De tollende emmer wordt verzonnen om te dreigen op de rand van de ijzeren tafel. Boven de vloeibare glimlach die ik opdrink tekent zijn zieke evenwicht zich af.
In het oog van het walsende water slaapt als gebleekt haar mijn lichaam. In die trechter van lucht is het goed slapen.
(De wonderboom schiet alle kanten uit, maar zonder geluid en is daarom verwaarloosbaar, misleidend.)
De emmer danst. Zijn leegheid bloedt. Spat bloemen op de buik van de slapende.
Alleen de roerende vinger treft schuld.
De wortels werden vergeefs uitgegraven. Hoewel onzichtbaar bleef het harige als spinrag kleven. Zelfs tussen wijsvinger en duim liet het zich niet verpulveren (mijn wrijvende hand leek op een denkende hand). De echte kleuren, het lederen gebladerte, het houten gewei: ze schaterden om de bijl die als razend bleef tekeergaan.
Het meisje dat zich als een hart in het web van de wonderboom verbergt en er wacht, dat meisje dat bestaat uit een transparante huid wegens afwezigheid van licht en rode, broze ogen die soms knipperend in de vlinderstruik opgaan; dat meisje draagt volgens de overlevering geen naam.
Ze heeft niet eens een geur.
Waarop ze wacht is evenmin bekend.
Bij het betreden van de tuin had ik het al opgemerkt. Verder was alles normaal: de stoel uitnodigend opengeklapt, de perziken traag druppelend in het gras.
Ik heb in de stoel plaatsgenomen en nieuwsgierig boven me uit zitten kijken.
Tot op heden is het mij volstrekt onduidelijk wie het aan de takken bevestigd heeft, waartoe het daar bevestigd werd en waarom het precies boven de stoel hing. Bijna roerloos.
Een karakteristieke beweging bij het ontkleden is het staan op één been terwijl de broekspijp over de opgeheven voet geschoven wordt. Een voorbode van het evenwicht dat zich straks in je uit zal strekken. Het naakte lichaam is je vertrouwd.
Hoe verontrustend is het dan jezelf terug te vinden, ruggelings op het gras, terwijl je langs dat lichaam kijkt.
Het zichtbare kloppen van het hart tegen het middenrif roept het knipperen van een gevaarsignaal op.