terug  begin  verder
[p. 299]

Over tijdschriften

NWT

10de jg., nr. 1 & 2, januari/februari - maart/april 1993

De eerste aflevering van 1993 is een Antwerpennummer, niet over Antwerpen 93, maar ‘over Antwerpen altijd. Een reisgids voor wie te vroeg is of te laat komt’. Antwerpen 93 gaat over meer dan Antwerpen alleen, het NWT concentreert zich op de stad en de verschillende manieren om ze te bekijken. De invalshoeken van waaruit de verhalen over Antwerpen geschreven worden, zijn vrij origineel. Dikwijls is het een visie van buitenuit. Eriek Verpales buitenkant is die van de Chassidim, een orthodoxe Joodse bevolkingsgroep die in Antwerpen nogal sterk vertegenwoordigd is. Een leuk brievenverhaal met weetjes en anekdootjes van een buitenstaander onder de buitenstaanders. Een andere outsider komt aan het woord in Frank Albers' verhaal. ‘De stad in het hoofd’ blijkt niet meer overeen te stemmen met de stad in het echt. Een uit de Verenigde Staten teruggekeerde dochter komt haar zieke en dementerende vader bezoeken - hij is vreemd in zijn eigen hoofd, en zij in haar oude stad.

Uit de Antwerpse weekends zijn ze nauwelijks nog weg te denken, en geen Antwerpennummer is dan ook compleet zonder ‘Hollanders’. De Nederlander Koen Vergeer zegt zèlf alles over zijn landgenoten wat uit de mond van een Belgisch auteur nogal racistisch had geklonken. Een andere veeg uit de pan is echter voor de Antwerpenaars zelf bestemd: Brusselaar (and proud to be) Geert van Istendael beschrijft het ‘zanikende blaten’ en de ‘schokvaste zelfgenoegzaamheid’ van de kiezers van het ‘Antwaarps’ Blok.

‘Antwerpen altijd’ blijkt dus nogal caleidoscopisch te zijn: een bekrompen dorp voor Van Istendael, een bezette stad voor Koen Vergeer, een anonieme grootstad voor Albers. En een fotogenieke stad, zoals de knappe portfolio's van Patrick de Spiegelaere (‘De haven’) en Herman Selleslags (‘Het getto voor beginners’) bewijzen.

 

De cover van het Antwerpennummer was mooi, aflevering 2 gaat weer de oude toer op met een vrij lelijke tekening op het omslag. Het gaat om het auto-biografienummer van het NWT - dit thema van de Nederlandse boekenweek zal vroeg of laat wel in zowat alle tijdschriften opduiken. Dat is op zich eigenlijk geen bezwaar, zolang zo'n thema maar goede teksten aanbrengt. De fragmenten uit het Catalaanse dagboek van Josep Pla (geselecteerd en ingeleid door Pla-vertaler Adri Boon) zijn leuk en soms diepzinnig, tot ze te oubollig-poëticaal worden. De vrij onbekende Amerikaanse ‘biografische essayist’ Philip Lopate lijkt me echt wel een ontdekking. In de rubriek ‘LS’ valt vooral Bart Vanegerens recensie over Van den Broecks tetralogie ‘Het beleg

[p. 300]

van Laken’ op. Een geslaagde, humoristische Brief aan Boudewijn. Vanegeren vindt Van den Broecks romancyclus de moeite, maar hij heeft wat last van het ‘trop is te veul’-gevoel, en stoort zich aan de momenten waar intertekstualiteit ‘kindertekstualiteit’ wordt. Hij stelt dan ook een duchtige inkorting voor.

Een literair-historisch moment: het NWT gaat de postmoderne toer op met de publikatie van een essay over ‘het postmoderne levensgevoel’. Bij nader toezien blijkt het stuk behoorlijk tegen te vallen. De inleiding bevat nochtans reeds een waarschuwing: ‘Het is minder een definitie of een analyse van het postmodernisme (...).’ Inderdaad, het is veel minder dan dat: postmodernisme voor onze allerkleinsten verklaard, oppervlakkig en al te simplistisch.

Yang

29ste jg., nr. 1, januari/februari 1993

Yang is grondig veranderd. Het boekachtige tijdschrift van vroeger verschijnt nu in magazinevorm (formaat NWT), met een lay-out die in vergelijking met vorig jaar behoorlijk wild is: veel illustraties, veel verschillende lettertypes en -groottes. Vooral dit laatste vind ik nogal schreeuwerig en eenvoudigweg niet mooi. Wat de lay-out bijvoorbeeld doet met de door Dirk van Bastelaere vertaalde (goede) gedichten van Gilbert Sorrentino is verschrikkelijk: reusachtige, gillende titels verknoeien de bladspiegel. Op de cover, én in een interview: Torn Lanoye. Redactielid Van Bastelaere kruipt in de huid van ‘uw reporter’, een streng lezer die Tom Lanoye gaat uitleggen dat zijn boeken niet zo meerlagig zijn als de schrijver wel zou willen geloven. Het wordt niet duidelijk of de nieuwe lijn van Yang in essentie neerkomt op een popularisering van een tijdschrift dat de naam had bewust ‘moeilijk’ te durven zijn. De lay-out en een interview met Tom Lanoye kunnen natuurlijk wel scheefgelopen pogingen in die richting zijn. Vast staat dat vanaf jaargang 1993 het aandeel van creatief werk flink zal stijgen en de ‘uitgebreide themanummers van vroeger worden vervangen door beknoptere dossiers’(!). Bij het toegenomen creatieve werk blijkt het vooral om vertalingen te gaan. Mijn voorkeur gaat uit naar het absurdistisch proza van de Duitse Ror Wolf, die een soort kruising brengt tussen Italo Calvino en (de onderschriften van) Glen Baxter. Knap is ook ‘De rode maïskorrel’ van José Jiménez Lozano. Speurend naar ‘een poëtica’ kom je verrassend weinig te weten over het nieuwe concept van Yang; zelfs ‘Statements’ - een nieuwe rubriek achterin - vertelt de lezer weinig nieuws. De hierin opgenomen ‘polemische’ stukken smaken vooral nogal belegen: redactielid Lut Missinne heeft het over Betty Mellaerts' naïeve leeshouding; hoofdredacteur Hans Vandevoorde klaagt nog maar eens over de teloorgang van de kritiek in de literaire bladen.

Het ‘Dossier Manifesten’ is, zoals beloofd, beknopt. Toch staat dit nog het dichtst bij de oude Yang, in die zin dat het niet meteen een voor de hand liggend, speels of heel ‘gemakkelijk’ thema is. Het dossier brengt voornamelijk bestaande (maar recente) bijdragen in vertaling of in een nieuwere versie samen. Zo vertaalde Dirk van Bastelaere een poëziemanifest van Charles Bernstein; Peter Venmans selecteerde fragmenten uit ‘Het subnormale manifest’ van Manuel Vázquez Montalbán - ‘een

[p. 301]

“lof der zotheid” in de tijd van de massamedia’. Steven Jacobs herwerkte zijn lezingenreeks over de pioniers van de abstracte kunst.

Hollands Maandblad

34ste jg., nrs. 1 & 2, januari en februari 1993

Jaargang 1993 opent met een bijdrage over het einde van de kunstgeschiedenis, geschreven door een blije D. Kraaijpoel - naar eigen zeggen postmodernist avant la lettre - die tot zijn grote tevredenheid al dertig jaar gelijk heeft. Een interessanter stuk is dat van M.L. Brands en M.A.P. Nollen over de toestand in Oost-Europa. Deze problematiek heeft nu ook de ‘trage pers’ bereikt, en je hebt dus wel wat last van oververzadiging: ook in andere, weliswaar meer vluchtige media zijn hier al diepgravende stukken over verschenen. Je kan je afvragen of het nog wel hoeft. Goed verhaal: ‘Zomer in Alaska’ van Gert van der Kolk over werken in een visfabriek en ondertussen dromen van vrijheid en onafhankelijkheid. Ook goed: ‘Het Genootschap (6)’ van Paul van Capelleveen over seks en liefde. Afstandelijk en toch heel doorvoeld, eerlijk en ongedwongen. De illustraties vind ik niet de sterkste kant van dit tijdschrift: het januari-nummer bevat pentekeningen onder de titel ‘De Kermis’; in het februarinummer zijn het nogal lelijke portretten.

 

Aflevering twee opent muzikaal met een essay van Peter Wesly over al dan niet aanwijsbare gevoelseffecten van (instrumentale) muziek. De ‘taal’ van het muzikale is zeker niet eenduidig (volstrekt tegengestelde interpretaties zijn soms mogelijk), maar toch ook niet volledig aan strikt persoonlijke beleving gebonden. De uitdrukking van gevoelens in muziek is volgens Wesly vooral een kwestie van projectie en associatie. Het overzichtsartikel over Novalis in het februarinummer is wat teleurstellend: het blijft bij een opsommende levensbeschrijving.

De Tweede Ronde

13de jg., nr. 4, winter 1992-1993

Een sneeuwwitte, extra-koude aflevering, dit ‘Finland-nummer’, dat zoals gewoonlijk sober en zelfs kaal gelay-out is. In elk Fins verhaal sneeuwt het en vriest het dat het geen aard heeft. Het Finse thema wordt ingeleid met een nogal rommelig essay over het Finse proza, en een over de geschiedenis. De poëzie moet het vooral doen met korte voetnoten waarin de poëtica van de auteur in kwestie steeds in één kort, condens zinnetje wordt beschreven, wat ik af en toe nogal lachwekkend vind. Dan laat je de gedichten beter voor zichzelf spreken.

Bij het proza steekt er één auteur met kop en schouders bovenuit, met name de vierendertigjarige Rosa Liksom. Vooral de eerste van haar ‘Drie schetsen’ is bloedstollend fatalistisch: ‘De van honger mak geworden rendieren trokken samen langs de wegen en bij de dorpen. Vele maakten een einde aan hun ellende door zich in de middagschemering voor een vrachtwagen te werpen. De benige en bloederige kadavers lagen schots en scheef in de sloten langs de weg en de velden.’ Ook het Kafkaïaanse ‘Misverstand’ van Esa Sariola is de moeite waard. Toch kan ik

[p. 302]

me moeilijk van de indruk ontdoen dat de Finnen nu bezig zijn met wat bij ons tien à twintig jaar geleden aan de orde van de dag was. Dat valt nog meer op bij de hier opgenomen poëzie die extreem neo-realistisch is. Te veel natuurlyriek, een hoge dosis o's en ah's, nogal wat vogels die ijselijk roepen in de laatste strofen: niet echt my cup of tea.

In dit nummer is nog tamelijk wat Nederlands creatief werk opgenomen. Bij het proza vallen vooral K. Lewin en L.H. Wiener op; er is sterke poëzie van Frans Kuipers en Willem M. Roggeman.

Preludium

9de jg., nr. 3 & 4, 1992/1993

Zo koud en besneeuwd als het Finse winternummer van daarnet, zo bont en warm is het ‘Dubbelnummer over de Nederlandse Antillen’ van Preludium. Het is geïllustreerd met kleurrijke, naïeve schilderijen van de Curaçaose Hipolito M. Ocalia. Ook op andere vlakken verschilt deze Antillen-aflevering van het Finland-nummer. Het is veel meer opgezet als een dialoog tussen Antilliaanse en Nederlandse auteurs - de materie leent zich daar natuurlijk ook beter toe. Zo schreef Esther Jansma een gedicht, geïnspireerd door Boeli van Leeuwen; Yvonne Keuls vertaalde dan weer Nydia Ecury. Het romanfragment waarmee Preludium opent - ‘De gorilla’ van Boeli van Leeuwen - is sterk, en ook ‘De leguaan en de overlevende’ van Tip Marugg is mooi. Maar voor het overige blijft ook deze aflevering een beetje in de goede bedoelingen steken: de genoemde ‘dialoog’ komt niet echt van de grond, en ook hier zijn de commentaarstukken niet van een heel hoog niveau.

BZZLLETIN

22ste jg., nr. 201 & 202, december 1992/januari 1993

En het blijft buitenlandse themanummers regenen: BZZLLETIN bespreekt na een jaar van Spaanse overexposure hoe het met de Spaanse literatuur zit. In vergelijking met De Tweede Ronde en Preludium is dit weer een heel andere aanpak: allemaal essays en - op welgeteld één uitzondering na - geen creatief werk.

Met lezen is het blijkbaar nogal droevig gesteld in Spanje: achtendertig procent van de Spanjaarden boven de dertien is ‘functioneel analfabeet’, drieënzestig procent koopt nooit een boek (de cijfers komen uit het artikel van H.M. van den Brink). En dat is niet omdat de literatuur niet boeiend zou zijn. De erotische literatuur schijnt het wel goed te doen met zijn subtiele en postmodernistische allures. Peter Venmans heeft het, net als in Yang, over Manuel Vázquez Montalbán, al gaat het hier ook over diens postmoderne detectiveromans rond Pepe Carvalho. Paradoxaal genoeg kom je in BZZLLETIN meer te weten over de ‘Subnormale Manifesten’ dan in Yang. Voorts zijn er nog interessante bijdragen over de fascinerende essayist Fernando Savater, en de succesvolle Eduardo Mendoza. Ook deze laatste beoefent het detectivegenre. Wat bij ons wat denigrerend als subgenres wordt omschreven, is in Spanje dikwijls niet alleen heel populair, maar wordt bovendien ook door de literatuurkritiek positiever gewaardeerd.

[p. 303]

Maatstaf

41ste jg., nr. 1, januari 1993

Maatstaf publiceert de eerste en de tweede prijs van de reisverhalenwedstrijd van De Arbeiderspers. ‘Barcelona in travestie’ van winnaar Arthur Japin is een vrij klassiek reisverhaal, dat echter door één hallucinante kerkhofscène iets speciaals krijgt. De tweede prijs, een verhaal van Anne Rube, is ongewoner, fragmentarischer. Ik vind het zelf een stuk sterker dan de eerste prijs. Het is zeker geen typisch ‘reisverhaal’, maar gewoon een schitterend en rijk stuk proza. De meest uitgebreide bijdrage in Maatstaf is gewijd aan Josep Pla. Het essay van Adri Boon (die ook het artikel over Pla schreef voor het NWT) behandelt de voornaamste thema's van Pla op een chronologische en systematische manier. Pla komt uitgebreider en daardoor interessanter en genuanceerder naar voor dan in het NWT. De portfolio bevat een aantal prachtige foto's.

Nog een NWT-parallel, die deze keer in het nadeel van Maatstaf uitvalt, is ‘Phantasieën’ van L. Th. Lehmann, schrijver van ‘talloze recensies’, die hier niet zo'n goede beurt maakt met zijn stuk over Walter van den Broeck. Soms kan dit licht ironische verslag wel een flauwe glimlach bezorgen - wat, hoop ik toch, de bedoeling is. Is het echt onmogelijk om als buitenlander iets zinnigs te zeggen over een boek dat zo ‘Belgisch’ is?

Varia

De eerste helft van Tirade (37ste jg., nr. 1, januari / februari 1993) wordt in beslag genomen door een hommage aan de in 1992 overleden Anton Koolhaas. Het bevat leeservaringen en herinneringen van onder andere Robert Anker, T. van Deel, Doeschka Meijsing en Leo Vroman. In de andere helft zit er nog een flinke dosis poëzie, proza en essay, met werk van drie ‘nieuwe dichters’ en een verhaal van gastschrijver Brandt Corstius. Tomas Lieske besteedt in zijn uitgebreide vaste poëziekroniek aandacht aan ‘Het wilde plein’, het door J. Bernlef vertaalde werk van de Zweedse Tomas Tranströmer. Ondanks een aantal ‘slordigheden’ is Lieske erg te spreken over de vertalingen, en hij stelt dat het bovendien ‘een prachtige Bernlef-bundel is geworden. In de titellijst van Bernlefs dichtbundels mag dit boek niet ontbreken’.

Na overal te zijn gepubliceerd, gerecenseerd, geïnterviewd, komt er ook nog een stuk over Leonard Nolens in Ons Erfdeel (36ste jg., nr. 1, januari / februari 1993). Het wordt wat te veel, en Nolens heeft zich dan ook voorgenomen om vanaf de zomer zijn kluize-naarsbestaan weer op te nemen. Zoals altijd is Ons Erfdeel weer heel algemeen-cultureel. Het bevat artikels over uiteenlopende onderwerpen als ‘taalsterfte’, beeldend kunstenaar Marc Ruygrok, Josse de Pauw, etcetera. Het effect van die algemene aanpak vind ik wat ambivalent: steeds opnieuw biedt dit blad interessante inleidingen, maar wie wat vertrouwd is met een onderwerp moet vaststellen dat de grenzen van de oppervlakkigheid in een aantal gevallen niet worden overschreden.

 

Jan Bosteels

terug  begin  verder