
Sigurd Rachman in ‘Het interview dat sterft...’ (1989)
Sinds 1980 is Jan Fabre (1958) bekend geworden met performances, theater, beeldend werk, later choreografie en opera. Vóór die periode echter, tussen 1975 en 1980, schreef de jonge Fabre een hoeveelheid teksten, waar niemand de precieze omvang van kent. Een aantal ervan worden sinds 1989 opgevoerd in een regie van hemzelf.
‘Het interview dat sterft...’ kwam samen met ‘Het Paleis om vier uur 's morgens..., A.G.’ en ‘De reïncarnatie van God’ het eerst aan de beurt. Het is verrassend hoe in deze vroege tekst uit 1975 - Fabre was toen zeventien jaar oud - reeds heel wat thema's aan bod komen die hem tot vandaag - bijna twintig jaar later - blijven bezig houden. De toonregisseur - Fabres alter ego - wordt geïnterviewd door de journaliste over het geheim van de kunst. Een interview dat sterft, ‘er is geen onderwerp’, er zijn geen adequate woorden voor het gepassioneerde bestaan dat het kind/de kunstenaar leidt. Toch verraadt het interview alles over de verwarring van de kunstenaar en de vragen die hij zich stelt: het onderscheid tussen ‘ik’ en ‘de ander’ (in zichzelf), de grenzen tussen het echte en de simulatie, tussen wat niet meer bestaat en wat nog niet bestaat, tussen dag en nacht, warm en koud, genot en pijn, leugen en verbeelding... vragen die worden onderzocht in alles wat Fabre maakt - een tekening, een libretto, een enscenering. Zo concentreert de tweede verhaaldraad in ‘Het interview dat sterft’ zich op het probleem van de simulatie. Een schoonheidsspecialiste bewerkt haar cliënte tot ze de volmaakte, perfecte gelaatsschoonheid heeft geïmiteerd. Pas dan kan ze de toonregisseur benaderen.
Fabres enscenering van ‘Het interview dat sterft’ in 1989 verliep uiterst sober en traag. De vier personages - reeds in de tekst geabstraheerd tot letters - zaten elk aan een tafeltje en zegden de tekst in een tergend langzaam ritme voor zich uit. Een onderzoek naar het fundament van de theatertekst; de impact en de geladenheid van het afzonderlijke woord.
Vaak werd de vraag gesteld of Fabres teksten los van een enscenering kunnen worden gelezen. Ze zijn geschreven in functie van conceptueel theater, soms met een performance-karakter. Bovendien is Fabres taalgebruik ‘vreemd’ en afwijkend op alle niveaus: woordkeuzes en -combinaties, syntaxis, beeldspraak... Je vraagt je bij het lezen meermaals af of hij die afwijkingen bewust in zijn schriftuur integreert, dan wel of hij de regels van de Nederlandse taal beheerst. Maar die vraag is niet relevant indien zijn werkwijze interessante teksten oplevert.
Het Fischer Verlag in Frankfurt zal alle teksten uitgeven die Fabre tot nog toe heeft geënsceneerd. Het Kaaitheater in Brussel zorgde reeds voor de uitgave van deze teksten in het Nederlands, maar in beperkte oplage.

Sigurd Rachman en Els Deceukelier in ‘Het interview dat sterft...’ (1989)
Personages
A Toonregisseur
B Journaliste
C Schoonheidsspecialiste
D Cliënte, journaliste
Er zijn twee tijden die door elkaar lopen
Personage B en D zijn een tweeling
Opgedragen aan mijn privé schoonheidsspecialiste