur en natuur, op een slagveld te midden van schedelbergen, ezelskaakbeenderen en kadavers, ribbenkasten en losse ledematen, kruipend ongedierte - op handen en voeten het paradijs uit of plat op je buik of nog liever als beest met de twee ruggen door begeerte met elkaar verkleefd, rollend en parend tegelijk, op de drempel voor de voeten van een aartsengel zaad stortend en onder gejubel klaarkomend - tussen hagedissen, slangen, kikvorsen die tongbrekend de adamitische taal oefenen, ammonieten en andere taal- en schaaldieren, en de nodige symbolen niet te vergeten, de oester als
parelmoeren kosmos ter herinnering aan de schoot die zonder krimp te geven haar weekdier leeggeslobberd zag en met het hele onderlijf verslonden werd.
Als we toch eens konden zien wat zich in de buik van de hydra afspeelt, opperde Mor en gebaarde alsof hij, gewapend met koevoet, dommekracht en kalfstouw, een veulen wilde halen, maar hij verstrikte zich heilloos in gedachtenkronkels rond Pasifae en haar tochtige kunstkoe (de automatische Venus, zoals we in het sfinxnabootsende Rund kunnen nalezen).
Hoor de echo van de kinkhoorn! nagalm van een lingaal verhaal. En je zult vroeg of laat de weg kwijtraken in je eigen kronkels of anders wel in de wirwar van het woord en het chtonische duister - als de dingen maar een naam krijgen, sprak Mor dreigend, als een God zwaaiend met zijn radeermes. Voor mijn part, fabuleer er maar op los, jongen, maak er een innerlijke tweestrijd van tussen de hybridische centaur en het met plaatstaal en lange tanden gewapende aardvarken, en laat een even wellustige als ascetisch geklede Circe toekijken.
Het gebeurde voor haar, in tijd en plaats. Isis, laten we zeggen Isis, zoekt wanhopig vóór het donker de brokstukken van haar man die verspreid in het veld liggen en zet hem als een vogelverschrikker in elkaar. Een klein onderdeel ontbreekt echter volgens haar, een kleinood. Dat zit in zijn doosje zegt Alma en wijst op de vreemde gast in ons midden - maar in Blesdijke ben je algauw een vreemde gast met het accent op vreemde - het doosje moet en zal open en hap zegt de hond zonder naam, de vogel is gevlogen, de vogel is gevlogen jammert de kersverse hemelse bruid.
Hij heeft zich verraden nu hij de regels van het huis heeft geschonden, het ondier (vul maar in). Voordat hij kwam heerste er pais en vree, landelijk is het nog wel naar het gemekker van de geiten en het loeien van de koeien en het geknor van allerlei landbouwwerktuigen te oordelen, maar de harmonie lijkt ver zoek, de verhoudingen - tussen Blesdijke en Pancras - zijn voorgoed verstoord, we zijn de draad kwijt, van de draad waarmee de jonkvrouw haar halfbroer, (half broer en half stier, opgeteld ook een soort draak) in toom hield is inderdaad nog slechts een slijmspoor over. Zij was de paleiszaal binnen komen lopen met een groene draak aan de lijn, meteen reed een ridder op het beest af en stak het in zijn linkeroog; niet doen, kreet het meisje, het beest bloedde echter al uit zijn bek, donderwolken pakten zich kurketrekkend boven het hoofd van de jonge ridder samen, je doet m'n broertje pijn riep zij. Zullen we hem weggooien opperen enkelen, nog steeds gaat het om het kleinood in het foedraal maar dan in vroegere tijden, of zullen we hem opeten roepen de anderen, niets weggooien komt een seksegenote tussenbeide, hier
wordt niets weggegooid zolang we een oorlog te herdenken hebben, haar is inderdaad aan te zien dat in dit verhaal niets wordt weggegooid.
Bifrons probeert het nog eens, nu als varken. We zitten op onze stoelen geplakt en wachten op de terugkeer van onze gast, aldus Mor in de levendige tegenwoordige tijd, niets verraadt zijn aanwezigheid, ik schaamde me. Vroeger had ik hem fier rechtop zien lopen, ach nee dat was al daarna, jaren na het befaamde incident. Vernederend het hoofd in de hoogte. Op handen en voeten leek hij meer in zijn element, toen rook hij nog wat van zijn gading was. Nu hij rechtop loopt, bewuste keuze of niet, walgt hij van elk aroma dat zijn oorsprong tussen achterpoten heeft, vergeten dat zijn reukorgaan daar voordien toch sterk op gericht was, eenkennig of niet. Hij knort zei ik, een greintje minachting kon ik mij niet ontveinzen. Hij denkt was het weerwoord. Denken in zulk een onderdanige positie, dat kon er bij mij niet in. Hij neust. Hij speurt. Ik zeg, dat noem ik snuffelen, dat noem ik wroeten, voor de etymoloog in mij, zegt Carnac, bestaat er verdacht veel verwantschap tussen snuffelen en het Griekse noos, jaja schudt maar in mijn pet lacht oom Lambertus wanneer hij het volgende gerecht ziet binnenkomen. Opeens is iedereen binnen. Op grote schalen wordt hij binnengedragen, in één woord vorstelijk zegt Pandora, als een paus met Pasen. Die taal verstaan we beter, zegt Bono, welkom in ons midden. Broeders en zusters, probeert Benweg het nog eens. Waarom rijden de heren zo graag, kakelt Pandora verder, niet zonder reden, zij offert zich vaker op. Lama is des duivels, waarom noem jij haar zo, vraag ik Gans, moet jij dat nog vragen, ze herinnert de genodigden aan het spreekwoord: een vrouw en een varken onder een dak, brengt bederf in het vat. Dat is waar beaamt iemand, niet de eerste de beste, de daad wordt bij het woord gevoegd, net op tijd, vlak voor de drempel van het kot van de bruid, wordt de kop van de haan afgehakt. Opeens smaakt ons het eten niet meer, het komt ons allemaal zogezegd de strot uit, een zwijnepan hoor ik iemand bij het weggaan zeggen, iemand wil leuk doen en blaft, een ander hinnikt, weer een ander kraait een paar keer, alleen het knorren klinkt invredig en gemeend.
Het ziet ernaar uit dat O zijn buik vol heeft, lodderig staart hij een ongewisse toekomst in, waarschijnlijk noemt hij het zelf een wijze blik en zichzelf als het zo uitkomt een prediktor. De handen in de nek gevouwen, zie daar de meesteter of zoals hij ook graag zou willen heten de meestereter, verzot als hij is op erenamen en -tekenen,
van eten heeft hij zijn buik vol laat hij weten. Er is iets mis met zijn spijsvertering, hij heeft voortdurend honger maar bij de gedachte alleen al aan eten moet hij braken, en als hij iets eet, bij voorkeur zoetigheden, crême de marrons met crême fraîche, chocolade-mousse, gekookte vijgen met kaneel, raakt hij het niet meer kwijt, het is hem aan te zien. Af en toe steekt hij een vinger in een schaal of potje, of vist hij iets uit het bord van een ander. Val aan jongens, spoort hij aan met de geeuw van een leeuw. Iedereen is verzadigd, de meeste gezichten staan verzaligd, in korte afgemeten zinnen wisselt men recepten uit. Maar, iets valt uit de toon, alleen voor de goede verstaander waarneembaar, een rimpeling zogezegd, als het ware een plooi in de zin of zo men wil een interval, een kiertje windziekte (het ijdele varken dat in de hand bijt die hem streelt of voedt, au roept Antonius onnodig luid; het varken zit op zijn achterwerk in de devote houding van een hond, ook hij heeft zo zijn wensen, ik hoor de stem van Janus, dat moet een vergissing zijn: ik ga een boom zoeken met een harde stam, door er almaar in te bijten en te knagen zullen mijn tanden groeien, ik wil de slagtanden van een everzwijn, lang en puntig; ik wil over de dorre bladeren in het bos rennen, in het voorbijgaan slangen oppeuzelen die liggen te slapen en vogeltjes die uit het nest gevallen zijn en in hun leger weggedoken hazen; geploegde akkers woel ik om, het groene koren stamp ik de modder in, en fruit, vijgen, meloenen en komkommers trap ik stuk; en ik zal de wateren oversteken, aan land komen en in het zand de schaal van grote schildpadeieren stukbreken zodat het geel eruit stroomt; ik zal iedereen in de steden de stuipen op het lijf jagen, de kinderen voor de deur verslinden, de huizen binnendringen en op de tafels dansen en schotels en kommen omkeren; door tegen de muren te krabben en ze te ondergraven zal ik kerken en grote gebouwen omverhalen, +ik zal in de graven wroeten om de verrotte vorsten in hun kisten op te vreten en hun vloeibare vlees zal langs mijn lippen en kinnebak glibberen; ik zal groeien, ik zal opzwellen, ik zal in mijn buik van alles horen rommelen en niet mis te verstane geluiden horen maken - waarom bijt je mij? vraagt Antonius verongelijkt, waarom ben je zo boos? - wat denk je, dat ik van dat beetje knollengroen en keukenafval dat jij me geeft kan leven? en waarom heb je mij anders meegenomen, vadertje, je hebt mij tussen al mijn broertjes uitgepikt en aan mijn oren aan je gordel gehangen en hierheen gebracht, mijn moeder schreide, ik krijste de natte longen uit mijn jonge lijf, maar jij ging heen zonder je ergens aan te storen, je werk ging zogenaamd voor, je werk dat jij je roeping noemde, en nog steeds, nog steeds zie je me niet staan, maar luister goed, ik heb mijn buik vol van al die lettervreterij, ik wil lekkere wijven, ik wil in een trog van goud wit meel aangelengd met het roze schuim van bloed, ik wil scharlaken
stro en onder mijn voeten wil ik als droge wijnranken mensen-beenderen horen kraken; en om bij jou te beginnen, ouwe sul, droogkloot, ik ga een gat in je zij boren om je gal te drinken - jij ondankbaar varken, gilt Antonius op zijn pijnlijke vinger zuigend). Rond één tafel gaan zitten verzoent, al is het een laatste avondmaal, daarvoor zijn we bij elkaar, er valt iets goed te maken, vat O het gezellig samenzijn nog eens ten overvloede samen, laten we een wijle alle verschillen en tegenstellingen vergeten, Benweg herhaalt het nog eens uitvoeriger, Carnac vervangt enkele woorden door andere, minder rechtstreekse meer voor velerlei uitleg vatbare, geloofwaardige uitdrukkingen zodat niemand het gevoel heeft dat hij een veer moet laten of zich in zijn eer voelt aangetast, ongeacht of het de eer van een lagere of de meerdere eer van een hogere betreft, eer is altijd onevenredig en is vooral een kwestie van woorden zoals ook schaamte, geluk en ongeluk en het grootste gelijk van de wereld, ergens in een hoek vindt een strategiediscussie plaats. Nu jij, fluistert Mor tegen mij, grijp je kans. Vraag waar het varkenskerkhof ligt of ga zelf op zoek in darmen en magen, vind het in de strontkanalen ten gevolge van de grote moorddadige en vraatzuchtige verstrooiing.
Vannacht heb ik aan jullie gedacht, jullie zeugen en beren, rusteloze wijsbegerigen met korte, bemodderde poten die jullie als bergstokken in de grond drillen; jullie onverstoorbare lijven, opgeblazen, trouweloze kikkers; hoe moet ik mij vermommen om jullie te verschalken en te achterhalen hoe jullie, wroetend, knorrend, alles tot drab vertrappend, uit dras en verwezing de wazige parel van even onzinnige als onvindbare wijsheid peuren, de vrucht van een verdwaalde korrel, een vreemdgegaan lichaampje. Waarom dacht ik aan jullie deze nacht? Omdat mijn borst knapte.
Waarom, dacht ik in deze nacht, ben ik met hen verwant?
Ik zong het uit, dacht ik, maar Mor, altijd tuk op het laatste woord, plaatste nog een voetnoot bij mijn zwanezang. Niet alleen verklaarde hij mij nader door de boude bewering dat ik (onbewust) mijn verwantschap had moeten erkennen en had moeten toegeven dat mijn vriendschap voor de vogels op louter wensdromen berustte, op projectie zogezegd en moeiteloos knipte en schoor hij mijn ziel met zijn therapeutische tondeuse zodat die als een marsepeinen zwijntje in de vitrine stond, voor iedereen zichtbaar. Ronkend vertaalde hij dat in zwaarder geschut, zogenaamd voor mij sprekend: mijn nacht met het varken vond op klaarlichte dag plaats en plein public, zij het dat - om het bedrog door eenzijdige illusie te maskeren - midden op de dag voor haar en mij in onze kooi - in
haar hok, dat van de keu, of om preciezer te zijn in andermans kooi - een nachtstuk in scène werd gezet: in een kooi van zwart glas dat van buiten doorzichtig was en van binnenuit gezien ons leek te omsluiten als de nacht, en ik stond naast haar en wreef met mijn knokkels langs haar flank, waar het stugge haar overgaat in het roze vel van de gevulde uiers, en dat behaagde haar zeer naar het welgedane geknor te oordelen en met een diepe zucht zeeg zij ineen en vlijde zich op een zij, de achterpoten snokkend van begeerte, bereid om mij op menselijke al te menselijke wijze te ontvangen, in haar wijsheid bevroedend wat de vrucht van onze vereniging voor de toekomst van mens en dier zou kunnen betekenen - aldus Mor namens mij, wat taalgebruik betreft een voorschot nemend op de nakende eenheidsworst en dito taal.
Bij wijze van toegift nog iets van het voorschot, een voorproefje.
Nadat ze het (creatuur) jaren achtereen opgesloten hadden gehouden - om het tegen zichzelf te beschermen, luidde het argument, om te voorkomen dat het onheil kon aanrichten, was het aanvullende argument voor het geval het eerste op den duur ongeloofwaardig zou worden, men bedoelde: uit angst dat het kwaad zou stichten, daarom zei men: om het te leren de geluiden en de gebaren te maken die iedereen begreep zodat ze als gelijken met elkaar zouden kunnen omgaan - nadat ze het opgesloten hadden gehouden, de eerste jaren achter slot en grendel met geweld, vervolgens vrijwillig, riepen ze, toen ze het opeens ergens (in het wild, in het echt, midden in deze gesloten gemeenschap) zagen rondlopen en geluiden hoorden maken die ze niet van hem (het creatuur) gewend waren, die zelfs verdacht veel leken op de geluiden die zij zelf maakten, riepen ze dat hij eindelijk normaal was geworden, en vol minachting haalden ze hun neus op nu hij voor hen niet langer een steen des aanstoots was, om welke reden zij in de loop der tijd een zekere genegenheid voor hem hadden opgevat. Een lafbek noemden ze het (creatuur), waarmee het voor het eerst een naam en zowaar iets van een (herkenbaar of althans bekend voorkomend) gezicht had gekregen. Gelukkig voor hen hadden zij niet in de gaten dat het hen alleen maar voor de grap had nagebootst, al was het maar omdat het eindelijk wel eens wilde weten hoe het voelde te zijn zoals zij.