terug  begin  verder
[p. 316]

J. Bernlef
Vreemde Wil II+

1
 
Het paard ging zijn eigen gang, zijn neus achterna
 
over wegen op geen enkele kaart te vinden,
 
elk overzicht in deze topografie ontbrak
 
 
 
Ik kreeg al spoedig het gevoel verdwaald te zijn
 
terwijl het landschap alsmaar fraaier werd
 
de huizen uit letters bleken te bestaan
 
 
 
Ik probeerde ze onder het gaan te lezen maar
 
iedere betekenis kantelde over zijn rand en
 
viel daar uit elkaar.
 
 
 
Het was duidelijk, ik was tussen de regels beland
 
waar niets te lezen viel dan een vermoeden dat
 
mij verder dreef (of het paard naar water)
 
 
 
De vijver die wij vonden lag vol kroos
 
waarover schrijvertjes kropen, druk in de weer
 
met blauwdrukken voor een luchtkasteel
 
 
 
Ik schoof ze terzijde en keek de diepte in
 
daar was niemand om mij te weerspiegelen,
 
het paard en ik dronken uit dezelfde bron.
[p. 317]
2
 
Ik voelde hoe het water in mij een delta schiep
 
de fijnste vertakkingen binnenliep en glinsterde
 
in een gebied dat ik nooit eerder had betreden
 
 
 
Dit was mijn eigenlijk vaderland, het land van iedereen
 
al kwam ik niemand tegen; vaag hoorde ik daarbuiten
 
mijzelf nog praten met het paard
 
 
 
Er waren geen woorden voor wat ik zag, kijk daar
 
het hart nog allerminst gebroken, de maag
 
waardoor geen liefde vloeit maar water
 
 
 
Bloed stroomde door de twijgen van mijn denken
 
zacht ademende netten waardoor zo nu en dan
 
een huiver trok die oprees en verdween in
 
 
 
Een bewegende stoet vonkensporen;
 
wie was hier aan het werk, in duizelende vaart
 
en in volmaakte stilte?
 
 
 
Zelf telde ik al niet meer mee, was opgegaan
 
in mijn verbazing. Kom, zei het paard
 
buiten mij om. Mijn dorst gelest, we gaan.
[p. 318]
3
 
Ik zat in het zadel met een herinnering
 
die mij maar niet te binnen schoot
 
die als een sleutel in een brandkast lag
 
 
 
Ik zong een lied over mijzelf maar
 
het paard verstond dit niet en ook de
 
woorden klonken plotseling als schaatsers
 
 
 
Op een meer dat krakend resoneert
 
onder hun gewichtigheid (zo het bescheidenheid was,
 
dan was ook die te zwaar).
 
 
 
Als ik over het weer praat, weet ik
 
waar ik over praat, citeerde ik. Oja, zei het paard
 
dat dacht je maar. Kijk eens naar boven.
 
 
 
Daar hing het weerbericht, loodzwaar als een leugen
 
boven het landschap, wolken van onwetendheid
 
onttrokken de zon aan ons gezicht
 
 
 
Zo komen we nooit bij het gedicht, zei ik
 
en trok de teugels aan. Au, zei het paard
 
denk om mijn bit. En valt er wat te bikken?
[p. 319]
4
 
Helaas. Het paard sjokte mopperend voort:
 
eerst mijn stal weg en nu dit. Kijk, zei ik
 
daar in de verte ligt iets op de weg
 
 
 
Dichterbij gekomen constateerde ik vol schrik: een lijk.
 
En wat meer is, je bent het zelf, zei het paard.
 
Te sterven binnen het denken, declameerde ik (in het frans).
 
 
 
Houd het lichtvoetig, zei het paard. Zelf ben ik
 
vegetariër, maar ga je gang. Aarzelend
 
kwam ik nader. Dit was het einde van de weg.
 
 
 
Heb je nu je zin, zei het paard. Daar lig je
 
voorgoed en licht bedervend al. Dichter bij
 
je vorm kun je niet komen.
 
 
 
Laat je niet kisten, dacht ik, ging mijn
 
lichaam binnen en stond op. Het paard was
 
weg, de weg ook, de woorden voor mijn denken
 
 
 
Alle begrip te boven hoorde ik wolken
 
wild drinken uit de zee, grint versplinteren
 
in de wind, licht zich zelf verslinden.
[p. 320]
5
 
Ik was bij mijzelf naar binnen, vloeide traag uiteen
 
en werd gesplitst in alles wat ik was geweest
 
ik kon (maar wist dit niet) opnieuw beginnen
 
 
 
Maar daar was geen beginnen aan. Bij gebrek aan ik
 
kreeg alles tegelijk contact, iets was op weg naar
 
pas ontwaakte smaakpapillen
 
 
 
Verloor zich dan weer in de tentakels van een willen
 
dat halverwege overging in een razende wemeling
 
van tegenstrijdige berichten
 
 
 
Wat vroeger (toen er woorden waren) stilte heette
 
was nu een tomeloze waterval, een wild gebonk
 
van een vlezige gevangene in zijn cel
 
 
 
Herinneringen werden voor mijn ogen weggevreten
 
beelden bereikten mij alleen in componenten (of
 
was iets bezig, bij gebrek aan zelf, zich op te heffen?)
 
 
 
Toen het donker werd kon ik vrijer reizen
 
via tijdelijk stilgelegde wissels en de vergissing
 
van een droom tenslotte deze murmelende plek bereiken.
[p. 321]
6
 
Geluiden schoven langs en veranderden het decor
 
of stoven terug in bewegende panelen waartussen
 
blinde beweging naar een uitgang tastte
 
 
 
Een zacht bubbelen maakte zich
 
uit het magma los en blies zich op
 
tot een doorzichtig vlies, naar buiten bollend
 
 
 
Zonder te weten wie daar waren
 
al kon - wat het ook was - plotseling iets maken
 
waarvan het plassen moest.
 
 
 
De eerste lichtval viel met huilen samen
 
alles wat tot dan toe één geweest was brak
 
geen houden was er meer aan dit bewegen
 
 
 
Hoewel nog half in water werd het steeds droger en
 
kreeg na verloop van later randen ook
 
geluid stormde aan van alle kanten
 
 
 
Belaagde het hersendons met losgeslagen vlagen die
 
van binnen op een vaag herkennen stuitten en
 
het deinen van een blein begon.
+Over Deel I
De protagonist van het gedicht raakt in gesprek met de Franse dichter Paul Valéry. Diens lucide opmerkingen over poëtische vorm vleien hem in het begin. Later besluit hij op een bij elkaar gedicht paard Valéry's al te analytische wereld te ontvluchten ‘en de weg naar het gedicht in te slaan’.
terug  begin  verder