Twee steeds weer herhaalde uitspraken over de Zwitserse auteur Peter Bichsel (1935) luiden: hij schrijft zeer weinig (vandaar ook kort) en het is niet allemaal literatuur wat hij schrijft. Ik ben het hier grondig mee oneens.
De eerste uitspraak is al meer dan twintig jaar oud. Peter Bichsel werd inderdaad beroemd met twee dunne boekjes: Eigentlich möchte Frau Blum den Milchmann kennenlernen (1964) en Kindergeschichten (1969). Voor zijn boek Die Jahreszeiten (1967) kreeg hij bovendien in 1965 de prijs van de Gruppe 47. Sommigen wachten dan tot 1985 op het volgende literaire werk: Der Busant. Von Trinkern, Polizisten und der schönen Magelone, en daarna weer acht jaar: Zur Stadt Paris. Geschichten (1993). Alsof columns geen literatuur zouden kunnen zijn. Bij Bichsel zijn het evengoed verhalen: Geschichten zur falschen Zeit [1915-1978] (1979), Irgendwo anderswo. Kolumnen 1980-1985 (1986) en Im Gegenteil. Kolumnen 1986-1990 (1990).
‘Literatuur is erop aangewezen onbelangrijke dingen te mogen doen,’ schrijft Bichsel aan het begin van zijn ‘Frankfurter Vorlesungen’ Der Leser. Das Erzählen (1982). Hij ziet literatuur als een achterdeur tegenover bij voorbeeld de voordeur van de germanistiek, de politiek of de geschiedenis, zoals in de slotverhalen van zijn eerste columns-boek, ‘Geschichte(n) I/II’, die tegenover een historisch bewustzijn een vertellend bewustzijn plaatsen en op het eerste gezicht niet eens verhalen zijn.
Ook in Zur Stadt Paris worden verhalen verteld die er geen zijn. En toch ontstaat er interesse voor deze alternatieve biografieën, door gemeenschappelijke herinnering. Zo raak je ook als lezer in deze literatuur verstrengeld.
Peter Bichsel was de beste vriend van Max Frisch. Hij is misschien wel mijn lievelingsschrijver en moet daarom dringend in het Nederlands worden vertaald: 1. In de stad Parijs; 2. Kinderverhalen (na twintig jaar is een nieuwe vertaling geen luxe); 3. Verhalen op het verkeerde moment (keuze columns 1975-1990); 4. Eigenlijk zou mevrouw Blum de melkboer willen leren kennen; 5. nieuwe druk van De jaargetijden (Meulenhoff 1969). Gezocht wordt dus een uitgever.
De driejarige Nora heeft iets gezien, namelijk die manier van je hoofd te bewegen waarop die vrouw haar haar uit haar gezicht gooit.
Nu doet zij dat ook - voor heel haar leven - en is ook een vrouw.
‘Jawel,’ zei de tachtigjarige ter gelegenheid van zijn verjaardag en toen hij om zijn goede geheugen werd geprezen. ‘Jawel,’ zei hij, ‘maar dit voortdurende gevoel iets te hebben vergeten.’
Hij was als tweeëntwintigjarige van plan geweest zich van kant te maken.
In Langnau in Emmental was een warenhuis. Dat heette In de Stad Parijs. Of dat een verhaal is?
Na haar werk te hebben verricht en aangezien de klant haar medelijden opwekte, zei de prostituee eens, omdat zij dacht iets te moeten zeggen: ‘Ik vond het ook leuk,’ en zij zegt het sindsdien tegen allen.
Met ‘Sterkte!’ en een krachtige handdruk neemt de chirurg na de eerste bespreking van de diagnose afscheid van elke patiënt afzonderlijk - meerdere keren per dag en al dertig jaar lang.
Hij had al ruzie gemaakt met zijn vader. Hij hield al van andere muziek. Het waren al andere tijden.
Des te meer schrok hij dat hij verbijsterd was dat hij in de spiegel naarmate hij ouder werd steeds meer op zijn vader ging lijken, die gestorven was.
Die mond, die neus.
Alleen dat litteken op zijn kin was van hem zelf.
Iemand die levenslang heeft gekregen antwoordt op de vraag hoe hij dat uithoudt of doet zo jarenlang in de gevangenis: ‘Moet je horen, ik zeg steeds tegen mijzelf, die tijd, die ik hier doorbreng, zou ik buiten ook moeten doorbrengen.’
‘Ja, u hebt gelijk,’ antwoordde de verteller, toen hem verweten werd dat hij alleen maar negatieve dingen over mensen wist te vertellen. ‘Ja, u hebt gelijk,’ zei hij, ‘ik heb vergeten te vermelden dat hij een auto bezat - hogere middenklasse, metalliek blauw, met elektrische bediening van de ruiten, servostuur en centrale vergrendeling.’
Een verteller op de markt van - op welke markten komen die vertellers? Op de markt van Bagdad wel niet meer -, een verteller dus vertelde verhalen, en de mensen lachten en sloegen zich op de dijen. Toen vroeg hem een kind dat niet lachte of hij liever grappige of droevige verhalen vertelde. Hij streek lang met zijn vinger over zijn neus en zei toen: ‘Als ik een onderscheid zou kunnen maken, zou ik er liever droevige vertellen.’