terug  begin  verder
[p. 411]

Over tijdschriften

De tweede ronde

14de jaargang, nr. 1, lente 1993

In Nederland is het bij een aantal recensenten in het verkeerde keelgat geschoten hoe uitgeverij Bert Bakker DTR ‘ruw verstoten’ heeft (Margot Engelen, NRC). Het tijdschrift is nu ondergebracht bij Van Oorschot, en daar blijkt iedereen tevreden mee. De verandering van uitgever heeft op het eerste gezicht geen ingrijpende wijzigingen met zich meegebracht aan lay-out of inhoud, en ook de redactie bleef ongewijzigd.

Dit Lentenummer heeft de Australische literatuur als onderwerp. Dat betekent dat zowel blanke Australiërs aan het woord komen als aboriginals, en zowel mensen die naar Australië verhuisden als Australische migranten. Een essay over Nederlandse migrantenliteratuur uit Australië en een bijdrage van de uit Nederland afkomstige Lolo Houbein zorgen voor een grotere verbondenheid met het onderwerp. Jammer alleen dat Houbeins verhaal ‘De benedenverdieping van het geluk’ zeker niet tot de beste uit deze DTR hoort. Het essay ‘De lege pagina’ is wel interessant: het beschrijft de vrij vlotte integratie van de Nederlandse immigranten in Australië. De eerste generatie had het zeker niet gemakkelijk en hield nog vast aan Hollandse gewoonten en waarden, maar de tweede generatie spreekt de taal van het nieuwe land en heeft nog nauwelijks last van aanpassingsproblemen. Dit vlotte opgaan in een andere cultuur en het ontbreken van daarmee verwante conflicten verklaren volgens de auteurs waarom ‘emigratieromans’ nauwelijks voorkomen in de Nederlandse literatuur.

Daarmee is een sociaal thema aangeraakt, en dat zal niet de laatste keer zijn. Het is opvallend dat het in dit soort bloemlezingen dikwijls veel minder om l'art pour l'art gaat dan om inhoud. Of is ‘inhoud’ nu eenmaal makkelijker vertaalbaar dan ‘stijl’? Ook de opgenomen gedichten zijn geen wonderen van originaliteit, en dikwijls wat zeemzoet van toon. Wel is het aangenaam dat telkens de originele Engelse versie is opgenomen.

De afdeling Nederlands proza bevat onder andere een verhaal van Frans Pointl (niet slecht, maar altijd weer hetzelfde) en ‘De flexilijn’ van Maarten Terwiel: de prozaversie van films als ‘Ghost’ - niet echt noodzakelijk dus. Dit blad puilt zoals altijd uit van light verse en poëzie van nogal uiteenlopende kwaliteit. Slechts twee gedichten blijven echt hangen: ‘Isoleren’ van Jan Dullemond en ‘Foto’ van Jean Pierre Rawie.

Poëziekrant

17de jaargang, nr. 2, maart-april 1993

Deze aflevering opent met een interessant stuk over ‘De sporen’ van Hugo Claus. Het heet een recensie, maar het is meer: een essay over Claus' thema's en dieperliggende motieven. Recensent Filip Rogiers besteedt de nodige aandacht aan verbanden met ander werk van Claus, met andere dichters, enzovoort. Hij steekt zijn enthousiasme over de bundel niet weg en weet het zeer overtuigend over te brengen.

[p. 412]

Wat ongewoner voor het doen van de Poëziekrant zijn Rogiers' uithalen naar ‘de “minor poets”, zij die troost zoeken bij andere fezelaars’. De Poëziekrant gaat zich namelijk wel eens te buiten aan al te voorzichtige recensies waar de lezer niet mee gebaat is. Ook wil een recensie wel eens dom-school-meesterachtig klinken. Een voorbeeld uit A.L. Herberts stuk over Huub Beurskens' Klein blauw aapje: ‘Dat de dichter uitroept: “Ogen heb ik, die van Matisse!”, is dus niet helemaal waar. Hij bedoelt waarschijnlijk: ogen heb ik, voor Matisse.’ Dat klinkt niet alleen pathetisch betuttelend, het klopt ook niet: de recensent verliest het verschil tussen ‘kijken als’ en ‘kijken naar’ uit het oog.

Maar er staan gelukkig ook scherpere en ongewonere stukken in de Poëziekrant: Freddy de Schutter krijgt er bijvoorbeeld duchtig van langs. En ook de poëzie mag scherp en ongewoon zijn in dit soms wat brave blad. In deze aflevering komen Charles Bukowski en Henri Michaux aan bod: een gevestigd cultfiguur en een die druk op weg lijkt er een te worden. Toegegeven: diversiteit is er wel in dit tijdschrift.

Atlas

2de jaargang, nr. 5, 1993

Net zoals Raster is dit een tijdschrift in boekvorm; dikwijls is het niet meer of niet minder dan een volwaardige bundel kortverhalen. In de vijfde aflevering zijn de teksten gegroepeerd rond het thema ‘Onze vaders’. De verhalen zijn goed en soms ontroerend, maar helaas wat voorspelbaar. Het onderwerp verleidt de auteurs al snel tot anekdotisch schrijven (wat met de nodige reflectie wel boeiend kan worden, zoals in ‘Papa’ van Kristien Hemmerechts), maar het kan net zo goed in je reinste hagiografie annex saaie geschiedenisles ontaarden (bijvoorbeeld bij Geert Mak). Opvallend is ook dat echte rebellie of ware ‘vadermoorden’ ontbreken in de literaire bijdragen: die vind je enkel in het essay van Richard Holmes. Het overheersende gevoel in Atlas 5 is melancholie, veroorzaakt door de herinnering aan overleden of levende vaders.

De Brakke Hond

10de jaargang, nr. 37, maart 1993

DBH betoont soms overmatige interesse voor verhalen die clichématig lijken maar dat niet blijken te zijn. Dat levert af en toe pareltjes op, maar het loopt ook wel eens verkeerd af. Sommige auteurs lijken van oordeel dat het leven van de gewone mens best op dreinerige toon wordt uitgedrukt; J.M.H. Berckmans is daar een expert in: herhalend, klagend en hakkelend vertelt hij weer een nieuw avontuur van onze antihelden in Barakstad. Sommige auteurs hebben andere auteurs iets te goed gelezen: Maria Deleye moet de mosterd bij Cyriel Buysse gehaald hebben; haar thematiek én haar stijl druipen gewoon van de Tantes. Bart Bulteel staat dan weer dicht bij Brusselmans, en dat is wel spijtig want deze laatste doet zelf niet heel hard zijn best om origineel te zijn. Toch denk ik dat Bulteel wat kan: er zijn een aantal leuke passages, het belooft wel wat.

De enige keer dat een clichématig verhaal echt werkt in deze DBH is in ‘Gesprek met de chef’ van Bert Nuyts: een bloederig verhaaltje over zinloos geweld, met Servische precisie beschreven. Een ander hoogtepunt in dit Lentenummer is de cyclus ‘Wilde Kiemen’ van Stefan Hertmans: ingetogen beelden, ‘kleine woordwoestijnen’ met een aangenaam storend rijmschema.

[p. 413]

Optima

10de jaargang, nr. 4, maart 1993; 11de jaargang, nr. 1, mei 1993

‘Mmmm!’ mompel ik wel eens als de nieuwe Optima in de bus ploft. Want daar is redacteur Atte Jongstra weer met zijn eigen Dial ‘M’ for murder: ‘Het boek M. Herinneringen’. Even later kruipt hij in de gedaante van Arno Breekveld en ontwierookt ‘Z’. ‘Z’ staat voor de Maximaal Joost Zwagerman, die in BZZLLETIN 200 voorzichtig -maar niet voorzichtig genoeg - ‘met honderdtwintig slagen om de arm want iemand zou zich eens geknecht of geannexeerd moeten voelen’ over Arno Breekveld beweerde dat hij ‘allerlei doldrieste, door en door intertekstuele fratsen uithaalt die een maximale dichter niet zouden misstaan’. Verder vallen in Optima 4 nog op: het zeer encyclopedische maar aangenaam lezende ‘Lof der ijdelheid’ (deel II) van Peter Nijssen en het ironische maar bovenal pornografische verhaaltje ‘Metroseks’ van Anne Vegter.

Voor het eerste nummer van de elfde jaargang ronselde de redactie teksten over ‘De verbeelding van het lichaam’. In feite gaat het hier om een omkering van wat zo typisch is voor Optima: ‘een sterke aandacht (...) voor het fysiek van de taal en het schrijven’. Deze keer wordt er geschreven over ‘het menselijke fysiek’. Het zijn vele korte bijdragen geworden die zich doorgaans concentreren op één specifiek lichaamsdeel: hersenen (in de Blechtrommel-achtige monoloog van Jan Stavinoha), ogen (die van Emma Bovary), klieren (van Nelleke Noordervliet), wenkbrauwen, de lever,... De aandacht voor de navel is echter het grootst: in niet minder dan drie bijdragen doen auteurs iets moois met ‘je eigen labyrint’, die ‘wonderlijke roos’, dat ‘staaltje hermetische dichtkunst’. De navel als metafoor voor afwezigheid, gemis, het raadsel: zo haalt de taal het toch nog van de fysiek.

Maatstaf

31ste jaargang, nr. 2, maart 1993

Maarten 't Hart onderzoekt of ‘(Tom) van Deel een vandaal (is)’. De recensent mag nog van geluk spreken: hij is ‘geen gemankeerde schrijver’, hij ‘bedrijft de literaire kritiek niet bij wijze van zelfverheffing’ of als ‘strafgericht’ (waar Carel Peeters en Jaap Goedegebuure zich volgens 't Hart schuldig aan maken). De verwijten aan Van Deels adres zijn: ‘vriendjespolitiek’ en ‘eigendunkelijke integriteit’, dit alles voortvloeiend uit ‘zijn gereformeerde jeugd’. Vandaar dat zijn recensies lijken op ‘de exegese der bijbelteksten’. Dat mag allemaal wel leuk klinken, spijtig genoeg worden deze uitlatingen nauwelijks gestaafd met citaten of voorbeelden. 't Hart zwelgt in zijn bijbels taalgebruik, gniffelt met zijn vergelijkingen met ‘ouderlingen’ en ‘mannenbroeders’ en voelt een raar soort medelijden voor Van Deel. De bijbelse beelden gaan echter behoorlijk vervelen, en wie enig body had verwacht, komt bedrogen uit.

Gelukkig bevat Maatstaf ook wat beters dan deze polemiek op klompen. Heel leuk vind ik de drie verhaaltjes van Erica van Rijsewijk: respectievelijk over voorbehoedmiddelen, Barbiepoppen en een ansichtkaart. Sterke staaltjes van seksuele obsessie, op een perfect ironische manier verwoord.

Voorts zijn er een aantal gedichten van Jean Pierre Rawie; en ‘Iemand anders’, een vrolijk lentegedicht van Cees Verraak. De portfolio is ook deze keer wel geslaagd, al waren de surrealistische schilderijen van Henk Romijn Meijer stukken beter gediend met kleurreprodukties.

[p. 414]

Literatuur

10de jaargang, nr. 2, maart-april 1993

Dit tijdschrift blijft schools op een vervelende manier. Er is zo weinig tegen in te brengen: de bijdragen zijn meer dan degelijk, de lay-out is verzorgd, de prentjes welgekozen. Goed om iets te weten te komen en handig voor in de klas, maar zonder bijdragen die een blad doen leven. Er is één uitzondering: Ton Anbeek, ‘De recensent, ook der recensenten’, die de literaire polemieken kritisch en met kennis van zaken volgt. In deze aflevering heeft hij het over de receptie van Mulisch. Vooral de oppervlakkige vergelijkingen met Eco moeten het ontgelden: ‘Eco's volumineuze tweede roman is in feite één grote parodie op een manier van denken op de wijze van Mulisch.’ Naast de hoeveelheden lof is dit - na Battus / Piet Grijs -weer een teken van tegenwind tegen Mulisch' ‘Ontdekking van de hemel’.

Varia

Na het januarinummer met een twintigtal pagina's over de Europese eenwording en voor het april/mei-nummer dat in het teken staat van de typografie, komt De Gids wat meer literair uit de hoek (156ste jg., nr. 3, maart 1993). Er zijn goede bijdragen van A.C. Zijderveld en Joris Note. Zijderveld heeft het over ‘Thomas Mann en zijn faible’. De dagboeken van Mann werpen een nieuw licht op diens schrijven; de auteur heeft het ook over andere interessante en wat controversiële onderwerpen zoals Manns biseksualiteit, homoërotiek en antisemitisme. Joris Note speelt in ‘De geschiedenis van de worm’ met flarden jeugdherinneringen en wormen in allerlei vormen.

Gonzo Circus (nr. 6, januari-februari 1993) lijkt op het eerste gezicht een (alternatief) muziektijdschrift, maar is eigenlijk niet voor één gat te vangen. Naast de gratis single, en artikels over groepen zoals Fugazi, Captain Beefheart, Afghan Wigs, Young Gods, bevat het ook stukken over schrijvers als Herman Brusselmans en Jules Deelder. J.M.H. Berckmans heeft een vaste rubriek. In het eerste nummer van '93 besteedt GC aandacht aan Elvis Peeters in de rubriek ‘MediaMania’. Peeters, die eerst bekend werd als rockzanger, komt hier in een paar overige gedaanten aan bod: schrijver van proza, vertaler van poëzie, en vermenger van dat alles in zijn theaterprogramma's. De vaste rubriek van Berckmans is in ieder geval typisch, maar vooral voorspelbaar en al te gemakkelijk.

Het tweede nummer van Revolver (19de jg., april 1993) bevat (buiten een korte inleiding) uitsluitend foto's van Herman Selleslags. Hij toont kunstenaar Jan Vanriet aan het werk in de Antwerpse Bourlaschouwburg. Het zijn goede zwart-wit actieshots: de kunstenaar aan het werk, de kunstenaar in confrontatie met zijn plafondschildering, soms vanuit een ongewoon perspectief. Voor de schilderingen zelf moet de lezer zich echter tevreden stellen met slechts twee kleurenfoto's. Een bezoek aan de Bourla lijkt me dan ook aangewezen.

 

Jan Bosteels

terug  begin  verder