terug  begin  verder
[p. 153]

Over tijdschriften

De Gids

150ste jg., nr. 10/11, oktober-november 1992

Een indrukwekkend themanummer over theater, samengesteld door Nan van Houte, de nieuwe artistieke directeur van de Brakke Grond. Aan de ene kant zijn er serieuze, diepgravende essays over enscenering, scenarioschrijven, de keuze en bewerking van materiaal (oorspronkelijke toneelteksten maar ook literaire werken), taal en theater, acteren, recenseren en theaterarchitectuur. Deze essays worden afgewisseld met korte, lichtere, meer persoonlijke reacties van schrijvers, acteurs, regisseurs en critici. Onder hen Nelleke Noordervliet die van theater houdt, maar toch dikwijls ontevreden terugkeert, en Stefan Hertmans die onder de indruk is van Fabres Wie spreekt mijn gedachte... Marcel Möring klaagt de ‘almacht’ van regisseur en dramaturg aan: hij vindt dat zij rekening moeten houden met wat de oorspronkelijke auteur ‘bedoelde’. Dat is trouwens een thema dat in veel bijdragen terugkeert: in hoeverre mag een toneelproduktie met een bestaande (al dan niet literaire) tekst ‘omgaan’. Een tekst mag en moet veranderd worden, stelt Tonie van Marle; critici die een tekst als iets onaanraakbaars beschouwen, verwijt zij een ‘hypocriete literatuurbenadering’: er wordt immers altijd geïnterpreteerd, veranderd, aangepast. Uit ‘Het Gesprek’, een lang en boeiend interview met Hans Croiset, Jan Joris Lamers en Gerardjan Rijnders, blijkt dat deze herschrijvers er zeker niet klakkeloos op los moderniseren - Lamers noemt dit liever ‘een nieuw geheugen geven’. Het valt op hoe sterk Croiset, Lamers en Rijnders zich bewust zijn van de verschillen tussen de (iconografische en andere) toneelcodes van vroeger en die van nu. Wie voorstellingen van hen gezien heeft, weet dat deze regisseurs van ‘repertoire’-toneel intelligente, creatieve lezers zijn die weten hoe ze hedendaagse kijkers de kracht en de boodschap van oude teksten kunnen tonen. ‘Een nieuw geheugen geven’ staat diametraal tegenover twee gemakkelijke oplossingen. Niet interpreteren, de stukken ‘in de geest van de tijd’ regisseren is een achterhaald idee, stelt Croiset. Zonder inzicht opfrissen is al even zinloos: dan wordt het echt niet meer dan ‘aan elkaar plakken, dansje erbij’, wat Möring zo verafschuwt.

Ons Erfdeel

35ste jg., nr. 5, november-december 1992

Herbert van Uffelen, (onder andere) gezaghebbend vertaler Duits-Nederlands, blikt vooruit op de Frankfurter Buchmesse 1993, waar de Nederlandstalige literatuur centraal zal staan. Alhoewel ik wel veronderstelde dat het verkopen van het Nederlandse boek de pionierstijd al voorbij was in Duitsland, wist ik toch niet dat het zo goed gesteld was met de Duitse aandacht voor Ne-

[p. 154]

derlandstalige literatuur. De lijst van vertaalde werken die hier worden opgesomd is indrukwekkend, vooral omdat het niet blijft bij kaskrakers alleen. Het is wel spijtig dat Van Uffelen het vooral heeft over wat de uitgeverijen doen, en niet zozeer over de eigenlijke receptie. Het valt ook op dat er weinig of geen jonge Vlaamse auteurs (kunnen) vermeld worden; misschien moet Frankfurt vooral daar een stootje in de goede richting geven.

Ons Erfdeel heeft deze keer opvallend veel aandacht voor algemeen-maatschappelijke fenomenen zoals immigratie en integratie - met een pleidooi voor een ‘interculturele samenleving’; geweld op de Vlaamse televisie; en logica en retorica in de politiek. Beeldende kunst komt aan bod in een artikel over de van oorsprong Zuidafrikaanse kunstenares Marlene Dumas, met een paar mooie, goed gekozen illustraties uit haar werk.

Bzzlletin

22ste jg., nr. 200, november 1992

De tweehonderdste BZZLLETIN is een feestje: in kleur, extra dik en met een select gezelschap. A.H. den Boef, Jeroen Brouwers, Remco Campert, Hermine de Graaf, A.F. Th. van der Heijden en Joost Zwagerman (om er maar een paar te noemen) schreven elk een bijdrage rond het thema ‘Feest in de Letteren’. De aflevering opent met een aantal interviews waarin redacteuren de geschiedenis van het tijdschrift beschrijven. BZZLLETIN begon als een eenvoudig stencilblaadje op honderd exemplaren dat de literaire activiteiten van het BZZTôH-theater aankondigde. Later evolueerde het naar de bekende thema-nummers. Het opzet bleef ‘breed’, de benadering bleef niet-academisch, maar ook niet geheel subjectief.

Na de interviews volgen vele verhalen over (literaire en andere) feestjes. Sommige hiervan vind ik vrij leuk (vooral dat van A.H. den Boef), andere zijn heel persoonlijk en liggen misschien daardoor onder het gebruikelijke niveau van sommige auteurs (Brouwers, Van der Heijden), nog andere vind ik behoorlijk flauw en zwak (vooral Arno Breekveld). De twee bijdragen die me het meest aanspraken waren, opvallend genoeg, eigenlijk geen verhalen, maar de vlotte verhalende essays van Henk Blakken over de Nachten van de Poëzie en van Joost Zwagerman over de Maximalisten. De andere bijdragen lezen wel aangenaam, maar zoals bij veel feestgedruis hou je er niet heel veel van over - ook geen kater, gelukkig.

Yang

28ste jg., nr. 4, oktober-december 1992

In Yang een (onbedoelde?) polemiek tussen ‘postmodernist’ Erik Spinoy en ‘neo-realist’ Herman de Coninck in de nieuwe rubriek ‘Correspondances’. De brieven leveren interessant materiaal op, misschien juist omdat de kwestie die Spinoy eigenlijk wou aankaarten, door De Coninck niet behandeld wordt. De verschillen lijken gewoon te groot: Spinoy wil een theoretische discussie over postmodernisme, De Coninck weigert dat met het bekende argument ‘ik wil met open vizier discussiëren over alle mogelijke concrete teksten, maar niet over theorieën’. Spinoy beweert te zoeken naar een common ground, maar dat lijkt, zeker initieel, zo goed als onmogelijk: de eerste brieven geven een goed beeld van die wederzijdse paranoïa.

[p. 155]

Yang wordt voor het grootste gedeelte in beslag genomen door het boeiende - postmoderne - themadossier over ‘Afval / lijstjes / verzamelingen’. Het vorige themanummer (over Ernst Jünger) was ongetwijfeld heel degelijk, maar miste de speelsheid van dit onderwerp. Koen Peeters mag het dossier openen met een verhaal over een verzamelaar van malachiet (kopererts). Verder is er een onderhoudende bijdrage van Walter Benjamin, onder andere ook notoir boekenverzamelaar.

Na deze inleidende ‘persoonlijke ervaringen’, heeft Michael Cahn het op meer wetenschappelijke toon over de ‘culturele hermeneutiek van de verzamelaar’. Het is vooral in de bijdrage van Rokus Hofstede over de asbakken van Georges Perec dat alle componenten van het verzamelen samenkomen: de combinatie van het triviale en het ingenieuze, het gedetailleerde en het algemene, het inventariseren en het achteloos opstapelen. Het boeiende aan Perec is dat hij opsommend-verzamelend schrijft (‘l'art d'énumérer’, noemt hij het zelf), en de lezer juist daardoor bewust maakt van de beperkingen van taal. De vele goed gekozen citaten zijn grappig en intelligent tegelijk; je moet wel instemmen met Hofstede: ‘Fenomenologie wordt in Perecs opsommingen tot poëzie. Daarbinnen is zelfs een poëzie van de asbak mogelijk.’

De Brakke Hond

9de jg., nr. 36, december 1992

Yang bood Herman de Coninck tenminste nog de kans zich te verdedigen; in DBH wordt hij ongenadig afgemaakt. Uit de rubriek ‘De bossen van Vlaanderen’ komt hij naar voor als een extreem-rechtse, oerconservatieve ‘traagzaam brevierende poëet’ die ‘verschanst [leeft] in zijn Jugendstilpaleis’. Is dit leuk? Is dit spitant? Ik begin het wat voorspelbaar te vinden: overdrijvingen, boutades, flauwe woordspelingen; uiteindelijk niet veel beter dan wat men De Coninck verwijt. Ook voor de rest kan deze DBH me niet bovenmatig boeien. Het blijft natuurlijk lovenswaardig dat er vier debuten instaan, maar minstens één ervan - het verhaal ‘Kwarts’ - is ronduit slecht. ‘Bain de Nuit’, de eerste publikatie van Paul van Hool, lijkt me dan weer veelbelovend, ondanks het nogal geforceerde en groteske einde.

Verder bevat DBH onder andere gedichten van Miriam Van hee, Peter Ghyssaert en een paar brieven van Boon aan Angèle Manteau uit het archief van Julien Weverbergh.

Poëziekrant

16de jg., nr. 6, november-december 1992

De cover en de eerste acht bladzijden van deze aflevering worden in beslag genomen door Leonard Nolens. Het interview toont Nolens op zijn best: erudiet, bedachtzaam en aforistisch in de goede zin van het woord.

Er is veel aandacht voor buitenlandse literatuur in deze Poëziekrant; een vijftal dichters komen aan bod in interviews, essays en/of vertalingen: Federico Garcia Lorca, de Zuidafrikaanse Eveleen Castelyn, de Griekse Nobelprijswinnaar Yorgos Seferis, de Britse journalistdichter James Fenton en de Franse André du Bouchet. In de letterlijke, stroeve vertalingen komt Du Bouchets poëzie echter niet tot zijn recht, bovendien zijn de erbij horende interpretaties

[p. 156]

vrij hol. In de rubriek ‘Polemiek’ geeft Marc Reynebeau weerwerk tegen Hedwig Speliers' brievenreeks ‘Strontlekkere sigaren’ (verschenen in Kruispunt 144, juni 1992). Een gemakkelijke prooi, want Speliers had zijn zaak zelf al meer dan genoeg ondergraven door, liever dan zinnige argumenten aan te dragen, te schelden op dichters die wél aandacht krijgen en critici die hem verwaarlozen.

Tirade

36ste jg. nr. 343, december 1992

Tirade opent met twee weinig originele gedichten over actuele rampen: in het eerste toont Leo Vroman de onmacht van de dichter tegenover de vliegramp in Bijlmermeer, iets pakkender is Tomas Lieske over de oorlog in de Balkan. Hierna bereikt deze aflevering echter het niveau dat je verwacht. Vanaf december blijft Hugo Brandt Corstius zes nummers lang ‘gastschrijver’; hij begint hier met een knap beschreven oorlogsherinnering.

Willem Jan Otten heeft het over liefde en leugens in Shakespeares Othello. Hij doet dat op de aangename en persoonlijke toon die kenmerkend is voor de essays in Tirade. Die komt ook naar voor in de rubriek ‘Herlezen’, waarin Tomas Lieske vertelt waarom hij houdt van het werk van Willem Frederik Hermans. Zijn keuze uit diens proza is weinig origineel, vindt Lieske zelf, maar dat hoeft inderdaad geen probleem te zijn. Lieske lijkt trouwens wel vaker iemand die zichzelf graag (ironisch) ondergraaft wanneer hij in de poëziekroniek, na tien pagina's commentaar van zijn hand, stelt dat een ‘gevoel van overbodigheid grosso modo (...) voor alle commentaar bij goede poëzie [geldt]’.

De rubriek ‘Werk in uitvoering’ is handig: fragmenten kunnen de lezer, voor het echte werk verschijnt, al doen watertanden of terugkrabbelen. Ik heb gewatertand bij het lezen van ‘De Engelenburcht’ van Ingrid Baal en ‘Badmeesters’ van Ilse Stakenburg: allebei verhalen over niet eens zo ongewone jeugdherinneringen, maar met een ongewoon scherpe visie.

NWT

9de jg., nr. 6, november 1992

Het laatste NWT van 1992 besteedt extra aandacht aan nieuw Vlaams proza, niet alleen met veel verhalen maar ook met een interessant overzichtsessay van Marc Reynebeau. Zijn visie op het verse Vlaamse (korte) proza is boeiend, vooral omdat hij verbanden legt met jong Amerikaans proza, en een aantal recente evoluties verbindt met economische factoren. Het gaat dan vooral over de Nederlandse uitgeverijen en hun missionariswerk in de Vlaamse boekenwereld.

In de verhalen die op dit essay volgen, kan de lezer nagaan of ze Reynebeau's visie bevestigen: zijn deze verhalen ‘goed gemaakt, best te lezen, maar gladjes, conformistisch’? Zijn het ‘weinig controversiële of inventieve zedenschetsen (...) zonder literariteit’? Zijn het Verhalen of verhaaltjes? Het zijn, vind ik, goede verhaaltjes: ze lezen prettig en vlot, maar diepe inzichten, heldere flitsen en pakkende passages zijn doorgaans tot een minimum beperkt. Het spreekt voor zich dat er grote kwaliteitsverschillen zijn, ook binnen één aflevering van het NWT: het niveau varieert tussen een zwakke reisanekdote

[p. 157]

van August Thiry en verhalen waar iets meer in zit, zoals ‘Bambi’ van Luuk Gruwez.

Buiten Reynebeau is er nog een andere essayist met een hooggestemde opvatting over literatuur aan het woord in deze aflevering: de voornaamste ideeën uit het oeuvre van Cyrille Offermans worden op een toegankelijke manier uiteengezet door Paul de Wispelaere. Hij bespreekt de historische en filosofische achtergronden van Offermans' visie op de waarde van literatuur, en de concrete invulling hiervan. Daardoor wordt het duidelijk waarom precies deze criticus auteurs goed- of afkeurt. Het is over het algemeen niet moeilijk om het eens te zijn met wat Offermans goed vindt (hoe uiteenlopend die werken soms ook mogen zijn); over een paar schrijvers die hij verwerpt, zullen de meningen wellicht meer verdeeld zijn. Ik vind het bijvoorbeeld onterecht dat een obsessioneel en somber schrijver als Georges Bataille het moet ontgelden. Als ik zie hoe Offermans dit motiveert, krijg ik bijna de indruk dat de lezer voor hem een kind is dat beschermd moet worden tegen de donkerte van sommige gedachten.

De essays van Reynebeau en De Wispelaere zijn vlot en interessant, wat niet gezegd kan worden over ‘De literaire canon onder vuur’ van Ronald Soetaert. Na een bladzijde waar-gaat-dit-eigenlijk-over worden op een schimmige en herhalende manier argumenten aangedragen voor het behoud van gecanoniseerde teksten bij literatuuronderricht. Uiteindelijk wordt er hier en daar iets zinnigs gezegd, maar het stuk is zo slecht gestructureerd en vervelend om lezen dat het zijn doel volledig voorbij schiet.

Optima

10de jg., nrs. 2 & 3, september & december 1992

Vlot geschreven maar diepzinnige essays, dat publiceren ze graag in Optima. Goede voorbeelden daarvan zijn (in het decembernummer) Henk Pröppers essay over Marguerite Yourcenar en haar visie op geschiedenis en karakter; en Bart Vervaecks ‘Jongens en literatuur’, over romans van Robert Anker, Paul de Wispelaere en Willem Brakman, die elk op verschillende manieren met het genre en de conventies van het jongensboek spelen. Dat er goede verhalen staan in Optima, is meestal een overbodige opmerking. In aflevering 3 valt vooral ‘Het boek M’. van redacteur Atte Jongstra op.

Het septembernummer vond ik echter nog sterker: ik heb het in één ruk uitgelezen. Michaël Zeeman (ook Optima-redacteur) heeft het daarin over de verschemering van het verleden, het (willen) vergeten; het lijken zware thema's in een verhaal dat nochtans pretentieloos leest. Zoals zo dikwijls in Optima: vlotte verhalen met diepe bodems. Of hoge sferen, natuurlijk, zoals in Maarten Asschers verhaal over een sigaar van Gustav Mahler. Bij de poëzie gaat mijn voorkeur opnieuw uit naar het septembernummer, waarin ik vooral genoot van Huub Beurskens' klassiek aandoende ‘Dans aan de waterkant’ (over een schilderij van Cuyp) en Arno Breekvelds eerste ‘Pijngedicht’. Meer dan vermeldenswaard is ook nog de lezing van Willem Brakman, ‘Op het spoor van de melancholie,’ die onder andere uitgaat van de idee: ‘de literatuur heeft een voorkeur voor zieken en ziekten’.

[p. 158]

Prettig om lezen is de rubriek ‘Uren met Garçon’ met citaten en aforismen, voornamelijk uit Nederlandse kranten en tijdschriften. Losse bedenkingen die echter in het septembernummer rond een paar thema's blijken te draaien, zoals AIDS, Frank van As en ook wel meer gangbare verschijnselen in het aforistische bestel, zoals cynisme en domheid.

De Vlaamse Gids

76ste jg., nr. 6, november-december 1992

Stefan Hertmans kreeg de tweejaarlijkse poëzieprijs van DVG voor ‘Het Narrenschip’ en komt in deze aflevering dan ook uitgebreid aan bod in een interview en een lang essay. Ook in dit soort metateksten over Hertmans heb je steeds de aangename ervaring dat een flink stuk literatuur- en cultuurgeschiedenis aan je voorbijtrekt. Bart Vervaeck, auteur van het essay over Hertmans, legt zich in de eerste plaats toe op het vakkundig duiden van referenties naar literatuur, met slechts een paar sporadische uitweidingen over muziek (Mahler, Couperin) en film. In het gesprek dat W.M. Roggeman met hem heeft, verwijst Hertmans niet alleen naar die literaire inspiratiebronnen, maar heeft hij het ook graag over de verbanden tussen zijn thema's en andere, meer populaire hedendaagse cultuurprodukten: films van Wenders, Hitchcock, Kieslovski, Greenaway; Jan Hoets uitspraken naar aanleiding van Documenta IX; kunst van Panamarenko. Na interview en essay volgen drie gedichten uit ‘Het Narrenschip’. Ze blijven, ondanks het enorme netwerk van teksten dat ze oproepen, verrassend vlot leesbaar.

Varia

Cartoonist Benoit illustreerde het mooie Amerika-nummer van Revolver (19de jg., nr. 1, november 1992), waarin vooral de gedichten van Ed Leeflang en Mark Insingel mij aanspraken, en ook (de laatste strofe van) Erik Spinoys ‘Panopticum’. Insingel trekt een aardige parallel tussen het ontdekken van Amerika door Colombus en het schrijven van poëzie: Zo kwam ik uit op een gedicht: / zoals hij uitkwam op een werelddeel./ (...) / Telkens als ik mij niet vergis / faalt mijn gedicht.

Nog een Amerika-nummer: het Speciaal nummer Amerika-Europa van Letters (8ste jg., nr. 4, december 1992). In ‘Focus’ gaat de aandacht naar Walt Whitman en diens Europese invloeden - opvallend genoeg heeft deze ‘meest typische Amerikaanse dichter’ blijkbaar heel wat vormelijke invloed ondergaan van onder andere Tennyson en Milton. Verder zijn er negentien gedichten van evenveel Europese, Noord- en Zuid-amerikaanse dichters. In ‘Achter de schermen’ somt Willy Spillebeen zijn evidente en meer verborgen Amerikaanse invloeden op.

Maatstaf (40ste jg., nr. 11/12, november-december 1992) is eveneens een themanummer, en wel over ‘De Monarchie’ - volgens de redactie een heel actueel onderwerp. Alle soorten koningen passeren de revue: succesvolle koningen (de Spaanse), niet meer zo succesvolle (de Britse), werklozen met perspectieven (de Romanovs) en zonder (de Franse troonpretendenten). Een degelijk en zelfs indrukwekkend nummer, zo lijkt het me, maar is zo'n onderwerp relevant voor een literair tijdschrift?

De helft van De Revisor (19de jg., nr. 6, december 1992) wordt in beslag geno-

[p. 159]

men door de eerste Nederlandse vertaling van Wallace Stevens' ‘Notes towards a supreme fiction’, in de andere helft hebben de medewerkers zich door deze ‘notities’ laten inspireren.

Wie als literair tijdschrift tegen racisme, onverdraagzaamheid, het Vlaams Blok en dergelijke wil reageren doet er volgens mij goed aan uit te stijgen boven het niveau van het pathetische, het simplificerende of het zeer voorspelbare. Dat wil echter niet lukken in Weirdo's (6de jg., nr. 2, oktober-december 1992). Het idee waarvan de redactie vertrok is nochtans interessant: Weirdo's is er voor de ‘andere’, voor iedereen die wordt uitgesloten omdat hij/zij niet tot de ‘normale’ middenmoot behoort. Helaas werden geen abnormaal grote talenten bereid gevonden om dit thema op een interessante manier uit te werken. Alleen het ietwat Bukowskiaanse ‘Het gekkenhuis’ (deel 4) van Frank Moyaert kon me een beetje bekoren, en ook de tekeningen van het stripverhaal ‘De ballade van Nick en Sally’ vallen mee. Over het scenario zwijg ik liever.

 

Jan Bosteels

terug  begin  verder