terug  begin  verder
[p. 334]



illustratie
Sigurd Rachman in ‘Het interview dat sterft...’ (1989)

[p. 335]

Jan Fabre
Het interview dat sterft...+

Sinds 1980 is Jan Fabre (1958) bekend geworden met performances, theater, beeldend werk, later choreografie en opera. Vóór die periode echter, tussen 1975 en 1980, schreef de jonge Fabre een hoeveelheid teksten, waar niemand de precieze omvang van kent. Een aantal ervan worden sinds 1989 opgevoerd in een regie van hemzelf.

‘Het interview dat sterft...’ kwam samen met ‘Het Paleis om vier uur 's morgens..., A.G.’ en ‘De reïncarnatie van God’ het eerst aan de beurt. Het is verrassend hoe in deze vroege tekst uit 1975 - Fabre was toen zeventien jaar oud - reeds heel wat thema's aan bod komen die hem tot vandaag - bijna twintig jaar later - blijven bezig houden. De toonregisseur - Fabres alter ego - wordt geïnterviewd door de journaliste over het geheim van de kunst. Een interview dat sterft, ‘er is geen onderwerp’, er zijn geen adequate woorden voor het gepassioneerde bestaan dat het kind/de kunstenaar leidt. Toch verraadt het interview alles over de verwarring van de kunstenaar en de vragen die hij zich stelt: het onderscheid tussen ‘ik’ en ‘de ander’ (in zichzelf), de grenzen tussen het echte en de simulatie, tussen wat niet meer bestaat en wat nog niet bestaat, tussen dag en nacht, warm en koud, genot en pijn, leugen en verbeelding... vragen die worden onderzocht in alles wat Fabre maakt - een tekening, een libretto, een enscenering. Zo concentreert de tweede verhaaldraad in ‘Het interview dat sterft’ zich op het probleem van de simulatie. Een schoonheidsspecialiste bewerkt haar cliënte tot ze de volmaakte, perfecte gelaatsschoonheid heeft geïmiteerd. Pas dan kan ze de toonregisseur benaderen.

Fabres enscenering van ‘Het interview dat sterft’ in 1989 verliep uiterst sober en traag. De vier personages - reeds in de tekst geabstraheerd tot letters - zaten elk aan een tafeltje en zegden de tekst in een tergend langzaam ritme voor zich uit. Een onderzoek naar het fundament van de theatertekst; de impact en de geladenheid van het afzonderlijke woord.

[p. 336]

Vaak werd de vraag gesteld of Fabres teksten los van een enscenering kunnen worden gelezen. Ze zijn geschreven in functie van conceptueel theater, soms met een performance-karakter. Bovendien is Fabres taalgebruik ‘vreemd’ en afwijkend op alle niveaus: woordkeuzes en -combinaties, syntaxis, beeldspraak... Je vraagt je bij het lezen meermaals af of hij die afwijkingen bewust in zijn schriftuur integreert, dan wel of hij de regels van de Nederlandse taal beheerst. Maar die vraag is niet relevant indien zijn werkwijze interessante teksten oplevert.

Het Fischer Verlag in Frankfurt zal alle teksten uitgeven die Fabre tot nog toe heeft geënsceneerd. Het Kaaitheater in Brussel zorgde reeds voor de uitgave van deze teksten in het Nederlands, maar in beperkte oplage.



illustratie
Sigurd Rachman en Els Deceukelier in ‘Het interview dat sterft...’ (1989)

[p. 337]
Personages
A Toonregisseur
B Journaliste
C Schoonheidsspecialiste
D Cliënte, journaliste

Er zijn twee tijden die door elkaar lopen
Personage B en D zijn een tweeling

Opgedragen aan mijn privé schoonheidsspecialiste
C
 
Weet U,
 
met behulp van fond-de-teint en rouge
 
kan ik de vorm van uw gezicht zo
 
veranderen dat hij ovaal
 
lijkt (de volmaakte gelaatsvorm).
 
Zoals iedere nacht
 
meng ik mijn kleuren
 
doop ik mijn penselen
 
in het goud van de
 
bereidwilligheid
 
om jou gouder dan
 
goud te maken
 
en zoals iedere nacht
 
zit ik huiverend
 
bij het stervende licht
 
van uw verlangen dat
 
uit uw ogen komt
 
We durven elkaar
 
niet aan te kijken
D
 
Ik zal de regisseur der klanken
 
aankijken, aanstaren en misschien
 
wel aanraken op het hoogtepunt
 
van mijn fantasie.
 
Kijk naar me en maak me
 
mooi om naar te kijken.
A
 
Wat is het geheim van de lijn op
 
papier die een wereld van het
 
adembenemende leven veroorzaakt,
 
het gedicht dat plots iets ogenschijnlijk
[p. 338]
 
onzegbaars met ons deelt?
 
Het sprekend oor!
 
Het sprekend oog!
B
 
Een gesprek met de regisseur der
 
klanken valt nooit mee - dat weet ik -
 
ik heb het idee over U dat alleen uw
 
discipline, uw chaos die het resultaat
 
is van werkelijk verhelderend inzicht,
 
U zou kunnen verzoenen met uw
 
eigen denken.
 
Met uw eigen dood?
A
 
Over wie spreekt U, spreekt U tegen mij?
 
Van wie is er sprake als er over mij
 
gesproken wordt?
C
 
Ik zal vermijden om van U een ‘kopie’
 
te maken van een beroemd fotomodel
 
of van een door U bewonderde filmster.
D
 
Niet nodig, ik ben toch beroemd.
 
Ik ben architectuur.
 
Ik ben de maker van het masker van
 
de beroemdheid.
 
Ik leef van antwoorden en daarom zal
 
de regisseur de huizen ontwerpen
 
van mijn gedachten.
B
 
U bent een man van weinig woorden.
 
Zou U deze keer een uitzondering
 
kunnen maken?
D
 
Zijn alibi is de kleur van de seizoenen.
 
Dus geef mij de kleur van dit seizoen.
 
Gods regenboog straalt op mij af.
 
M'n mond, ogen, wenkbrauwen en
 
neus moeten de flora zijn vannacht.
A
 
En dan zou ik met genot doden en de
 
eindeloze keten van verachtelijke
[p. 339]
 
maatschappelijke afspraken,
 
contracten en pacten... verbreken.
B
 
Mijnheer de Regisseur der klanken.
 
U bent nu niet te volgen.
 
Wat heeft dit met uw werk te maken?
A
 
Ik ben de moordenaar
 
die na de moord in de wasmachine
 
gaat zitten
 
om van daaruit het lijk weg te jagen.
 
Wat verwacht U van mij?
B
 
Dat U bent die U bent.
 
Maar aangezien U dat in het geheel
 
niet lukt, bent U
 
een tragi-komisch figuur.
 
Het is uw zoveelste kramp
 
van collectieve krankzinnigheid in uw
 
wereld waar alles alles beïnvloedt.
 
Het is een zaligmakende
 
onverantwoordelijkheid.
A
 
Wat dat laatste betreft, dat moeten we nog zien.
 
Niets aan U is voorbijgegaan,
 
maar wat ik me herinner is gebleven.
 
Ik groet in wie ik soms een vriend
 
herkende en geef kusjes aan
 
wie me zelden genegen was.
 
Ik ken de insecten in vreemde
 
kamers in verre steden
 
en noem de namen van mieren bij de
 
onblusbare eenzaamheid.
 
Ik vergrendel mijn rood apparaat
 
en verleer het zwijgen niet.
B
 
Laat ons niet van het onderwerp
 
afdwalen...
A
 
Er is geen onderwerp,
 
alleen maar dwalen in een doolhof
[p. 340]
 
vol gebroken spiegels
 
waar we allemaal lachen om elkaars
 
hongerige monden die verderf
 
uitstorten en de bloedige ernst
 
die we op onze verkrampte smoelen zien.
 
Ik zie op uw smoel geen greintje trots!
B
 
Wat bedoelt U daarmee, U bent
 
belachelijk.
 
U bent een groot kind!
 
Er is niets natuurlijks aan U!
A
 
Maar natuurlijk natuur
 
Ik ben belachelijk
 
Ik ben een kind
 
ondankbaar en vals
 
Als een kleine Sebastiaan
 
Voor elk zelfverwijt een pijl
 
Het verval aan mijn zijde weten
 
Misschien sterf ik wel, maar dan
 
vervuld van trotse vriendschap
 
Ik ben als groot kind herboren
 
In een landschap met de geur van
 
regen of de uiteindelijke kleur van
 
een oorlog
C
 
Ik zal van uw wenkbrauwen
 
wenkbrauwen maken.
 
De ruimte tussen het geopende ooglid
 
en de wenkbrauwen behoort even
 
groot te zijn als de doorsnee van de iris.
 
Want het spreekt vanzelf dat het oog
 
anders een te kleine indruk zal
 
maken, als de ruimte tussen de
 
wenkbrauwen en het geopende ooglid
 
te groot is.
D
 
Ik wil er uitzien als een jonge godin!
 
Ik wil vannacht een moordenaar zijn.
[p. 341]
A
 
Ik speel als een kind met een grote
 
doos vol wetmatigheden,
 
geleerdheden, verworvenheden
 
en ik schud en ik schud fantastisch
 
hard.
 
En wat gebeurt er, niets!
 
Want een landschap is nog altijd
 
mooier dan een postkaart van een
 
landschap.
 
En zo spelen wij ook te samen.
B
 
Met het woord spelen, bedoelt U
 
daarmee communiceren.
 
Maar wat betekent dan het ‘woord
 
vooraf’ in de publikaties die U laat
 
schrijven door uw volgelingen.
A
 
Dat heeft U ongemerkt al van mij
 
gehoord.
 
Toch is dit niet mijn gewoonte,
 
de natuur der dingen uit te leggen.
 
Ik wacht liever tot U als volgelinge het
 
uitlegt aan mij.
 
Wie fluistert mijn naam?
 
Wie kiest mijn kledij?
 
Wie maakt en onderstreept?
 
Wie spreekt over de zee of
 
de vrijheid vooraleer dat zee,
 
golf vrijheid heette...
C
 
De oogschaduw wordt gebruikt om de
 
ogen te omlijnen en goed te doen
 
uitkomen, om het contrast met het
 
oogwit groter te maken
 
en de kleur van de iris te accentueren.
 
Wanneer ze in de juiste nuance
 
wordt aangebracht, zal de oogschaduw
 
aan de oogopslag charme
 
en zachtheid geven...
[p. 342]
D
 
De verleiding van de leugen
 
Oog om oog
 
Mijn geweten verbeeldt zich niets
 
Hoe zou ik hem aankijken?
 
Hoe zou ik hem aanspreken?
A
 
De ervaring heeft me geleerd dat
 
wanneer ik iets te zeggen had over
 
mezelf, bijvoorbeeld iets belangrijks
 
over trots of moed,
 
het onderging in het rumoer
 
en niet in een storm gecreëerd door
 
mezelf.
 
En wanneer ik een lege mosselschelp
 
toonde zag iedereen opeens de zeeën,
 
oceanen en visrestaurants
 
van de hele wereld voor zich.
B
 
Gaat U verder...
C
 
U hebt bijna een ideale neus.
 
Ik zal met poeder hier en daar
 
een correctie moeten aanbrengen.
 
En ik zal uw neus perfect maken.
 
Daarbij, in de toekomst zult U trouwens
 
deze correcties niet meer hoeven uit
 
te voeren.
D
 
Esthetische chirurgie,
 
en U bent perfecter dan perfect.
 
Zou dat niet de schoonheid zijn die U
 
verlangt?
A
 
U wilt mijn geheim kennen.
 
Wanneer U de voorstelling der natuur
 
geproefd en doorgeslikt hebt
 
kunt U daar achter komen.
 
Misschien is er wel geen geheim.
 
Ik hou ervan dingen te behandelen
 
die ofwel niet meer zullen bestaan,
[p. 343]
 
ofwel nog niet bestaan.
 
Maar, U neigt naar het overbodige
 
gebaar van genade.
 
U draagt een wit gestreken pak, U
 
bent een gevallen engel.
 
U bent blond en U hebt blauwe ogen.
 
U bent dat vieze arische ras, waar
 
men zo enthousiast over is.
 
Lach lach naar de fotograaf van Paris
 
Match.
 
Uw interview, is dit uw interview.
 
Uw interview, amper de fractie van
 
een wolk.
B
 
Ik ben al beroemd!
 
Ik ben rijk, gecultiveerd en mooi!
 
Het is oog om oog.
 
Mijn geweten is al gesust.
 
Maar houdt U zich wel ergens mee
 
bezig?
A
 
Als ik zeg: uw interview, amper
 
de fractie van een wolk, een voor-
 
stelling van een gedachte bestaat bij
 
de gratie van de taal.
 
Ik zeg niets nieuws,
 
ik zeg alleen iets hoorbaars.
 
Alleen door ‘kunstzinnige ordening’
 
van het voorafgenoemde kan er in het
 
beste geval iets ‘natuurlijks’ gezegd
 
worden.
 
Maar dit is ook niets nieuws.
 
Het is 90% transpiratie en 10%
 
inspiratie.
 
En soms krijg ik een
 
openbaring:
 
er rolt een tijger over de scène
 
verkleed als een menselijk embryo.
 
‘Aarde, is dit niet wat gij wenst:
 
onzichtbaar in ons te verrijzen?
[p. 344]
 
- Is het uw droom niet ooit onzichtbaar
 
te zijn? -
 
Aarde: onzichtbaar. Is verinnerlijking
 
niet uw enige dringende opdracht?
 
Aarde, gij lieve aarde, ik wil.
 
Gij behoeft, zeg ik U, van uw lentes
 
niet meer om mij helemaal voor U te
 
winnen.
 
Ach, één enkele lente is voor ons bloed
 
al te veel.
 
Naamloos ben ik U toegewijd.
 
Altijd stondt gij in uw recht,
 
en uw heilige ingang in ons is
 
de vertrouwelijke dood.’*
 
Zie ik leef. Van waaruit?
 
Kindsheid noch toekomst verliezen
 
aan geldigheid...
 
Onblusbaar bestaan
 
Onblusbare eenzaamheid brandt.
 
Het is mijn fakkel van trots.
 
 
 
Als U één of andere Nederlandse
 
schilder of Duitse dichter zou
 
interviewen zou U hetzelfde te horen
 
krijgen.
 
Lach lach naar de fotograaf
 
van Paris Match.
C
 
Het evenwicht is volmaakt
 
en harmonieus als de afstand tussen
 
de punt van de kin en de rand van
 
de onderlip tweemaal zo groot is als
 
de afstand tussen de onderkant van
 
de neus en de rand van de bovenlip.
 
U ziet ik wil U de perfectie van
 
de schoonheid niet ontnemen.
[p. 345]
D
 
Ik wil vanavond
 
mooier dan mooi zijn.
 
Ik wil erger zijn dan mooi.
 
Ik wil verslinden.
B
 
Waarom Regisseur, waarom toch
 
lach toch ook eens
 
Waarom wilt U niet eens
 
lachen naar dat zwarte
 
mechanische oog?
 
Waarom niet als U regisseur
 
speelt.
A
 
Spelen, spelen, spelen,
 
is muziek maken met de natuur,
 
niet altijd aangename muziek
 
de geluidsbarrière wordt regelmatig
 
doorbroken, maar met nederigheid.
 
Ook de vriendelijke, beminnelijke
 
ironie werkt als een vlijmscherp
 
dodelijk mes.
 
Het is het begin van het einde
 
van deze voorstelling der natuur.
 
Het is het lachen zoals een kind.
 
Het is het huilen zoals een kind dat
 
niet gebaard is door een moeder.
 
Er zijn geen tranen meer, er is geen
 
zout meer.
 
Er zijn geen zeeën, oceanen en
 
visrestaurants meer.
 
Er zijn woorden, te veel woorden
 
in te veel leegte van de afwezigheid
 
van woorden.
 
Wanhopige fysieke omhelzingen
 
maar er zijn geen armen
 
en er zijn geen handen
 
Er zijn alleen nog maar ogen.
 
Grote ogen.
 
Eén groot oog ieders hoofd.
 
We kunnen alleen nog maar kijken.
[p. 346]
 
Er rest ons alleen nog maar een
 
zekere ongrijpbare blik.
 
Want het pad van de schoonheid is
 
bezaaid
 
met pijn pijn en nog eens pijn.
C
 
De lippen zijn het beweeglijkste deel
 
van het gezicht.
 
Ze zijn even expressief als de ogen,
 
zelfs als ze niet bewegen.
 
Kom niet te dicht zodat U zijn lippen
 
breken doet.
 
Kom niet te dicht uw ogen zijn
 
geladen.
D
 
U bent de schoonheidsspecialiste
 
onder oorlogsmisdadigers. Wat een
 
vreugde om me door U te laten
 
bewapenen.
 
Ik zal dus ook met m'n lippen
 
luisteren.
 
En aan zijn lippen mijn ogen
 
verkopen.
 
Tot hij me ziet. En me een rol zal
 
geven om naar op te kijken.
 
Liefst van al zou ik willen neerkijken
 
op mijn tegenspeler. Wie het ook moge
 
zijn.
A
 
Nu heb ik toch weer iets gezegd
 
om uit te leggen dat de dag ook avond
 
is en warmte steeds opnieuw zo koud
 
kan zijn.
B
 
Nu hebt U iets gezegd
 
Maar nog niets teveel.
 
Wat denkt U over de fotografische
 
schoonheid van mijn bestaan?
A
 
Zal ik voor U deze voorstelling
 
regisseren en U mag er de hoofdrol in
[p. 347]
 
spelen.
 
U mag de brief opbrengen
 
waarin staat te lezen, maar die U niet
 
zal lezen want de omslag is
 
dichtgekleefd, als U hem op de scène
 
brengt.
 
Voor mij is de bron van genot en pijn
 
het streven naar de goddelijke
 
schoonheid.
 
Het genot houdt op en wordt
 
vervangen door pijn. De pijn verdwijnt
 
op zijn beurt weer.
 
Dit herhaalt zich steeds opnieuw
 
zodanig dat ik mezelf het besef van
 
tijd heb bijgebracht.
 
Ik ben in de verhevene staat van geest
 
om mijn eigen hoofd en hart waar te
 
nemen.
 
Uit dit vermogen komt een innerlijke
 
rustige storm voort,
 
mijn lichaam is als het ware een ander
 
en tegelijk ben ik het zelf.
 
Vaak voel ik me verraden
 
door m'n eigen lichaam. Het lichaam
 
dat ik niet bezit.
 
En het fysieke niet bezitten doet
 
pijn.
 
Mijn ziel stoot de voorbode van
 
wat komen moet.
 
De sublieme seconde van de
 
beslissing.
 
De schoonheid doet de rest.
(A doodt zichzelf heel langzaam en B kijkt ernaar en geniet)
D
 
Deze eenvoudige technische middelen
 
worden in uw handen
 
tovermiddelen,
 
omdat U er een make-up mee
 
kunt maken die ‘niet zichtbaar’ is.
[p. 348]
 
De schoonheidsspecialiste heeft tot
 
taak elk van haar cliënten het
 
uiterlijk te geven dat bij hen past.
B
 
Ach flauwe jongeman
 
die er zo oud uitziet
 
als je hem goed bekijkt.
 
Hij ziet er slecht uit
 
Ik heb een kater van je
 
Ik heb een kater van dit
 
interview
 
Ik ga teksten schrijven
 
Theater geschreven met een ‘K’ is een
 
kater.
 
Het leven loopt nooit goed af
 
en als plot is het op voorhand bekeken.
 
Regisseur, de oude man
 
veel verbeelding bezat hij niet
 
en ach ‘verbeelding’ dat noem IK
 
een greep naar de leugen.
 
De kat, de kater en de krater van
 
verveling achter me gelaten.
 
Hij zei niet anders dan één woord
 
teveel
 
De schoonheid doet nooit de rest.

+Inleiding: Sigrid Bousset, dramaturg bij Jan Fabre
*Citaat Rainer Maria Rilke
terug  begin  verder