terug  begin  verder
[p. 329]

Charles Ducal
Gedichten

Waarzegster
 
‘Gevangen in mijn bol van kristal,
 
kleine man, licht van mijn ogen.
 
De wereld is rond en ligt in mijn hand,
 
en blijft voor het leven gesloten.
 
 
 
Wil je weg, dan laat ik je lopen.
 
Ik draai de bol, je draait mee
 
om groot te worden en mij te verstoten,
 
de liefde te doden die je beweegt.
 
 
 
Jij van mij, hoe kunnen wij scheiden?
 
Je leeft in een bol die broos is en leeg,
 
een kleine wereld van dromen en schrijven,
 
die als ik hem vallen laat, breekt.’
[p. 330]
Uitdrijving
 
Het woont, klein en gekromd, in zichzelf,
 
een dwerg in de haverkist
 
of de schelf van het hooi.
 
Het hoort door de wand van de avond
 
machines brommen, goedaardig.
 
Het slaapt als een muis in het meel
 
of kijkt, urenlang, naar het trage gewicht
 
van de ham aan de balken,
 
 
 
en groeit uit zichzelf.
 
Tot het voetstappen hoort, gekletter
 
van emmers, ongeduldig en boos,
 
een ruwe hoest uit ploffende zakken,
 
het slijpen van messen, een riek
 
in het hooi. Het schrikt,
 
het wordt wakker.
 
 
 
En woont in de moeder,
 
woont in de vader,
 
eet van hun liefde,
 
hun arbeid, hun taal, -
 
zuinig, dankbaar
 
 
 
dat ik besta.
[p. 331]
Bewogen
 
Als lokkruid
 
het gras op zijn lichaam. Hij wil.
 
De kribbe, diep en stil als een buik,
 
voert hem weg uit de angst, het geloof
 
dat alles gezien wordt, alles gehoord.
 
 
 
De stal ademt,
 
een spanning die nadert, zwaar en stom.
 
Beelden sluiten hun ogen,
 
liggen gestold tot een lichaam
 
van lust. Zo wordt hij bewogen:
 
 
 
een tong die zijn vlees
 
als een grensgebied opent,
 
de korte betovering
 
van lichaam tot ziel.
 
 
 
Dan wijken van hem God en dier,
 
voelt hij zich liggen, naakt
 
en bespied.
 
 
 
Zo leert uw zoon bidden.
[p. 332]
Wed
 
In de laagte verscholen:
 
 
 
een bron, waarover een ton geschoven,
 
oud wed, kikvorsland.
 
Voeten, ontsnapt uit een slaaploze nacht,
 
zijn gedompeld in klaarte.
 
Hogerop is de wereld verbrand
 
 
 
(Een kamer, verlamd, achter tralies.
 
Daarin hijgt de hitte, huivert een hand.
 
Hij staat bij het raam, slikt
 
zijn willen weer in. Zolang het huis waakt
 
is zijn schedel te dik
 
 
 
voor de vlucht uit dit lichaam. De sprong
 
in het donker, de ren door het gras.
 
Zijn slapen gloeien, hij voelt zijn geslacht
 
als iets wetends, een drager van beelden,
 
gezien op de tast).
 
 
 
Hij ligt in de modder, naakt
 
en bewust.
 
Daarna wast hij zich.
 
 
 
Hogerop rust de maan op het huis,
 
koelt het af.
[p. 333]
Betrapt
 
Zij zat op de plee, doodwit,
 
de haren los, als in waanzin ontbonden,
 
een koude steen haar gezicht.
 
 
 
Ik was op het erf, opgestaan
 
uit een slaap zonder rust.
 
De deur stond open, ik kon alles zien.
 
 
 
Het hemd, samengewrongen tegen haar buik,
 
de witte dijen, de veeg uit haar oog
 
die blonk in het licht.
 
 
 
Ik werd bang, ik wilde roepen.
 
 
 
Toen sloeg de deur dicht.
terug  begin  verder