(dicta)
‘Een Hollander ontdekt Vlaanderen. Om dit te ondernemen ga ik nu de Moerdijkbrug over,’ schreef Godfried Bomans in het jaar van zijn dood, 1971. Het waren ook de eerste woorden van een reeks televisieprogramma's over wie in het noorden de Zuiderburen heten. ‘Om dit te ondernemen ga ik nu de Moerdijkbrug over.’ Wat een potsierlijke zin, nu, maar naar ik aanneem twintig jaar geleden ook al. Bomans ging Vlaanderen ontdekken, lezen we in de flaptekst van de boekuitgave die de schrijver-televisiepersoonlijkheid van zijn gesprekken deed verschijnen. ‘Een Fries of een Limburger zou het stellig anders hebben gedaan en wellicht andere dingen hebben opgemerkt.’
Ik ben een in Maastricht woonachtige Limburger. Geen Hollander dus. Als ik met de trein naar Leuven reis of naar Brussel - bij voorbeeld om er de redactievergaderingen van Dietsche Warande & Belfort bij te wonen - kom ik, vlak achter de grens, meteen in Franstalig gebied terecht. Voor mij is de Moerdijkbrug, met haar Noord-Zuid-symboliek, geen obstakel. De weg door ‘Wallonië’ bepaalt de wijze waarop ik ‘Vlaanderen’ ervaar: als ‘België’ vooral. Al reizend verlaat ik het Nederlands voor korte tijd, om het daarna, op aangename wijze van kleur en klank veranderd, terug te krijgen. Hetzelfde anders, en de bekoorlijkheid daarvan.
Als Maastrichtenaar woon je nergens, niet in ‘Holland’, niet in ‘Vlaanderen’. Ik leef in een tussengebied. Bestaat Maastricht trouwens wel? In de internationale pers wordt de naam tegenwoordig voortdurend van aanhalingstekens voorzien: ‘Maastricht’. Mijn woonplaats is een woord geworden, gekoppeld aan een waar netwerk van louter woorden: het Verdrag van Maastricht. Het kan gebeuren dat ik over de Markt loop en niets meer ruik. Dat de gevels van bordkarton lijken. In het café eet ik een broodje dat onder mijn handen vervluchtigt, terwijl de soep die voor mij staat langzaam in ‘soep’ verandert. ‘Maastricht’ zweeft. Een ballon.
In Leuven en Brussel zet men zijn voeten stevig op de grond. Mag ik even overdrijven? Het katholicisme heeft er de metafysica in leven gehouden, in een mooie aards gezinde variant. Maastricht kent dat ook. Maar ‘Maastricht’?
‘Wiel Kusters zorgt voor een nauwe relatie met Nederland,’ schrijft de hoofdredacteur van het zich vernieuwende DWB. Heel graag. Maar ik wil ook wel verantwoordelijk zijn voor een nauwe relatie met ‘Vlaanderen’, vanuit Nederlandse optiek. En dat ik daarbij wel eens zal moeten strijden tegen nostalgische gevoelens die het cultuur-katholicisme
dat ‘Zuid-Nederland’ en ‘Vlaanderen’ ooit sterker met elkaar verbond dan nu, bij mij oproept, zeker wanneer ik denk aan de tijd van mijn jeugd, toen wij op school als vanzelfsprekend Gezelle van buiten leerden en Streuvels' Kerstekind lazen - dat psychologische feit ontbloot ik hier gaarne als mijn Achilleshiel, als men mij deze beeldspraak permitteert.
Wiel Kusters
Voor de serie ‘Dichters van nu’, uitgegeven door het Poëziecentrum in Gent, stelde Benno Barnard een bloemlezing samen uit het werk van Eddy van Vliet. Geen kwaad woord daarover. Hij schreef voor die bloemlezing ook een uitvoerige inleiding, onder de titel ‘Portret zonder rimpels’. Het begint als een roman: ‘In 1920 vertrok een avontuurlijke Antwerpse chirurg met zijn gezin naar Singapore, waar hij gedurende vijf jaar een zelfstandige praktijk uitoefende.’ Het gaat zo verder in de goede oude traditie van de roman fleuve of de ontwikkelingsroman: hoe hele generaties, configuraties van genen, tijdskaders en ideologieën hebben samengespannen om uiteindelijk, bij wijze van finale bekroning, deze uitzonderlijke mens, deze romantische dichter af te leveren. Neen, dat volstaat niet. Het moet meer zijn dan een gewone roman; heroïsch-mythisch-tragische allures moet het dichterschap krijgen. Eugène en Mireille (de ouders) moeten ook optreden in de gedaante van Pyramus en Thisbe, ten prooi aan de kuiperijen van Eros; de jonge Eddy verschijnt als Goethes Werther en de vader is een ‘mythische gestalte, de onbewogen beweger, het middelpunt van het heelal’. Zelfs de ouvreuses in de cinema's Modern en Nova worden ‘Vestaalse moedermaagden in de tempels van de slechte smaak’. Geen wonder dat daaruit naar voren komt ‘een “blonde knaap” van een jaar of twintig, een elegische estheet, treurend over het feit dat hij nooit meer zo innig treurig kon zijn als de overgevoelige efebe van vroeger’.
Het is een mooi verhaal, waarin zin voor decor en sfeerschepping, voor het tekenende en pittige detail een tegengewicht vindt in de vergrotende beeldspraak van de mythe. Het is een mooi verhaal, maar het slaat nergens op.
Het houdt twee misverstanden in stand en het mist evenveel kansen. Het bevestigt een biografisch-anekdotische manier om gedichten te lezen als gevoelvolle verslagen van een persoonlijk leven (met liefst veel romantische kommer en kwel). Zonder enige terughoudendheid verweeft Barnard voortdurend leven en werk, zodanig dat de gedichten gereduceerd worden tot randnotities bij dat leven, terwijl aan de andere kant het leven de allures krijgt van een poëtische queeste naar de blauwe bloem van Novalis.
Het tweede misverstand is dat van de dichter als een wonderlijk individu, dat weliswaar ook in de werkelijkheid moet leven maar er anderzijds toch buitenvalt door verzet of afgewendheid. In dit geval komt dat mythisch-romantische cliché het duidelijkst naar voren in het motief van de - al even romantische - gespletenheid van Van Vliet tussen burger en dichter. Het loopt als een rode draad door heel dit verhaal.
De gemiste kansen zijn natuurlijk de keerzijde van de misverstanden. Barnard onderneemt geen enkele poging om de
gedichten van Van Vliet als kunstwerken van taal te lezen. Meer dan eens belijdt hij zijn vriendschap met de dichter; dat is mooi, maar toch onvoldoende reden om die vriend zomaar klakkeloos te volgen in het etaleren van persoonlijke trauma's en kwellingen. Van een essayist die een inleiding tot een poëtisch oeuvre schrijft, mocht men redelijkerwijs verwachten dat hij ook de technieken, het taalgebruik, de beeldspraak, kortom het hele universum van taal voor de argeloze lezer zou ontsluiten. Evenmin valt hier iets te vernemen over de manier waarop de poëzie van Van Vliet ingebed is in de ontwikkeling van de poëzie en de poëzie-opvattingen in Nederland en Vlaanderen. Wij vernemen wél dat Van Vliet de neef is van Patrick Conrad, dat hij goed bevriend is met Campert en van diens werk houdt. Zelfs worden er enkele tijdschriften genoemd waaraan hij heeft meegewerkt. Maar dat overstijgt de anekdote niet. Ook wat dat betreft, lijkt het wel of dit oeuvre uit de lucht is komen vallen: het unieke produkt van het even unieke en uitzonderlijke subject Eddy van Vliet. Dichters horen dat natuurlijk graag. Hoe zouden we zelf zijn? Maar de werkelijkheid is anders. De werkelijkheid is dat het gedicht, behalve uniek, ook de vrucht is van conventies, poëtica's, verwantschappen en tradities. Maar die blijven helaas buiten beeld.
Wat Benno Barnard hier heeft afgeleverd is mooier en eleganter, het is intelligenter en smaakvoller, het is sympathieker en terughoudender, maar het is in wezen even misleidend en even oppervlakkig als wat in bladen als Story of Privé te lezen valt over de levens van ‘the rich and famous’: een ‘portret zonder rimpels’ dus.
‘Dag allemaal’!
Hugo Brems