Het paard ging zijn eigen gang, zijn neus achterna
over wegen op geen enkele kaart te vinden,
elk overzicht in deze topografie ontbrak
Ik kreeg al spoedig het gevoel verdwaald te zijn
terwijl het landschap alsmaar fraaier werd
de huizen uit letters bleken te bestaan
Ik probeerde ze onder het gaan te lezen maar
iedere betekenis kantelde over zijn rand en
viel daar uit elkaar.
Het was duidelijk, ik was tussen de regels beland
waar niets te lezen viel dan een vermoeden dat
mij verder dreef (of het paard naar water)
De vijver die wij vonden lag vol kroos
waarover schrijvertjes kropen, druk in de weer
met blauwdrukken voor een luchtkasteel
Ik schoof ze terzijde en keek de diepte in
daar was niemand om mij te weerspiegelen,
het paard en ik dronken uit dezelfde bron.
[p. 317]
2
Ik voelde hoe het water in mij een delta schiep
de fijnste vertakkingen binnenliep en glinsterde
in een gebied dat ik nooit eerder had betreden
Dit was mijn eigenlijk vaderland, het land van iedereen
al kwam ik niemand tegen; vaag hoorde ik daarbuiten
mijzelf nog praten met het paard
Er waren geen woorden voor wat ik zag, kijk daar
het hart nog allerminst gebroken, de maag
waardoor geen liefde vloeit maar water
Bloed stroomde door de twijgen van mijn denken
zacht ademende netten waardoor zo nu en dan
een huiver trok die oprees en verdween in
Een bewegende stoet vonkensporen;
wie was hier aan het werk, in duizelende vaart
en in volmaakte stilte?
Zelf telde ik al niet meer mee, was opgegaan
in mijn verbazing. Kom, zei het paard
buiten mij om. Mijn dorst gelest, we gaan.
[p. 318]
3
Ik zat in het zadel met een herinnering
die mij maar niet te binnen schoot
die als een sleutel in een brandkast lag
Ik zong een lied over mijzelf maar
het paard verstond dit niet en ook de
woorden klonken plotseling als schaatsers
Op een meer dat krakend resoneert
onder hun gewichtigheid (zo het bescheidenheid was,
dan was ook die te zwaar).
Als ik over het weer praat, weet ik
waar ik over praat, citeerde ik. Oja, zei het paard
dat dacht je maar. Kijk eens naar boven.
Daar hing het weerbericht, loodzwaar als een leugen
boven het landschap, wolken van onwetendheid
onttrokken de zon aan ons gezicht
Zo komen we nooit bij het gedicht, zei ik
en trok de teugels aan. Au, zei het paard
denk om mijn bit. En valt er wat te bikken?
[p. 319]
4
Helaas. Het paard sjokte mopperend voort:
eerst mijn stal weg en nu dit. Kijk, zei ik
daar in de verte ligt iets op de weg
Dichterbij gekomen constateerde ik vol schrik: een lijk.
En wat meer is, je bent het zelf, zei het paard.
Te sterven binnen het denken, declameerde ik (in het frans).
Houd het lichtvoetig, zei het paard. Zelf ben ik
vegetariër, maar ga je gang. Aarzelend
kwam ik nader. Dit was het einde van de weg.
Heb je nu je zin, zei het paard. Daar lig je
voorgoed en licht bedervend al. Dichter bij
je vorm kun je niet komen.
Laat je niet kisten, dacht ik, ging mijn
lichaam binnen en stond op. Het paard was
weg, de weg ook, de woorden voor mijn denken
Alle begrip te boven hoorde ik wolken
wild drinken uit de zee, grint versplinteren
in de wind, licht zich zelf verslinden.
[p. 320]
5
Ik was bij mijzelf naar binnen, vloeide traag uiteen
en werd gesplitst in alles wat ik was geweest
ik kon (maar wist dit niet) opnieuw beginnen
Maar daar was geen beginnen aan. Bij gebrek aan ik
kreeg alles tegelijk contact, iets was op weg naar
pas ontwaakte smaakpapillen
Verloor zich dan weer in de tentakels van een willen
dat halverwege overging in een razende wemeling
van tegenstrijdige berichten
Wat vroeger (toen er woorden waren) stilte heette
was nu een tomeloze waterval, een wild gebonk
van een vlezige gevangene in zijn cel
Herinneringen werden voor mijn ogen weggevreten
beelden bereikten mij alleen in componenten (of
was iets bezig, bij gebrek aan zelf, zich op te heffen?)
Toen het donker werd kon ik vrijer reizen
via tijdelijk stilgelegde wissels en de vergissing
van een droom tenslotte deze murmelende plek bereiken.
[p. 321]
6
Geluiden schoven langs en veranderden het decor
of stoven terug in bewegende panelen waartussen
blinde beweging naar een uitgang tastte
Een zacht bubbelen maakte zich
uit het magma los en blies zich op
tot een doorzichtig vlies, naar buiten bollend
Zonder te weten wie daar waren
al kon - wat het ook was - plotseling iets maken
waarvan het plassen moest.
De eerste lichtval viel met huilen samen
alles wat tot dan toe één geweest was brak
geen houden was er meer aan dit bewegen
Hoewel nog half in water werd het steeds droger en
kreeg na verloop van later randen ook
geluid stormde aan van alle kanten
Belaagde het hersendons met losgeslagen vlagen die
van binnen op een vaag herkennen stuitten en
het deinen van een blein begon.
+Over Deel I
De protagonist van het gedicht raakt in gesprek met de Franse dichter Paul Valéry. Diens lucide opmerkingen over poëtische vorm vleien hem in het begin. Later besluit hij op een bij elkaar gedicht paard Valéry's al te analytische wereld te ontvluchten ‘en de weg naar het gedicht in te slaan’.