i.s.m.
[p. 382]
Luuk Gruwez
K.
Kliniek
Zij heeft zo lang gespaard voor al dat haar
en bloost nu als een moffenhoer.
Het spookt in haar, scharnieren knarsen,
een heel verleden staat te rammelen.
Alleen haar schedel glundert nog,
omdat men leeft zolang men liegt.
Mijn liefste aapt mijn liefde na.
Het nachtkastje vertolkt haar trots.
Dat toch nog iemand om haar geeft
staat daar in tulp en roos te pronk.
Maar ook dat bloedig creatuur:
de kom waarin zij klonters spuwt.
Zij heeft zo lang geleefd met al dat haar
en is nu alles kwijt. En straks ook mij.
Zelfs haar gezwellen zijn mij lief
en al wat koppig verder leeft
als het maar bloedt of plast of piept.
Ik moet haar zoenen tot ze sterft.
[p. 383]
Nocturne
De enige die mij voor altijd wou
is doodgegaan vannacht, om kwart voor drie.
Ik had haar nieuwe longen beloofd,
een prettig hart, een knappe hals.
Wat moet ik met dat alles nu?
Wat moet ik met haar spelden en haar ringen,
haar nagellak, haar bodymilk?
Of met haar nachtpon die, nog nieuw,
toch al de sporen droeg van oude lust?
En wie zal nog haar ogen willen
die tot het laatst maar bleven smeken:
bedaar, mijn lijf, laat mij met rust.
Er is geen kast, geen pakhuis groot genoeg
voor al die ledematen en organen
die stierven om te mogen spoken.
Een lichaam heeft te veel details.
Men kan het niet verzamelen.
Maar kwart voor drie, of bijna toch.
Ik deed alsof ik sliep. Zij niet.
Zij ging, zo opgelucht en ingetogen,
alsof zij in zichzelf een deuntje zong.
[p. 384]
Afspraak
Aarde beef, hemel donder, sterren fonkel.
Hier is mijn lief, voor één keer iets te vroeg.
Zij was het beste wat ik had,
maar kwam bij leven nooit op tijd.
Ik wou haar nog een dagje hier.
Nu dat niet mag: zorg goed voor haar.
Verstrek haar 's avonds goudsbloemthee
en zing een liedje in haar hals.
Ook moet een thermometer achterin.
Want ging het hier vaak fout met haar,
ik wed dat haar ook daar iets schort.
Laat haar dat leven overdoen
met een briljanter eindrapport:
o laat haar zegepralend gaan.