De eerste maanden van het jaar had de gele bungalow aan de overkant van het water leeggestaan. Toen brachten mannen in witte overals lange gele planken binnen; ramen en deuren werden uitgebroken, ze gingen in een golf van glasscherven de tuin in. Halve en hele bakstenen vlogen door alle gaten naar buiten. Ook daarbinnen werd geen deurpost gespaard, elke opening werd gruwelijk opgerekt. Wit kalkstof stoof wanhopig door de vertrekken en wolkte het huis uit, alsof het bouwsel smeulde.
Daarna werd de zaak weer keurig afgetimmerd. De werklui gingen niet zonder verstand, en zelfs niet zonder hart te werk. De holtes kregen hun rechte hoeken weerom. Een bestelwagentje Hekma. Dubbele beglazing. bracht nieuwe buitenramen, iemand kwam in een gele Mercedes aanrijden en monteerde een majesteitelijke buitendeur met koperen klopper. De tuin werd min of meer schoongemaakt, de ravage in een container gekieperd. De jongste werkman probeerde met dikke vingers tien minuten lang de forsythiastruik in een natuurlijke vorm te frommelen. Tot hij werd geroepen - ‘Nico!’ - en nog moest rennen om een plaats te bemachtigen in het busje, dat al reed.
In de schemer van die avond stapte moeder over de afbakening van de tuin. Ze sneed de amechtig neerliggende, maar lichtgevende takken van hun wortels ... de setter Sarah, snuivend aan haar schouder, hád het niet meer van de zenuwen.
Na de verbouwing stond de bungalow nog eens twee weken leeg, het dom gezicht vol pijn rond het nieuw, glanzend kunstgebit.
Eindelijk bracht een verhuiswagen immense meubels: fauteuils van roodgloeiend leer, een teakhouten tafel, een onafzienbaar bed, nog een, en nog een. Naast de bungalow parkeerde een groene Chevrolet. Vier zeer lange mensen stapten uit: een man met een jas in de kleur van een regenwolk, zijn vrouw, een zoon, een dochter.