terug  begin  verder
[p. 196]

Stefan Hertmans
Het banket

I
 
‘Kijk, zegt de god,
 
ik zal U scheiden
 
opdat Gij Uzelf
 
terug zoudt vinden.’
 
 
 
Aristofanes richt zich op,
 
boert nog een keer of twee,
 
zijn hik is over.
 
 
 
Men houdt hem nu een spiegel voor,
 
waarin hij heden en verleden
 
in elkaar ziet vloeien.
 
 
 
Narcis is ook van de partij,
 
doof is hij, en alleen.
 
 
 
Een half manwijf zoekt naar
 
haar complement; Apollo
 
bindt haar vel dicht op haar buik.
 
 
 
Socrates tuurt wat in de wijn;
 
voor hem is eenzaamheid
 
een vorm van samenzijn.
 
 
 
‘Zij stortten hun zaad
 
op de aarde, gelijk de krekels,’
 
zegt de vuilbek nog geamuseerd,
 
en hij boert nog een keer.
[p. 197]
II
 
Een zeer bleke efebe,
 
dronken van wijn, hem
 
door de kussende Socrates
 
in de mond gespoeld,
 
 
 
zegt dat hij in de verte
 
reeds het hijgen van zijn
 
tweelingbroer kan horen;
 
hij beklaagt zich over
 
 
 
herhaalde pesterijen, slaat
 
zich op de borst, zegt dat
 
zijn broer dit ongetwijfeld
 
nu ook voelt, en toont
 
 
 
een grote vrees, die allen
 
in verwarring brengt. Socrates,
 
zoals gewoonlijk, staat loerend
 
wat terzijde, en warmt een laatste
 
 
 
kliekje wijn op voor de jongen.
 
Hij komt naar voren, pakt een vork
 
van tafel, en prikt de knaap
 
diep in de navel. Ergens achter in
[p. 198]
 
de zaal hoort men een schreeuw,
 
gekletter van gebroken spiegels,
 
en even later wordt de tweelingbroer
 
van de bevende knaap daar bloedend
 
 
 
naar binnen gebracht. Socrates buigt zich
 
over hem, het laatste kliekje wijn
 
komt in zijn mond terecht. Vergif,
 
zo wordt gesuggereerd, als daarop plots
 
 
 
de andere weer bezwijmt ter plekke.
 
Men ruimt de scherven; iemand kijkt
 
in de beker, diep, en voelt zich
 
in gedachten in een paarse vijver vallen.
[p. 199]
III
 
Toen ging Socrates spreken.
 
‘Het laatste wat ik doen kan,
 
is me te goed doen aan mezelf;
 
daartoe moet ik mezelf slechts
 
 
 
denken als het voorwerp van
 
mijn honger naar mezelf, want
 
nooit ben ik alleen; het water
 
komt me in de mond om zo mijn
 
 
 
eigen mond te eten; een mens
 
is voor een mens gemaakt,
 
nietwaar, daarom eet ik mijn
 
eigen tong, mijn eigen vlees,
 
 
 
verteert mijn lichaam in
 
begeerte slechts zijn eigen vormen,
 
stort ik mijn zaad slechts
 
op herkenbaar andere vormen
 
 
 
van mijn eigen ik.’
 
Daarop kreeg Aristofanes
 
jammer genoeg opnieuw de hik.
 
Pausanias sloeg hem
 
op zijn rug.
[p. 200]
IV
 
‘Kom nu Socrates, hou op
 
met dat gelul; zie je niet dat
 
je aanstellerij ons stierlijk
 
gaat vervelen? Of denk je
 
 
 
werkelijk dat je nu meer
 
dan één kunt worden omdat
 
je zo schandelijk naar jezelf.
 
verlangt? Alles wat leeft
 
 
 
wil toch zijn tegendeel?’
 
Ach kom, zegt de sofist, de
 
wereld doet het toch ook
 
nog prima zonder tegenbeeld,
 
 
 
uitsluitend in het beeld
 
van wat hij is? Agathon gaapt
 
ostentatief: dit soort gemier
 
werkt vreselijk op zijn humeur.
 
 
 
Hij vraagt om een rauw eitje
 
en een oester of twee. Het eitje
 
breekt hij in zijn beker.
 
Er zijn toch wel twee dooiers zeker?
[p. 201]
V
 
Op dit moment heeft Agathon gewacht.
 
Heren, zegt hij en kucht,
 
staat u me toe dat ik uw
 
schrandere geesten op dit
 
 
 
veelzeggende verschijnsel richt:
 
is nu dit ei, dat eigenlijk
 
twee kippen in zich heeft,
 
eigenlijk nog één ei,
 
 
 
of is het een en twee gelijk?
 
Als het één ei genoemd moet worden,
 
dan doet u zijn inhoud tekort;
 
als u zegt ‘allebei’, dan weet u
 
 
 
dat u liegt; en zegt u: het is
 
niet telbaar en dus echt oneindig
 
(want wat geen vast getal heeft
 
moet oneindig zijn), dan is mijn
 
 
 
lekker ei met zijn twee dooiers
 
een teken van het eindeloze.
 
Staat u me toe dat ik hierbij
 
aan de eeuwigheid slurp.
 
 
 
Hij slikt de dooiers door;
 
de oesters drenkt hij in
 
een kleine amfoor waarop de kop
 
van Janus voor een spiegel prijkt.
[p. 202]
VI
 
‘Kom nou, Agathon, dit is toch
 
te gemakkelijk; identiteit en
 
wat me daarvan scheidt blijft
 
eigenlijk toch in mezelf gevangen?
 
 
 
Waarom zou ik me zelf dan aan een
 
andere vorm verhangen?’
 
Phaedrus lacht meestal zeer gemeen,
 
maar nu lijkt hij van steen.
 
 
 
Herinner je, zegt nu Socrates weer,
 
die twee waarover ons Aristofanes
 
spreekt; ze waren één en zijn nu twee,
 
en eigenlijk gaan ze voortdurend
 
 
 
in elkander op. Is nu de mens
 
iets dat je één kunt noemen?
 
Er zijn er toch van soorten,
 
nee? En als die in elkander zijn
 
 
 
als een tweekoppig beest, heb je
 
dan één of twee? Navel op navel
 
zweten ze zich tot een raar geheel,
 
gaan in elkaar op en zijn toch twee.
 
 
 
Kijk Agathon, dat is je ei:
 
parende zielen worden nooit
 
weer aan elkaar gelijk.
 
 
 
Inmiddels zijn de bleke efeben
 
weer op elkaar beginnen leven.
[p. 203]
VII
 
‘Kijk die rare efeben nu,
 
zegt Aristofanes en hij lacht:
 
ze hebben elk één blik, zo
 
op elkaar gericht, maar doen dat
 
 
 
met twee ogen; toch hebben ze
 
elk maar één beeld van elkaar.
 
Wat doen ze met die monden daar?
 
Ze drukken een twee-eenheid
 
 
 
op elkaar, want elke mond is
 
toch twee lippen en is één.
 
Ze hebben één geslacht, maar
 
elk hebben ze ballen,
 
 
 
daarom gaan ze elkaar toch niet
 
met spiegelbeelden lastigvallen?
 
Als Eros zich dat aan moest trekken,
 
dan bleef de mensheid niet bestaan.
 
 
 
En bovendien: elk gat heeft ook
 
twee kanten, is het nu één in zich
 
of is het slechts van niets twee randen?
 
Zo'n gat van niets, en toch nog watertanden!
[p. 204]
 
Zo is het ook met ja en nee;
 
eeneiïg en gespleten, niet van elkaar
 
te breken, als dooiers in een ei.
 
Die twee die op elkander kruipen
 
 
 
en onvruchtbaar blijven, hebben
 
aldus toch nog iets voortgebracht, een derde
 
zeg maar, een kindje van hun eigen niets:
 
dat derde is hun samenzijn.
 
 
 
En sta me toe:
 
telkens als één zich nog met één
 
vermengt, ontstaan daar dus duidelijk
 
drie. Octaaf bijvoorbeeld, mijn
 
 
 
vereerde neef, liep met zijn
 
eigen spiegel scheef; geen overspel
 
in ware zin, maar wel nefast
 
voor zijn gezin. Dat was pas twee,
 
 
 
maar was het vruchtbaar? Nee!’
[p. 205]
VIII
 
Daarop ontstaat een groot tumult;
 
Agathon kijkt onthutst naar de
 
kussende jongens; hij drinkt nog
 
maar wat wijn, en ziet een druppel
 
 
 
vallen, en nog één. Die twee zijn
 
in een oogwenk een. Bestaat een druppel
 
uit zijn dubbel? Misschien ziet hij
 
alleen maar scheel vanwege dat
 
 
 
overmatig drinken. Hij voelt zich
 
in zichzelf wegzinken. Daar denkt hij
 
na over zichzelf, en voelt, terwijl
 
hij moeite doet, dat hij daar als
 
 
 
het ware met zichzelf kan paren: want wie
 
nadenkt over iets, moet zelf iets anders zijn.
 
Wie wil er nog wat wijn? brult nu Aristofanes.
 
En hij pakt de amfoor met de dubbele Janus.
terug  begin  verder